Wat zijn de voor- en nadelen van het Made in Europe-plan?

Gepubliceerd op: 3 september 2026

Het Made in Europe-beleid, dat de Europese industrie moet versterken, leidt tot de nodige discussie, ook buiten de EU. Zo bezocht de Britse staatssecretaris van handel onlangs Nederland om te pleiten tegen dit beleid, schrijft het Financieele Dagblad. Wij zoomen uit en vragen Thijs Knaap, hoofdeconoom bij APG, naar zijn economische kijk op het Brusselse plan.   


Het Made in Europe-plan moet ervoor zorgen dat overheden bij subsidies of publieke aanbestedingen vaker kiezen voor producten die in Europa zijn geproduceerd en grotendeels uit Europese onderdelen bestaan. Dat moet de Europese industrie beschermen. Hoe kijk jij daar als econoom naar?
“De Industrial Accelerator Act van de EU, beter bekend als het Made in Europe-beleid, legt eigenlijk een spanning bloot die al veel langer bestaat: die tussen vrijhandel aan de ene kant en nationale soevereiniteit aan de andere kant. Economen hebben van oudsher altijd sterk de nadruk gelegd op de voordelen van vrijhandel. Het idee is simpel: sommige dingen kun je elders goedkoper maken dan thuis. Dat kan komen door schaalvoordelen, doordat het klimaat ergens geschikter is of doordat lonen lager liggen. Dan ruil je die producten voor dingen waar je zelf beter in bent. Uiteindelijk worden beide partijen daar beter van. Als je tegenwoordig economie studeert, leer je vooral dat vrijhandel uiteindelijk voor meer welvaart zorgt.


Wat economen lange tijd wat minder goed zagen, is dat hun analyse vaak ophoudt zodra het buitenlandse product is geconsumeerd. Je importeert Franse wijn of kaas, consumeert die en daarmee is het verhaal economisch gezien klaar. Maar daarmee mis je wel een belangrijk effect van vrijhandel.”


Over welk effect gaat het dan?
“Als je dingen niet meer zelf maakt, raak je productiecapaciteit en kennis kwijt die je niet snel weer op kunt tuigen. Dat hoeft geen probleem te zijn, totdat je ze opeens wel nodig hebt. Dat zagen we tijdens corona met mondkapjes. Die werden jarenlang geïmporteerd. Toen ze ineens schaars werden, bleek hoe afhankelijk we waren geworden. In tijden van geopolitieke spanningen, zoals nu, gaat het niet meer om een paar centen prijsverschil, maar om toegang tot strategische producten. Een eeuw geleden, ook een geopolitieke tijd, speelde hetzelfde: in de Eerste Wereldoorlog was er bijvoorbeeld een tekort aan verrekijkers in het Britse leger, terwijl de belangrijkste producent een bedrijf was uit het vijandige Duitsland. Dat laat zien dat handelsrelaties niet zijn ontworpen voor situaties waarin landen tegenover elkaar komen te staan.”

Dit beleid is verdedigbaar als we er heel voorzichtig mee omgaan

Met andere woorden: juist omdat afhankelijkheid risico's met zich meebrengt, krijgt soevereiniteit weer meer aandacht?
“Precies. Landen willen voorkomen dat ze voor cruciale producten afhankelijk zijn van één leverancier. Handelstarieven zijn een manier om daarop te sturen. Een andere mogelijkheid is om eisen te stellen aan het aandeel lokale productie, zoals bij Made in Europe. Overigens gaan de Amerikanen qua protectionisme veel verder.


Tegelijkertijd hebben bedrijven zich de afgelopen decennia juist georganiseerd rond het idee dat grenzen economisch minder belangrijk werden. Productieketens lopen kriskras over de wereld. Handelsbarrières kunnen daarom direct problemen opleveren, zeker tussen landen die veel handel met elkaar drijven. Dat verklaart ook waarom het Verenigd Koninkrijk zo kritisch reageert op dit EU-plan: voor landen buiten de EU die veel handel drijven met Europa, kunnen dit soort eisen al snel nieuwe obstakels opwerpen. De Brexit liet al zien hoeveel economische activiteit verloren kan gaan zodra er meer papierwerk, testen en certificering nodig zijn.”


Is het Made in Europe-plan, alles overziend, dan wel verstandig beleid?
“De econoom in mij ziet twee kanten aan dit verhaal. We weten dat globalisering en vrijhandel ons veel welvaart hebben gebracht doordat landen zich konden specialiseren in waar ze goed in zijn. Als we daarvan terugkeren, worden we waarschijnlijk armer. Europese producten zullen duurder zijn dan alternatieven uit bijvoorbeeld China.


Tegelijkertijd zijn er nieuwe inzichten ontstaan over de risico's van het volledig uitbesteden van strategische industrieën. Volledige afhankelijkheid maakt je kwetsbaar. Dat maakt het doel van Made in Europe begrijpelijk. We hebben gezien hoe China bepaalde sectoren naar zich toe heeft getrokken en hoe moeilijk het vervolgens wordt om die kennis en productiecapaciteit terug te halen. Vanuit dat perspectief kan het verstandig zijn om bepaalde activiteiten binnen Europa te houden, ook als dat op korte termijn economisch minder efficiënt lijkt.


Daarom ben ik met enige tegenzin bereid te erkennen dat dit soort beleid soms verdedigbaar kan zijn, maar alleen als we er heel voorzichtig mee omgaan. Want voor je het weet nemen ambtenaren allerlei economische beslissingen, of lobbyen bedrijven voor allerhande uitzonderingen en beschermingsmaatregelen. Bovendien blijft het lastig om scherp af te bakenen wat werkelijk strategisch is en wat je gewoon aan de markt kunt overlaten. Meer soevereiniteit betekent meestal minder economische efficiëntie. Dat is precies het dilemma.”