Het Made in Europe-beleid, dat de Europese industrie moet versterken, leidt tot de nodige discussie, ook buiten de EU. Zo bezocht de Britse staatssecretaris van handel onlangs Nederland om te pleiten tegen dit beleid, schrijft het Financieele Dagblad. Wij zoomen uit en vragen Thijs Knaap, hoofdeconoom bij APG, naar zijn economische kijk op het Brusselse plan.
Het Made in Europe-plan moet ervoor zorgen dat overheden bij subsidies of publieke aanbestedingen vaker kiezen voor producten die in Europa zijn geproduceerd en grotendeels uit Europese onderdelen bestaan. Dat moet de Europese industrie beschermen. Hoe kijk jij daar als econoom naar?
“De Industrial Accelerator Act van de EU, beter bekend als het Made in Europe-beleid, legt eigenlijk een spanning bloot die al veel langer bestaat: die tussen vrijhandel aan de ene kant en nationale soevereiniteit aan de andere kant. Economen hebben van oudsher altijd sterk de nadruk gelegd op de voordelen van vrijhandel. Het idee is simpel: sommige dingen kun je elders goedkoper maken dan thuis. Dat kan komen door schaalvoordelen, doordat het klimaat ergens geschikter is of doordat lonen lager liggen. Dan ruil je die producten voor dingen waar je zelf beter in bent. Uiteindelijk worden beide partijen daar beter van. Als je tegenwoordig economie studeert, leer je vooral dat vrijhandel uiteindelijk voor meer welvaart zorgt.
Wat economen lange tijd wat minder goed zagen, is dat hun analyse vaak ophoudt zodra het buitenlandse product is geconsumeerd. Je importeert Franse wijn of kaas, consumeert die en daarmee is het verhaal economisch gezien klaar. Maar daarmee mis je wel een belangrijk effect van vrijhandel.”
Over welk effect gaat het dan?
“Als je dingen niet meer zelf maakt, raak je productiecapaciteit en kennis kwijt die je niet snel weer op kunt tuigen. Dat hoeft geen probleem te zijn, totdat je ze opeens wel nodig hebt. Dat zagen we tijdens corona met mondkapjes. Die werden jarenlang geïmporteerd. Toen ze ineens schaars werden, bleek hoe afhankelijk we waren geworden. In tijden van geopolitieke spanningen, zoals nu, gaat het niet meer om een paar centen prijsverschil, maar om toegang tot strategische producten. Een eeuw geleden, ook een geopolitieke tijd, speelde hetzelfde: in de Eerste Wereldoorlog was er bijvoorbeeld een tekort aan verrekijkers in het Britse leger, terwijl de belangrijkste producent een bedrijf was uit het vijandige Duitsland. Dat laat zien dat handelsrelaties niet zijn ontworpen voor situaties waarin landen tegenover elkaar komen te staan.”