Kunstmatige intelligentie (AI) zet de economie op zijn kop. Complete websites bouwen, contracten uitpluizen of dode zangers een nieuw liedje laten zingen – met AI kan het. Zelfs oude wiskundeproblemen worden gekraakt. Dat roept een bredere vraag op. Als AI onze manier van werken verandert, moeten we dan ook onze economie anders organiseren?
Financial Times-columnist Martin Sandbu stelde onlangs een intrigerende vraag. Misschien ontkracht AI wel het sterkste argument tegen een centraal geplande economie – zoals we die kennen uit het communisme. Het klassieke bezwaar was dat een planner nooit genoeg informatie kan verzamelen om een complexe economie aan te sturen. Met behulp van AI wordt dat informatieprobleem mogelijk een stuk kleiner.
In Chili deden ze begin jaren zeventig al een poging om met computerkracht alle informatie over fabrieken, grondstoffen en productieplannen samen te brengen. Vanuit een futuristische ruimte in Santiago moest de economie dan centraal worden aangestuurd. De staatsgreep door Pinochet bracht het experiment vroegtijdig ten einde. De vraag van Sandbu blijft staan. Een centrale planner die vraag en aanbod op elkaar wil afstemmen heeft een enorm informatieprobleem – maar informatieverwerking is nou net de specialiteit van AI. Zou het met de huidige technologie dan wél kunnen?
Ik denk van niet. Kort gezegd omdat AI, hoe geavanceerd ook, niet in de toekomst kan kijken. Misschien kun je het informatieprobleem van vandaag oplossen: hoeveel broeken en schoenen zijn er nodig, wie kan ze het beste maken en met welke grondstoffen? Maar niet alle relevante informatie bestaat al. Veel kennis moet nog worden ontdekt via experimenten, mislukkingen en onverwachte successen. Ondernemers jagen hun dromen na en proberen nieuwe producten uit of ontwikkelen goedkopere productiemethoden. Ze gokken soms op ideeën waarvan niemand weet of ze zullen aanslaan. De meeste pogingen mislukken. Een enkele blijkt een schot in de roos. Juist dat proces leert een samenleving wat werkt en wat niet. Markten verwerken niet alleen informatie, ze produceren ook nieuwe informatie.
Neem de iPhone. Consumenten vroegen daar in 2006 niet massaal om. Het product ontstond doordat Apple experimenteerde met een idee waarvan het succes allerminst vaststond. Pas achteraf bleek hoeveel behoefte eraan bestond. Dat geldt voor veel innovaties. De vraag wordt vaak pas zichtbaar nadat het aanbod is bedacht.
Natuurlijk kan AI ook experimenteren, maar wie bepaalt welke ideeën worden getest? Welke projecten krijgen extra middelen? Welke mislukte experimenten worden stopgezet en welke krijgen nog een tweede kans? In een markteconomie nemen miljoenen bedrijven, investeerders en consumenten daar decentraal voortdurend beslissingen over. Winst beloont succes, verlies straft mislukking af. Dat selectieproces is rommelig, maar het genereert wel voortdurend nieuwe kennis.
Kunstmatige intelligentie kan hallucineren, maar de teletijdmachine van professor Barabas bestaat nu eenmaal niet echt. Zelfs een superintelligente computer loopt tegen die fundamentele grens aan. Een algoritme kan bestaande patronen herkennen, maar toekomstige voorkeuren en technologische doorbraken zijn per definitie nog onbekend.
Overigens wil ik niet zeggen dat markteconomieën perfect zijn. We hebben overheden nodig om economische schokken op te vangen, marktfalen te corrigeren en publieke belangen te beschermen. Juist de opkomst van kunstmatige intelligentie toont het belang van een stevige schokdemper, marktmeester en scheidsrechter.
Misschien wel om te voorkomen dat er straks één dominante AI-gigant overblijft. Hallucineer even met me mee: als zo’n monopolist een groot deel van de productie, informatie en besluitvorming controleert en samen met de overheid optrekt, hoe ver zitten we dan nog af van een vorm van centrale planning? Hoe ironisch zou het zijn: eerst brengt de vrije markt kunstmatige intelligentie voort, vervolgens leidt dat via een omweg tot een centraal geleide economie. Dat is pas de omgekeerde wereld.
Charles Kalshoven is expert strateeg bij APG.