“We moeten begrijpen waar onze afhankelijkheden liggen”

Gepubliceerd op: 22 oktober 2026

De pensioensector kent veel stakeholders. Van sociale partners, uitvoerders en de politiek tot toezichthouders. Wat is hun specifieke rol, hoe kijken zij aan tegen de sector, hoe zien zij én spelen zij in op het vernieuwde stelsel? In de rubriek Krachtenveld doen de partijen hun verhaal. 

De pensioentransitie is nog volop gaande, maar er zijn ook andere vraagstukken die de sector de komende jaren gaan bezighouden. Voor Jochem Dijckmeester, divisiedirecteur Toezicht Pensioenfondsen bij DNB, is digitale soevereiniteit er daar één van. Waarom moeten pensioenfondsbestuurders zich daarin verdiepen?

Business as usual? Nee, dat is de Wet toekomst pensioenen (Wtp) nog steeds niet voor Jochem Dijckmeester. Hoewel aan het einde van dit jaar – als alles volgens plan verloopt – meer dan 90 procent van het pensioenvermogen in Nederland naar het vernieuwde stelsel is ingevaren, heeft de transitie nog Dijckmeesters (en daarmee DNB’s) volle aandacht. “De transitie is nog lang niet afgerond. Ook volgend jaar verwachten we veel fondsen die moeten invaren. Dat blijft een forse inspanning vragen van fondsen, uitvoerders, adviseurs en toezichthouders.”

Dijckmeester ziet daarbij wel dat zowel de sector als DNB de afgelopen jaren veel ervaring heeft opgedaan. Daardoor weten fondsen beter wat ze kunnen verwachten en kunnen beoordelingen steeds soepeler verlopen. “Dat geeft ook ruimte om vooruit te kijken naar andere ontwikkelingen die voor de sector relevant zijn.”


Toch nog even terug naar die opgedane ervaring. Wat heeft DNB het afgelopen jaar geleerd?

“Een belangrijke les is dat expliciete en richtinggevende transitiedoelstellingen helpen bij de onderbouwing van de evenwichtige belangenafweging. Als een fonds scherp formuleert wat het met de transitie wil bereiken, maakt dat veel keuzes beter uitlegbaar. Daarnaast hebben we geleerd dat het belangrijk is om zo vroeg mogelijk met fondsen in gesprek te gaan. Hoe eerder kwetsbaarheden zichtbaar worden, hoe meer ruimte er is om ze goed te adresseren.”


Je sprak in een eerder interview over meer rust voor de ‘klas van 2027’. Is die rust er gekomen?

“Wat vooral is toegenomen, is de voorspelbaarheid. Fondsen en adviseurs weten beter welke vragen kunnen komen en op welke manieren kwetsbaarheden kunnen worden geadresseerd. Dat helpt enorm. Dat betekent overigens niet dat alle uitdagingen verdwenen zijn. Maar de ervaring die inmiddels is opgebouwd, zorgt wel voor meer houvast.”


Zou je kunnen zeggen dat de grote discussies over evenwichtigheid achter ons liggen en dat nu het echte werk begint?

“Ik zie dat niet als twee gescheiden fases. Een goed onderbouwd invaarbesluit raakt juist aan meerdere onderwerpen tegelijk. Het gaat om de evenwichtige belangenafweging, maar ook om uitvoering, IT-risico's, communicatie en deelnemersvertrouwen. Die onderwerpen zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Een heldere onderbouwing helpt uiteindelijk ook bij de communicatie naar deelnemers en het vertrouwen in de gemaakte keuzes.”

Bestuurders moeten begrijpen van welk krachtenveld ze onderdeel zijn

Over IT gesproken: de laatste tijd horen we steeds meer over digitale soevereiniteit. Waarom is dat onderwerp voor pensioenfondsen relevant?

“Vrijwel alle kritieke processen van pensioenfondsen zijn tegenwoordig afhankelijk van technologie. Van administratie en vermogensbeheer tot de communicatie met deelnemers. Daarbij maakt een groot deel van de financiële sector gebruik van dezelfde, veelal niet-Europese, technologieaanbieders. Een grote storing, cyberincident of geopolitieke verstoring bij zo’n partij kan daardoor gevolgen hebben voor een groot deel van de sector tegelijk. Voor pensioenfondsen is de vraag daarom niet alleen of een leverancier vandaag goed functioneert. De vraag is ook wat er gebeurt als die leverancier morgen tijdelijk niet beschikbaar is of onder politieke druk komt te staan.”

In je lezingen noem je digitale soevereiniteit nadrukkelijk een bestuursvraagstuk en geen IT-vraagstuk. Kun je dat uitleggen?

“Omdat het uiteindelijk gaat over afhankelijkheden, keuzes en risicobereidheid. Technologie is daar slechts één onderdeel van. Bestuurders moeten begrijpen van welk krachtenveld ze onderdeel zijn. Welke risico's accepteren we? Welke alternatieven hebben we? En wat doen we als omstandigheden veranderen? Dat zijn vragen die thuishoren aan de bestuurstafel.”

Je schetste een Europa dat voor veel cruciale technologie afhankelijk is van een klein aantal buitenlandse spelers. Is dat een risico voor pensioenfondsen?

“Het kan in ieder geval een kwetsbaarheid zijn. Geopolitieke ontwikkelingen laten steeds duidelijker zien dat toegang tot technologie, data en digitale dienstverlening niet vanzelfsprekend is. Dat betekent niet dat afhankelijkheid van buitenlandse partijen op de korte termijn per definitie onwenselijk is. Op de langere termijn zijn echter investeringen nodig in innovatie, technologische ontwikkeling en volwaardige Europese alternatieven om de weerbaarheid en strategische autonomie van de pensioensector te versterken. Onze boodschap is vooral dat bestuurders die afhankelijkheden goed in kaart moeten brengen en moeten nadenken over de risico's die daarbij horen.”

Pensioenfondsen zijn niet alleen gebruikers van technologie, maar ook grote investeerders. Hebben zij volgens jou een rol in de ontwikkeling van Europese technologie?

“Pensioenfondsen hebben uiteraard in de eerste plaats een verantwoordelijkheid naar hun deelnemers. Maar tegelijkertijd zijn het langetermijninvesteerders die voortdurend kijken naar ontwikkelingen die bepalend zijn voor de economie van de toekomst. Vanuit dat perspectief kunnen zij eventueel ook nadenken over de vraag welke rol zij willen spelen in een innovatief en weerbaar Europees technologie-ecosysteem, of welke risico's deze mogelijke ontwikkeling met zich meebrengt.”

Waar ligt volgens jou de grens tussen prudent pensioenbeheer en een bredere maatschappelijke verantwoordelijkheid?

“Dat begint bij de verantwoordelijkheid voor deelnemers. Maar die verantwoordelijkheid houdt niet op bij de grenzen van de eigen organisatie. Bestuurders kijken ook naar risico’s en ontwikkelingen die op langere termijn invloed kunnen hebben op de economie, de financiële sector en uiteindelijk het pensioenresultaat. Vanuit dat perspectief is het logisch om ook na te denken over onderwerpen als innovatie, technologische weerbaarheid en strategische autonomie.”