“De échte vraag is hoeveel kansen je mist als je níet investeert”

Gepubliceerd op: 10 september 2026

Europa bouwt uitstekende technologiebedrijven, maar het ontbreekt aan voldoende kapitaal – en lef – om die bedrijven hier te laten doorgroeien. Dat stelt Volgens fondsmanager, investeerder en oprichter van European Women in VC, Kinga Stanisławska. Pensioenfondsen kunnen een belangrijke rol spelen om dat tij te keren. Maar daar is durf én een andere kijk op diversiteit van teams nodig.

‘Het zou makkelijker zijn als een van jullie een man was’. Dat kreeg de Poolse Kinga Stanisławska te horen toen ze samen met een vrouwelijke partner een venturecapitalfonds wilde opzetten. Het fonds kwam er toch. En precies die uitspraak vormt tot op de dag van vandaag een belangrijke drijfveer in haar missie voor meer vrouwen in het durfkapitaal.

Stanisławska stond mede aan de basis van het €3,5 miljard grote aandeleninvesteringsfonds van de European Innovation Council (EIC Fund) en als lid van het Investment Committee beoordeelde ze meer dan 150 investeringsvoorstellen. Daarvoor werkte ze jarenlang bij de European Bank for Reconstruction and Development (EBRD). Later richtte ze European Women in VC op en werd ze een van de bekendste stemmen in Europa op het snijvlak van venture capital, institutioneel kapitaal en diversiteit. Haar missie: grote investeerders het enorme potentieel van venture capital laten in Europa inzien. Voordat bijvoorbeeld overzeese beleggers er met de ‘unicorn’ van de toekomst vandoor gaan.

In veel van je presentaties benadruk je dat technologie geen grenzen kent. Tegelijkertijd pleit je ervoor dat Europese pensioenfondsen meer in Europese innovatie investeren. Is dat geen tegenstelling?

“Nee, juist niet. Technologiebedrijven zijn niet gebonden aan een locatie zoals vastgoed of infrastructuur dat wel zijn. Een Nederlandse start-up kan vandaag klanten vinden in Amsterdam en morgen een verkoopkantoor openen in San Francisco. Technologie reist heel gemakkelijk over grenzen heen. Daar zit tegelijkertijd het probleem. Europese bedrijven hebben kapitaal nodig om te groeien. Als dat kapitaal hier niet beschikbaar is, vertrekken ze naar plekken waar het wel beschikbaar is. Dat zien we al jaren gebeuren.”

 

Wat gaat er dan precies mis?

“Amerikaanse investeerders steken aanzienlijk meer geld in venture capital dan Europese investeerders. Daardoor krijgen Amerikaanse bedrijven meer kansen om te experimenteren, fouten te maken en uiteindelijk succesvol te worden. Een start-up moet nu eenmaal geld verbranden voordat er omzet ontstaat. Als je niet genoeg kapitaal hebt om nieuwe dingen te proberen, krijg je ook minder kans om te slagen. Uiteindelijk bouwen Amerikanen daardoor vaker de bedrijven van morgen. Kijk maar naar de tech-reuzen.”

 

Toch zijn veel pensioenfondsen terughoudend.

“Dat begrijp ik tot op zekere hoogte. Maar soms verbaast die terughoudendheid me ook. We hebben het vaak over allocaties van één of twee procent van een portefeuille. Dat is op het totaal een heel beperkt deel. Zelfs als zo’n beleggng tegenvalt, heeft dat nauwelijks impact op een goed gespreide pensioenportefeuille.”

Eén besluit bovenin beïnvloedt honderden beslissingen lager in het systeem

Pensioenfondsen wijzen vaak op risico’s en kosten.

“De echte beperking zit niet in lef en ook niet in kosten. Het zit in vakmanschap. Europese pensioenorganisaties zijn uitstekende beleggers op de publieke markten. Het selecteren van venture-capitalmanagers is echter een ander vak: het vinden van de juiste partijen, het uitvoeren van due diligence, het beoordelen van voorwaarden en het vergelijken van fondsen over verschillende investeringsjaren heen. Vrijwel nergens in Europa wordt die expertise systematisch ontwikkeld. De instellingen die die kennis en vaardigheden als eerste opbouwen, zullen de beste toegang krijgen. Want in venture capital kiezen de beste fondsmanagers zélf hun investeerders.”

 

Toch is rendement – en een bepaalde zekerheid daarin - een belangrijke factor voor pensioenfondsen. In dat licht bezien is die terughoudendheid toch niet gek?

“En dat moeten ze ook doen. Maar rendement moet je niet beoordelen op basis van een willekeurige periode van drie of vijf jaar. Dan krijg je een vertekend beeld. De afgelopen jaren zijn beursrendementen sterk gedreven door een kleine groep Amerikaanse technologiebedrijven. De vraag is of dat de komende twintig jaar opnieuw gebeurt. Zelfs grote institutionele beleggers stellen die vraag inmiddels. Wil je als pensioenfonds alleen eigenaar zijn van de winnaars van gisteren, of wil je ook betrokken zijn bij de bedrijven die de komende decennia gaan bepalen?”

Naast het vraagstuk van überhaupt investeren in venture capital, pleit je ook voor meer diversiteit binnen die beleggingstak. In hoeverre zijn die discussies met elkaar verbonden?

“Investeren is uiteindelijk mensenwerk is. Investeerders beoordelen niet alle kansen die bestaan. Ze beoordelen de kansen die ze tegenkomen. Daarvoor bestaat een term: investor homophily. Mensen investeren in wat ze kennen, begrijpen en herkennen. Dat geldt voor iedereen. Voor mannen, vrouwen, jongeren, ouderen, noem maar op.”

 

Waarom is dat relevant voor rendement?

“Omdat het bepaalt welke ideeën überhaupt gefinancierd worden. Venture capital draait voor een belangrijk deel om het herkennen van kansen die anderen nog niet zien. De meest succesvolle investeringen waren vaak contrair. Denk aan SpaceX. Het idee dat een particulier bedrijf de dominante speler in ruimtevaart zou worden, klonk ooit absurd. Juist die afwijkende ideeën leveren vaak de grootste waardecreatie op.”

 

En daar komt de rol van meer diversiteit om de hoek kijken?

“Precies. Wanneer vrijwel alle investeringsbeslissingen door hetzelfde type mensen worden genomen, loop je het risico dat dezelfde soort ideeën telkens opnieuw financiering krijgt.

Vrouwen vormen ongeveer de helft van de bevolking. Ze nemen bovendien een groot deel van de consumptiebeslissingen in huishoudens. Toch worden veel producten, diensten en ondernemingen nog altijd beoordeeld vanuit een relatief eenzijdig perspectief. Als je andere mensen aan tafel krijgt, krijg je ook andere netwerken, andere referentiekaders en andere investeringskansen. En dat brengt een cascade-effect op gang.”

 

Kun je dat uitleggen?

“Veel mensen denken dat diversiteit begint bij ondernemers. Maar het begint eerder, bij degenen die het kapitaal alloceren. Als een pensioenfonds bijvoorbeeld in zijn mandaat opneemt dat een deel van het vermogen wordt belegd via meer gebalanceerde investeringsteams, dan verandert er iets verderop in de keten. Fondsmanagers passen hun teams aan. Die teams kijken naar andere ondernemers. Vervolgens krijgen andere bedrijven toegang tot kapitaal. Dat werkt als een waterval. Eén besluit bovenin beïnvloedt honderden beslissingen lager in het systeem.”

 

Je hebt jarenlang geprobeerd die verandering te versnellen. Ben je optimistisch?

“Voorzichtig optimistisch. We hebben niet alles bereikt wat we wilden. We hebben bijvoorbeeld gepleit voor veel grotere Europese fondsen om vrouwelijke investeerders te ondersteunen. Dat is maar beperkt gelukt. Maar we hebben wel gezien dat één verandering in allocatiebeleid effect kan hebben op een hele markt. Dat bewijst dat systemen kunnen veranderen.”

 

Wat is volgens jou op dit moment de grootste uitdaging voor Europa?

“Dat we onvoldoende kapitaalstructuren hebben om innovatie op schaal te financieren. In de Verenigde Staten heb je universiteitsfondsen, foundations, family offices en pensioenfondsen die al decennialang investeren in venture capital. Europa heeft veel minder van dat soort kapitaalbronnen. Daardoor hebben we vaak de kennis, de ondernemers en de technologie, maar niet het ecosysteem dat nodig is om er wereldspelers van te maken.”

Heeft het debat over veiligheid dat beeld veranderd?

“Het heeft de discussie eigenlijk nog scherper gemaakt. Een aanzienlijk deel van de toekomstige waardecreatie in Europa zal plaatsvinden in deeptech en technologieën die onze weerbaarheid versterken. Technologie dus die helpt om onze samenleving veilig en draaiende te houden. Veiligheid raakt iedereen. Ik zie dat steeds meer institutionele beleggers innovatie ook door die bril bekijken. Dat lijkt me een positieve ontwikkeling.”

Hoe vaak spreek je met de pensioensector?

“Vorig jaar zijn we met vijftig pensioenfondsen uit heel Europa in gesprek gegaan om hun perspectief beter te begrijpen. Dit jaar werken we samen met partners, waaronder het NATO Innovation Fund en de Europese Commissie, en spreken we met fondsen in vijftien landen. De resultaten van dat onderzoek publiceren we in november.”

Tot slot: als je één boodschap mocht meegeven aan pensioenfondsbestuurders, welke zou dat zijn?

“De echte vraag is niet hoeveel risico een kleine ventureallocatie toevoegt aan een portefeuille. De echte vraag is hoeveel kansen je mist als je niet investeert. Want uiteindelijk gaat het niet over venture capital. Het gaat over de vraag wie de economie van de toekomst bouwt. En of Europa daar eigenaar van wil zijn of alleen toeschouwer.

Uiteindelijk gaat het om de deelnemers. Hun pensioen is afhankelijk van de economie van morgen. En dat is precies de economie waarin we vandaag investeren.”