Economie
Sluiten

Navigeer snel in deze serie:

Sluiten

Deel deze serie:

Economie

Hoever daalt de rente nog? Wat zijn de economische gevolgen van de coronacrisis? Hoe kijken we nu aan tegen globalisering? En wat zijn de gevolgen voor het Nederland van morgen? We verkennen het hier.

Thema
Inkomen
Collectie inhoud
66 Publicaties

Navigeer snel in deze serie:

“Economisch gezien is het niet slecht om nu even minder te consumeren”

Gepubliceerd op: 24 november 2022

De nieuwste iPhone. Een grotere flatscreen, met een nog scherper beeld. ‘Ultra-fast-fashion’ met 52 collecties in een jaar, gemaakt om kort te dragen. Als consument is het soms moeilijk de verleiding te weerstaan. En gretig koopgedrag is goed voor de economie. Maar we lopen ook steeds vaker tegen de grenzen van onze consumptiedrift aan. Waar liggen die grenzen? En wat levert al dat consumeren op? In deze reeks laten we mensen met diverse achtergronden hierop ingaan, steeds vanuit hún specifieke gezichtspunt. Aflevering 1: het economisch perspectief – belicht door Charles Kalshoven, macro-econoom bij APG. 


‘Kortingen tot 90%!’, ‘Bizarre’ kortingen, ‘Exclusieve dagdeals!’. Als er één dag is waarop de verleidingen voor de consument op de loer liggen, dan is het wel Black Friday. Sommige ketens rekken het concept zelfs op tot ‘Black Weeks’. Hoe groot is het effect van Black Friday eigenlijk op onze economie? En hoe belangrijk ís Black Friday voor de Nederlandse detailhandel?


Kalshoven: “Het vierde kwartaal is voor de detailhandel een belangrijk kwartaal, door onder andere de Sinterklaas- en kerstperiode. In het derde kwartaal stagneerde de groei van de consumptie. De consumptie van duurzame goederen, zoals meubels en auto’s, zakte zelfs in, maar dat werd verbloemd doordat de vraag naar diensten op peil bleef. Black Friday kan de verkopen een duwtje in de goede richting geven. In die zin is het fenomeen, vanuit het perspectief van de detailhandel, van belang. Bovendien geven de verkopen op Black Friday een indicatie voor het verdere verloop van het vierde kwartaal.”


Hoe groot verwacht je dat het Black Friday-effect dit jaar gaat zijn?  


“In oktober bereikte het consumentenvertrouwen een recordlaagte van -59 (zie kader). In november kwam het uit op -57. Maar dat is nog steeds ver onder het gemiddelde van -9 over de afgelopen 20 jaar en lager dan rond de eurocrisis of de kredietcrisis in 2007/2008. Hoewel dit cijfer gebaseerd is op het oordeel en verwachting van consumenten zelf – dat komt niet altijd overeen met wat ze dóén – verwacht ik op basis hiervan geen uitzonderlijk uitbundige consumptie op Black Friday 2022. Van de andere kant moet de detailhandel ook weer niet te somber zijn, want gemiddeld genomen zijn de vooruitzichten voor de koopkracht goed. Er komen immers de nodige compensatiemaatregelen van de overheid aan: de tegemoetkoming energiekosten in november en december, het energieplafond per 1 januari 2023 en de stijging van het minimumloon met meer dan 10 procent op dezelfde datum. Bovendien zou de gemiddelde loonstijging in Nederland volgend jaar het afnemende inflatiecijfer moeten kunnen overtreffen.”

Hoe komt het consumentenvertrouwenscijfer tot stand?


“Het consumentenvertrouwen geeft informatie over het vertrouwen en opvattingen van consumenten ten aanzien van de ontwikkelingen van de Nederlandse economie en hun eigen financiële situatie.

Consumenten worden gevraagd naar hun oordeel over hun huidige financiële situatie in de afgelopen 12 maanden, hun financiële situatie in de komende 12 maanden, of ze het een gunstig moment vinden voor het doen van grote aankopen, de economische situatie in de afgelopen 12 maanden en economische situatie in de komende 12 maanden. Van iedere vraag wordt het saldo van positieve en negatieve antwoorden in procenten van het totaal aantal antwoorden bepaald. Het consumentenvertrouwen is het rekenkundig gemiddelde van deze vijf deelvragen.” (website CBS)


Een consumentenvertrouwenscijfer van bijvoorbeeld -57 betekent dat het aandeel van de consumenten dat pessimistisch is, het aandeel van de optimisten met 57 procent overtreft.

Voor de detailhandel verwacht je dus een bescheiden positief effect van Black Friday. Geldt dat ook voor de economie in het algemeen?


“We hebben nu een hoge inflatie en in de huidige situatie krijgen we die eerder naar beneden als we onze consumptie nu even matigen. Energie is momenteel schaars, maar dat geldt ook voor materialen en menskracht. Als we even wat minder consumeren tempert dat de vraag naar alle drie, zodat de prijzen hiervan zich ook matigen. Bovendien kan de schaarse energie zo ingezet worden op de plekken waar deze het hardst nodig is – bijvoorbeeld voor de kachel van een arm gezin in een slecht geïsoleerd huis. Vanuit macro-economisch perspectief is het dus helemaal niet slecht om even de voet van het gaspedaal te halen.”


Dus weg met Black Friday?


“We leven in een markteconomie, en daar horen winkels bij die op van alles inspelen. In die zin is Black Friday niks nieuws onder de zon. Punt is wel dat tijdelijke kortingsacties consumenten kunnen verleiden om dingen te kopen die ze eigenlijk niet nodig hebben. Dat treft niet alleen consumenten in hun portemonnee, ook op de planeet heeft het uiteindelijk impact. Al hoeft dat niet altijd negatieve impact te zijn. Zo zag ik dat een buitensportwinkel Black Friday invult door op die dag gratis schoenonderhoud en kledingreparatie aan te bieden. Zo’n actie kan later natuurlijk wel voor nieuwe omzet zorgen en daarmee alsnog bijdragen aan negatieve ecologische impact. Maar als een klant hierdoor één kwaliteitsjas koopt voor een periode waarin hij normaliter drie jassen van mindere kwaliteit zou verslijten, is dat per saldo beter voor de planeet. De vraag is dus altijd: welke consumptie vervang je met een nieuwe aankoop? Overigens kun je de verduurzaming van het economisch stelsel niet volledig aan bedrijven overlaten. Daarvoor heb je ook een overheid nodig die een sturende rol inneemt.”


Minder producten consumeren, meer ­diensten afnemen: kunnen we zo in Nederland de belangen van economische groei en een leefbare planeet tegelijk dienen?


“In principe wel, al hangt het hierbij natuurlijk ook af van het soort diensten waarmee je die productconsumptie vervangt. Een vliegreis is immers ook een dienst, maar wel een met een behoorlijke ecologische voetafdruk. Voor zo’n transitie is dus ook hier een sturende overheid nodig, die er via belastingheffing voor zorgt dat de minst vervuilende goederen en diensten aantrekkelijker worden ten opzicht van de vervuilende. En door grondstoffen meer en arbeid minder te belasten. Als je onder die voorwaarde meer immateriële groei creëert in plaats van materiele groei, is dat een vorm van ‘ontspullen’. Het zorgt voor een minder groot beroep op grondstoffen en voor een groter beroep op denkkracht en creativiteit. Daarvan komen de grenzen niet zo snel in zicht, in tegenstelling tot grondstoffen. Die raken een keer op.”


Is dat een realistisch scenario?


“In Nederland is de CO2-uitstoot afgenomen, terwijl de economie is gegroeid. Ook als je naar het onderzoek kijkt van Andrew McAfee, die daarover het boek ‘More from Less’ heeft geschreven, zie je dat de Amerikaanse economie steeds minder grondstofintensief wordt. En dat komt niet doordat steeds meer productie naar China is verhuisd. Economische groei zit daar steeds meer in toegevoegde waarde op basis van diensten. Een voorbeeld is merkwaarde, die je met behulp van marketing creëert. Dus ja, het is zeker mogelijk om economische groei te behalen die meer leunt op diensten en minder op fysieke producten en tegelijkertijd de negatieve ecologische impact te verkleinen.”

Volgende publicatie:
Wat betekent 2023 voor… mijn portemonnee?

Wat betekent 2023 voor… mijn portemonnee?

Gepubliceerd op: 23 november 2022

Historische krapte op de arbeidsmarkt, flink schommelende aandelenkoersen en een inflatie die tot in de dubbele cijfers reikt. 2022 is economisch gezien een behoorlijk bewogen jaar. Maar wat zal 2023 ons brengen? In deze nieuwe reeks vertelt Charles Kalshoven, macro-econoom en senior strateeg bij APG, wat we volgend jaar kunnen verwachten van onder meer de woningmarkt, de arbeidsmarkt en de beurs. Vandaag deel 1: Wat betekent 2023 voor mijn portemonnee?

Belangrijk voor de inhoud van iemands portemonnee is of de lonen harder stijgen dan de prijs van het zogenoemde boodschappenmandje, en of de overheid maatregelen neemt om de gevolgen van de hoge inflatie te verzachten. Ondanks dat er nog veel onzekerheden zijn, met name over de inflatie, ziet Kalshoven het niet somber in voor de portemonnee van de gemiddelde Nederlander in 2023. Wel zullen de verschillen tussen individuen groter zijn dan in andere jaren.

Loonstijging
Kijken we naar de lonen, dan is de verwachting van onder meer het Centraal Planbureau (CPB) en De Nederlandsche Bank dat die volgend jaar met ruim 4 procent zullen stijgen. Dat lijkt wellicht wat karig met een inflatie van 14,3 procent in oktober. De FNV eiste deze maand dan ook een loonsverhoging van 14,3 procent. Dat is volgens Kalshoven niet realistisch. “Ook bedrijven hebben een hogere energierekening en misschien een hogere huur, dus dat maakt het voor hen moeilijk om te zeggen ‘we doen er meer dan 10 procent bij’. Vaak kunnen ze de gestegen kosten ook niet volledig doorberekenen aan de klanten, omdat ze dan marktaandeel kwijtraken. Een loonstijging van 4 procent lijkt misschien niet veel als je kijkt naar de inflatie, maar het is wel hoger dan we in jaren hebben gehad.” 

Inflatie
De vraag is dan wat de prijzen gaan doen. Naar verwachting komt de inflatie over 2022 uit op ongeveer 10 procent. Het CPB gaat er nu vanuit dat de inflatie komend jaar op 2,5 procent zal uitkomen. “Dat zou een stuk lager zijn dan de verwachting van 5,5 procent die de Europese Centrale Bank heeft voor de inflatie in de hele eurozone. Maar op zich is dat niet zo gek. De Nederlandse inflatie ligt dit jaar namelijk juist ruim boven de Europese. Ook zal het energieplafond dat op de valreep voor Prinsjesdag is afgesproken de inflatie drukken.”


Goed om te weten: het inflatiecijfer van het CBS voor dit jaar is een overschatting van wat mensen echt in de portemonnee voelen. Dat komt doordat de rekenmeesters uitgaan van de fictie dat elke Nederlander elke maand een nieuw energiecontract afsluit, en dus te maken heeft met de hoge variabele tarieven van dit jaar. In werkelijkheid geldt dat maar voor een beperkte groep, omdat veel mensen een vast energiecontract hebben. “Voor volgend jaar zit er dan een prijsdaling verwerkt in het inflatiecijfer die niet iedereen zal herkennen.”

Veel werknemers kunnen een loonstijging tegemoet zien van ruim 4 procent

Energieplafond
Als de lonen inderdaad met 4 procent stijgen en de inflatie beperkt blijft tot 2,5 procent, hoeft de gemiddelde Nederlander volgend jaar niet te vrezen voor koopkrachtverlies, zeker omdat de overheid bijspringt met tijdelijke maatregelen zoals het energieplafond en een accijnsverlaging op benzine. “Wel bestaan er grote verschillen tussen Nederlanders. Waar de gemiddelde loonstijging zo’n 4 procent is, stijgen het minimumloon, de bijstandsuitkering en de AOW volgend jaar met 10 procent. Ook maakt het nogal uit of je in een goed geïsoleerd huis woont. Dan heb je eerder een lage energierekening en is het energieplafond niet eens nodig. Je profiteert dan van de loonstijging en de beperkte inflatie. Woon je echter in een slecht geïsoleerd huis en komt je energieverbruik boven het prijsplafond uit, dan ga je erop achteruit.”


Er zijn wel mogelijkheden de gevolgen van de hoge energieprijs voor de portemonnee te temperen. Kalshoven: “Wanneer de tarieven laag zijn, letten we niet zo op ons energieverbruik, maar nu zetten toch veel mensen hun verwarming lager, douchen korter of pakken minder vaak de auto.”


Net zoals het nogal uitmaakt of je in een goed geïsoleerd huis woont of niet, zijn er ook andere factoren die grote gevolgen kunnen hebben voor iemands portemonnee. “Statische koopkracht is de illusie dat er niets verandert aan jouw situatie, maar dat geldt natuurlijk lang niet voor iedereen. Vooral grote gebeurtenissen kunnen erin hakken: denk aan een echtscheiding, je baan kwijtraken of het krijgen van een kind. En de hypotheek vernieuwen is een stuk duurder geworden”, aldus Kalshoven. “Er zijn natuurlijk ook positieve voorbeelden: je portemonnee kan profiteren als je een (nieuwe) baan vindt en je bespaart woonlasten als je gaat samenwonen. Dit zijn veel grotere effecten dan je ziet in de koopkrachtplaatjes.”


Lichte plus

Ondanks dat we een recessie ingaan, is Kalshoven optimistisch gestemd over 2023. “De werkloosheid zal iets oplopen, maar vanwege de krapte op de arbeidsmarkt zal dat beperkt zijn. Veel werknemers kunnen daarom een loonstijging tegemoet zien van ruim 4 procent, en de minima zelfs van 10 procent. De inflatie zal waarschijnlijk flink lager uitkomen, op 2 tot 3 procent. Dan zijn er nog de overheidsmaatregelen, die de koopkracht van de gemiddelde Nederlander helpen, al zullen er grote verschillen bestaan.”

Volgende publicatie:
“Een steunpakket van 200 miljard euro is echt veel geld”

“Een steunpakket van 200 miljard euro is echt veel geld”

Gepubliceerd op: 17 november 2022

Nu de inflatie torenhoog is, heeft de Nederlandse overheid tientallen miljarden uitgetrokken voor koopkrachtreparatie – via onder andere het energieprijsplafond, de btw-verlaging op energie en een energietoeslag voor minimuminkomens. Ook in de ons omringende landen werden vergaande en kostbare maatregelen genomen om de koopkracht te stutten. Welke instrumenten hebben andere landen daarvoor eigenlijk gekozen en wat zijn de voor- en nadelen daarvan? In drie artikelen laten we macro-econoom Charles Kalshoven (APG) elke keer zijn licht over één Europese lidstaat schijnen. Aflevering 1: Duitsland. 


Om de lasten in 2022 en 2023 te verlichten, heeft de Duitse overheid in totaal bijna 200 miljard uitgetrokken. Ook daar is dus flink in de buidel getast, ook al is de Duitse inflatie met 10,4 procent (oktober) een stuk lager dan de Nederlandse (16,8 procent volgens de Europese definitie). Voor een deel wordt dat geld besteed aan verschillende eenmalige uitkeringen van beperkte hoogte, die vooral gericht zijn op de lagere inkomensgroepen: ontvangers van werkloosheids- of sociale uitkeringen, of huurtoeslag. Een ander deel gaat naar belastingmaatregelen.


Maximale gasprijs

Maatregelen die in het oog springen, zijn de verlaging van de energiebelasting op brandstoffen van 1 juni tot en met 31 augustus 2022 (29,55 cent per liter bij benzine en 14,04 cent/liter bij diesel) en de tijdelijke (tot eind maart 2024) btw-verlaging op gas van 19 naar 7 procent. Maar ook de invoering van een OV-maandkaart van 49 euro waarmee je onbeperkt de (regionale) trein, bus en metro kunt nemen, valt op. Last but not least: de Duitsers voeren een maximale gasprijs voor huishoudens én bedrijven in.


Gerichte maatregelen, die je snel kunt nemen en een beperkte nevenschade voor schatkist of andere beleidsdoelen hebben. Dat is in een notendop waarnaar een overheid volgens Kalshoven moet streven.


“De effectiviteit staat voorop. Treft een maatregel doel? Tussen die doelen kan ook een afruil zitten, wat inhoudt dat hoe dichter je bij doel A wil komen, hoe meer je inlevert op doel B en vice versa. Een ander criterium is efficiëntie. Welke kosten moet je maken om het doel te bereiken? Dat kunnen directe kosten zijn als gevolg van een oplopende staatsschuld, of indirecte kosten in de vorm van hogere belastingen in de toekomst. En zijn er betere alternatieve maatregelen te bedenken? Een derde criterium is snelheid/uitvoerbaarheid. En tot slot kun je nog kijken naar de vraag of een maatregel concurrentieverstorend werkt, of niet.”


Concurrentieverstorend

Wat betreft de maximale gasprijs die Duitsland heeft ingevoerd voor burgers en bedrijven, is Kalshoven in meerdere opzichten kritisch.


“Als je de energietransitie wil versnellen, is beperken van de prijs geen goed idee. Het lokt niet de gedragsreactie uit die je wil, omdat er dan geen prijsprikkel meer is om het gasverbruik te reduceren. Wat ik in Nederland goed vind, is dat het prijsplafond alleen voor een gemiddeld gebruik geldt. Maar als je zo’n prijsplafond niet aan een quotum verbindt, kan het de schatkist heel veel geld gaan kosten. Wat betreft armoedepreventie heb je dan weliswaar je doel bereikt, maar wat betreft het versnellen van de energietransitie en energiebesparing niet. En dat is zonde van het geld. Bovendien werkt een maximale gasprijs zoals in Duitsland concurrentieverstorend op de interne Europese markt. In tegenstelling tot in Nederland geldt dat maximum immers ook voor bedrijven en op die manier krijgen Duitse bedrijven een oneigenlijk voordeel ten opzichte van hun Europese concurrenten.”


Autogebruik goedkoper

Over het stimuleren van het openbaar vervoer in Duitsland – de maandkaart van 49 euro – is Kalshoven positief, maar het vormt volgens hem geen gelukkige combinatie met de accijnsverlaging die de Duitsers voor verschillende brandstoffen doorvoerden.


“Je hebt mensen een alternatief geboden door het OV goedkoper te maken, maar dan moet je niet ook het autogebruik goedkoper maken. De Duitsers hebben ook een kilometervergoeding van 38 cent. Dat is echt fors. Wat ik goed vind aan het Duitse OV-beleid op zichzelf, is dat het bijdraagt aan het voorkomen van armoede en tegelijkertijd goed is voor de energietransitie. Je zorgt er namelijk voor dat bestaande infrastructuur beter benut wordt. Op die manier kunnen de kilometers op de weg afnemen en de kilometers die je met het OV maakt, maakte je toch al. Het kan weliswaar extra reizen uitlokken, maar per saldo bespaar je met zo’n OV-beleid wel energie en natuurlijk CO2-uitstoot.”


Gericht pijn verzachten

Als het kan, wil je de pijn gericht verzachten. Een tandarts brengt de patiënten ook niet onder narcose voor het boren, maar geeft hooguit een plaatselijke verdoving. Om die reden is Kalshoven positief over de subsidies en uitkeringen die in Duitsland zijn ingevoerd om de pijn van de inflatie te verzachten.


“Omdat de Duitse subsidies zijn gericht op de lage inkomens, komen ze terecht bij mensen die het nodig hebben. Die gerichtheid is wenselijk, in tegenstelling tot de paardenmiddelen die de Duitse overheid elders heeft gekozen, zoals de accijnsverlaging en maximumtarieven.”  


Omdat die paardenmiddelen de schatkist veel geld kosten, ontstaat er vanuit macro-economisch perspectief een minder wenselijke situatie. Want met een steunpakket van 200 miljard euro dreigt Duitsland in te werken tegen het monetaire beleid van de Europese centrale bank (ECB).


Tegen elkaar in

Kalshoven: “Het Duitse bruto binnenlands product is grofweg 4000 miljard euro. Een steunpakket van 200 miljard euro komt neer op 5 procent van het BBP en dat is echt veel geld. Op zo’n moment gaan twee beleidsterreinen – fiscaal beleid en monetair beleid – heel erg tegen elkaar inwerken. De ECB wil immers de economie afremmen om de inflatie te beteugelen. Maar als overheden alle prijsverhogingen compenseren, jagen ze eigenlijk de economie een beetje aan. Die hogere prijzen zijn echter een nationaal verlies, ook in Duitsland. Het is een illusie om te denken dat je die hogere prijzen volledig en voor iedereen kunt compenseren.”


Wanneer je de steunmaatregelen in Nederland en Duitsland met elkaar vergelijkt, gaat het in beide landen om forse steunpakketten, zegt Kalshoven.


“In beide landen staan de overheidsfinanciën er goed voor, waardoor dit soort pakketten mogelijk zijn. Duitsland pakt daarbij nog steviger uit dan Nederland. Bij ons gaat het om een pakket van zo’n 25 miljard euro, dat kan oplopen tot 40 miljard euro, ofwel 4 procent van het inkomen. In Duitsland kan het zelfs 200 miljard worden, ofwel 5 procent van de economie.”


Prettig probleem

En hoewel Duitsland net als Nederland worstelt met het nemen van gerichte maatregelen, constateert Kalshoven dat het de Duitsers beter lukt om gericht lagere inkomens te ondersteunen met eenmalige uitkeringen en specifieke subsidies. Dat geldt echter weer niet voor de maximale gasprijs in Duitsland.


“Die is juist niet gericht, want hij geldt voor iedereen – burgers en bedrijven. In Nederland is echter de tegemoetkoming voor energie van 190 euro in november en december ongericht en zijn de prijsplafonds beperkt. Het blijkt in de praktijk erg moeilijk om te voldoen aan het ideaal van maatregelen die zowel tijdig, doeltreffend als doelmatig zijn.”


Maar uiteindelijk is die worsteling “een relatief prettig probleem om te hebben”, zegt Kalshoven. “Een totaal gebrek aan ruimte voor compensatiemaatregelen zou huishoudens dwingen tot zeer pijnlijke aanpassingen op korte termijn.”

Volgende publicatie:
Heeft een voltijdsbonus het gewenste effect?

Heeft een voltijdsbonus het gewenste effect?

Gepubliceerd op: 10 november 2022

Actuele kwesties op het gebied van economie, (verantwoord) beleggen, pensioen en inkomen: iedere week geeft een expert van APG een helder antwoord op de vraag van de week. Deze keer: hoofdeconoom Thijs Knaap over de vraag of de voltijdsbonus ertoe leidt dat meer mensen voltijds gaan werken. “Een proef moet je altijd aanmoedigen.”

Vorig jaar waren in Nederland 9,3 miljoen mensen tussen de 15 en 75 jaar aan het werk, blijkt uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Van die totale beroepsbevolking werkte 48 procent in deeltijd, een percentage dat de afgelopen jaren nauwelijks is veranderd. Onder deeltijd wordt een werkweek van minder dan 35 uur verstaan. Het percentage deeltijdwerkers onder vrouwen is met 70 procent fors hoger dan onder mannen, waarvan 28 procent in deeltijd werkt. In de zorg, het onderwijs en dienstverlenende beroepen is het aantal deeltijdwerkers het hoogst. Vanwege de hoge tekorten in het onderwijs begint het kabinet met een proef door op tien scholen een voltijdsbonus te introduceren. Die houdt in dat leraren die meer willen werken een bonus krijgen. Maar heeft zo’n financiële prikkel wel zin?


Wig

Bij deze vraag speelt het progressieve belastingstelsel van Nederland een belangrijke rol, legt Knaap uit. “Hoe meer je verdient, hoe meer belasting je betaalt en hoe minder toeslagen je krijgt. Dat is op zich prima, maar betekent wel dat de laatste dag van de werkweek, of je nu drie, vier of vijf dagen werkt, het meest is belast. Op die dag verdien je dus relatief het minst.” De economische term hiervoor is de wig, die het verschil aangeeft tussen de loonkosten van de werkgever en het nettoloon van de werknemer. “Die wig kan bij sommige mensen oplopen tot wel 70 procent, wat dus wil zeggen dat je van elke euro die je verdient, maar 30 cent krijgt uitbetaald. Dat komt omdat je loonbelasting betaalt en mogelijk ook nog toeslagen verliest.”


De vraag is of de voltijdsbonus nu de juiste oplossing is om het huidige arbeidstekort op te lossen. “Hierover worden debatten gevoerd in de Tweede Kamer en de grootste onduidelijkheid is de omvang van de wig.” Die is voor iedereen anders en hangt van verschillende factoren af, legt Knaap uit. Bijvoorbeeld van je burgerlijke staat, of je een gezin hebt en in welke gemeente je woont. “Heel veel mensen weten zelf ook niet wat hun wig is, sommigen gaan naar een belastingconsulent om te vragen wat een extra dag werken hen oplevert. Ik vind het idee dat iemand op basis van zo’n voltijdsbonus besluit meer te gaan werken, terwijl de meeste mensen niet precies weten wat het in totaal oplevert, daarom moeilijk voor te stellen.”

Er zijn genoeg mensen die niet de mogelijkheid hebben voltijds te werken

Homo economicus
Dat idee komt voort uit het wereldbeeld dat de mens een rationele homo economicus is die precies van elke handeling uitrekent wat de kosten en baten zijn. Maar er spelen behalve het financiële plaatje vaak ook andere aspecten mee, benadrukt Knaap. “Er zijn genoeg mensen die niet de mogelijkheid hebben voltijds te werken, ook niet als ze dat zouden willen. Bijvoorbeeld omdat ze mantelzorg verlenen aan een naaste, ze geen kinderopvang kunnen vinden of een werkgever hen niet meer uren kan bieden. Hoe ga je dat dan oplossen met zo’n financiële maatregel? Het kan, maar ik zie het niet als een heel effectief instrument.” Bovendien kleeft er een groot nadeel aan de voltijdsbonus, aldus de econoom. “Het maakt ons belastingsysteem, waar we toch al weinig zicht op hebben en waarbij je naar een consulent moet om te weten wat je wig is, nóg ingewikkelder.”


Evengoed blijft het een feit dat er een nijpend tekort is aan arbeidskrachten. “Als macro-econoom denk ik heel simpel: als we met z’n allen zitten te schreeuwen om arbeidskrachten, moeten de lonen omhoog. Dat gaat vanzelf, want als er een tekort is op de arbeidsmarkt lopen de lonen vanzelf op.” In het derde kwartaal van dit jaar stegen de cao-lonen met 3,5 procent, aldus het CBS. Knaap: “En de lonen kunnen nog wel verder worden verhoogd. We hebben jaren gehad waarin de lonen helemaal niet zo hard stegen. Het loonaandeel is de afgelopen decennia zeker niet groter geworden, dus zo heel gek is een stijging van de salarissen niet. En het heeft als voordeel dat het belastingsysteem niet nog ingewikkelder en breekbaarder wordt, wat wel een risico vormt bij de voltijdsbonus.”


Proef

Ondanks zijn indruk dat een maatregel als de voltijdsbonus weinig effect heeft en de boel nog ingewikkelder maakt, juicht Knaap de proef toe. “Als die nu enorm succesvol blijkt, kan ik mijn mening bijstellen. Maar als zo’n proef met veel fanfare op jouw school getest wordt, is de kans dat je ervan gehoord hebt groter dan wanneer het de zoveelste maatregel op je inkomstenbelasting vormt. Het is dus moeilijk om een conclusie te trekken op basis van één proef. Toch is het goed dat ze het eerst proberen, want te veel van dit soort maatregelen worden gewoon ingevoerd. Proeven zoals deze moet je daarom altijd aanmoedigen.”

 

Volgende publicatie:
Thijs Knaap bij BNR over de renteontwikkeling en dalende bedrijfswinsten

Thijs Knaap bij BNR over de renteontwikkeling en dalende bedrijfswinsten

Gepubliceerd op: 25 oktober 2022

Heeft de renteontwikkeling haar piek bereikt? Dat is een voorspelling die APG’s hoofdeconoom Thijs Knaap niet voor zijn rekening wil nemen. Zolang de inflatie hoog is, zul je ook een hoge rente zien. Wat betreft macro-economische groei zit het echter tegen en als de groei daalt, daalt de rente vaak mee. Die twee factoren werken dus tegen elkaar in. Welke sterker is, valt volgens Knaap te bezien.


Daarnaast werd tijdens het beleggerspanel van BNR Nieuwsradio onder andere gesproken over het besluit van het flitshandel-bedrijf Flow Traders om zich juridisch in Bermuda te vestigen en de reorganisatie van Philips, dat 4.000 banen schrapt waarvan 400 gedwongen ontslagen in Nederland. Het bedrijf staat onder druk door een kostbare terugroepactie voor haar slaapapneu-apparaten, maar geeft óók aan last te hebben van macro-economische ontwikkelingen.


Kanarie

Knaap: “We weten dat macro-economische problemen op een gegeven moment gaan doorwerken in de winsten van bedrijven. De vraag is dus: Is Philips de spreekwoordelijke kanarie in de kolenmijn? Als je breder kijkt naar de derde kwartaalresultaten van bedrijven, zie je dat de omzetten weliswaar nog stijgen – als gevolg van de stijgende prijzen – maar de winsten zijn aan het dalen. Dat is vooral in Europa zo en de daling is sterker dan verwacht.”


Zoals gebruikelijk werden de panelleden ook weer gevraagd naar een recente beleggingstransactie. Knaap: “We hebben onlangs namens ABP een belang van 49 procent genomen in Gemini, een zonne-energieproject dat momenteel in ontwikkeling is in de buurt van Las Vegas. Het project levert op piekmomenten energie voor meer dan 400.000 huishoudens.”


Luister hier de hele uitzending.

Volgende publicatie:
Is een lagere pensioeninleg de oplossing voor het koopkrachtverlies?

Is een lagere pensioeninleg de oplossing voor het koopkrachtverlies?

Gepubliceerd op: 25 oktober 2022

Actuele kwesties op het gebied van economie, (verantwoord) beleggen, pensioen en inkomen: iedere week geeft een expert van APG een helder antwoord op de vraag van de week. Deze keer: Alwin Oerlemans (Hoofd product management bij APG Asset Management), over de vraag of het een goed idee is om werknemers tijdelijk de mogelijkheid te geven om minder pensioenpremie in te leggen. Zodat ze in deze tijd waarin alles duurder is geworden, met dat geld hun rekeningen kunnen betalen.


Veel Nederlanders voelen de torenhoge inflatie als gevolg van met name de gestegen energieprijzen, flink in de beurs. Inmiddels heeft de overheid weliswaar miljarden uitgetrokken om de effecten daarvan voor burgers te verzachten, maar het is niet mogelijk om de achteruitgang in koopkracht helemaal te compenseren. Dit is vooral voor huishoudens met een laag of modaal inkomen en een minder duurzaam huis een enorm probleem. Vakbonden zien de lonen dan ook graag zodanig sterk stijgen dat er wel sprake is van volledige compensatie. Omdat daarmee het risico ontstaat dat Nederland – zoals in de jaren ’70 – in een loon-prijsspiraal belandt, wordt er hier en daar voor gepleit om werknemers tijdelijk de mogelijkheid te geven minder pensioenpremie in te leggen – zodat ze met dat geld nu hun rekeningen kunnen betalen. Is dat een goed idee?


Kortzichtig

Nee, zegt Oerlemans. Ten eerste omdat je mensen daarmee in de toekomst in de financiële problemen kunt brengen.


“Vanuit de gedragseconomie weten we dat mensen geld nu hoger waarderen dan geld later. Als je werknemers de mogelijkheid geeft om tijdelijk minder pensioenpremie in te leggen, gaat dat ten koste van hun pensioenopbouw. Om te zien dat dat een kortzichtig idee is, hoef je bijvoorbeeld maar naar Chili te kijken. Toen de economie daar tijdens de coronacrisis stilviel, kregen Chilenen de mogelijkheid vroegtijdig pensioengeld op te nemen. Daardoor zijn de pensioenpotten in Chili ernstig geslonken. In plaats daarvan had de overheid beter de zwakkeren kunnen helpen. Want het waren vooral de kleine pensioenpotten die door eenmalige opnames werden opgemaakt. Niet voor niets wordt in de onlangs uitgekomen Mercer CFA Institute Global Pension Index 2022 gewaarschuwd voor het vroegtijdig opnemen van pensioengeld.”


Sigaar uit eigen doos

De mogelijkheid om tijdelijk minder premie in te leggen is nu volgens Oerlemans óók geen goed idee omdat het voor werknemers een sigaar uit eigen doos is. En daar is het nu niet het moment voor.


“Omdat minder premie-inleg resulteert in een lagere pensioenopbouw – en dus minder pensioen – betalen werknemers die koopkrachtcompensatie in dat geval dus zelf. Alleen doen ze dat niet nu maar in de toekomst. Maar mensen zouden nu een hoger loon moeten krijgen, geen sigaar uit eigen doos. Want de winsten van bedrijven zijn de afgelopen jaren wel gestegen, terwijl dat voor de lonen van werknemers veel minder gold. Vakbonden maken zich dus terecht sterk voor hogere lonen. Hiermee krijgen werknemers een fair deel van de toegevoegde waarde. De verhouding loon-winst kan zo verschuiven.”


Nederland exportland

Die hogere lonen zijn geen overbodige luxe, want van de hoge inflatie zijn we voorlopig nog niet af, verwacht Oerlemans.


“Ook vóór de oorlog in Oekraïne was de inflatie al aan het oplopen, als gevolg van verstoringen in productieketens door corona. De invasie door Rusland leidde vervolgens tot een scherpe stijging van grondstoffenprijzen en energieprijzen in het bijzonder. De inflatie zal voorlopig dus aanhouden, zeker bij een voortgaande oorlog.”


Oerlemans wil er niet aan dat een exportland als Nederland zichzelf met hogere lonen uit de markt prijst.


Australië
“Die vrees lijkt me overdreven. Door de krapte op de arbeidsmarkt is er rúimte voor hogere lonen. Die zijn ook goed voor het arbeidsaanbod, omdat werken dan meer loont. In Australië groeide de pensioenopbouw juist bij een dreigende loon-prijs spiraal. Daar is het  pensioenstelsel begonnen in de jaren ’90, toen er sprake was van een oververhitte economie en inflatie. Werkgevers gingen toen een deel van het extra loon storten in het nieuwe verplichte pensioenstelsel.”


Al met al is het dus geen goed idee om werknemers tijdelijk de mogelijkheid te geven om minder pensioen in te leggen, zelfs als dat bijvoorbeeld maximaal 50% van de premie is?


“Nee. Er is niks mis met een beetje flexibiliteit in de premie als onderdeel van het arbeidsvoorwaardenpakket, maar niet in die ruime mate. Als je werknemers de mogelijkheid geeft om zo’n aanzienlijk deel van hun pensioeninleg te schrappen, al is het maar tijdelijk, dan is dat nog steeds een sigaar uit eigen doos.”

Volgende publicatie:
Hoe effectief is het energieplan van de Europese Commissie?

Hoe effectief is het energieplan van de Europese Commissie?

Gepubliceerd op: 21 september 2022

Actuele kwesties op het gebied van economie, (verantwoord) beleggen, pensioen en inkomen: iedere week geeft een expert van APG een helder antwoord op de vraag van de week. Deze keer: aandelenbelegger Martijn Olthof, over het crisisplan van de Europese Commissie om de uitdagingen van de geëxplodeerde gas- en elektriciteitsprijzen het hoofd te bieden. “Hoe dan ook doen de ontwikkelingen op de energiemarkten pijn in de beurs en die neem je niet weg. Het enige wat je kunt doen, is de pijn verdelen.”


Nu de gevolgen van de fors gestegen prijzen voor gas en stroom voor steeds meer burgers en bedrijven pijnlijk merkbaar worden, heeft de Europese Commissie (EC) op 14 september 2022 een plan gelanceerd. De drie belangrijkste maatregelen in dit energie noodplan: een prijsplafond voor elektriciteitsproducenten met een vaste kostprijs, een extra belasting op de winst van olie- en gasbedrijven en een verplichting voor EU-lidstaten om minder energie te verbruiken. 


Het voorstel bevat marktingrepen die in Europa tot voor kort niet voor mogelijk werden gehouden. De vraag rijst dan ook: hoe effectief zijn de beoogde maatregelen eigenlijk? Olthof gaat ze één voor één af.


Prijsplafond op stroom

“Voor stroom uit kerncentrales, waterkrachtcentrales, zonneparken, windparken en bruinkolencentrales, wil de Europese Commissie een maximumopbrengst hanteren van 180 euro per megawattuur. Zo’n prijsplafond is op zich een logische stap, want de opwekking van deze stroom is in principe nauwelijks duurder geworden – in tegenstelling tot elektriciteit uit gascentrales of steenkolencentrales. Ondertussen is de stroomprijs tien keer door het dak gegaan, waardoor producenten met vaste kosten excessieve winsten maken. Het is begrijpelijk dat de EC een mechanisme in het leven roept om deze af te romen en dat geld te gebruiken voor gebruikers die dit het hardst nodig hebben. Het prijsplafond dat de Nederlandse regering en energiebedrijven overeen zijn gekomen voor stroom en gas, staat overigens los van het EC-plan.”


Lidstaten mogen ook een prijsplafond lager dan 180 euro instellen. Dat zou meer lucht geven aan afnemers die voor hun productieproces veel stroom nodig hebben, zoals aluminiumproducenten.


“Voor een producent van elektriciteit die niet via gas of steenkolen is opgewerkt, is 180 euro nog steeds een buitengewoon goede prijs. Maar voor afnemers die voor hun productieproces veel stroom gebruiken, zoals aluminiumproducenten, is dat tarief funest voor de concurrentiepositie. Een lager prijsplafond heeft dus de voorkeur, maar ook weer niet zo laag dat het producenten van hernieuwbare energie ontmoedigt om nieuwe investeringen te doen in bijvoorbeeld windmolens en zonneparken. Dat is ook de reden waarom de EC niet te laag heeft willen inzetten.”


Olie- en gasbedrijven extra belast

Niet alleen stroomproducenten met vaste kosten zijn spekkoper in de huidige elektriciteitsmarkt. Dat geldt ook voor olie- en gasbedrijven. De tweede maatregel in het EC-plan is dan ook om deze bedrijven een derde van hun winst te laten afdragen als ‘solidariteitscontributie’ en met de opbrengst daarvan burgers en andere bedrijven te ontlasten. Maar ook hier is de dosering volgens Olthof belangrijk.


“Bij olie- en gasbedrijven klotst het geld nu tegen de plinten. Het gas dat ze elders ter wereld winnen en naar Europa brengen, is hier in één keer vijf keer zoveel waard. Daardoor wordt vrij makkelijk gezegd dat ze die extra belasting wel kunnen missen. Tot op bepaalde hoogte ís het ook logisch dat hun winsten worden afgeroomd. Maar om het weggevallen aanbod van Russisch gas op te vangen, zullen we naast uitbreiding van wind- en zonne-energie óók op zoek moeten naar alternatieve gasvoorraden. Als Europa de winsten van olie- en gasbedrijven te veel afroomt, is het niet meer aantrekkelijk voor ze om in die zoektocht te investeren. Voor het aanboren van nieuwe gasvelden zullen bedrijven als Shell of BP in dat geval eerder kiezen voor de VS dan voor de Noordzee. Daardoor komt er minder gas naar Europa en dat gas hebben we wel nodig.”


In het verlengde van het plan dat medio september is bekendgemaakt, bekijkt de EC of ze nog verder kan ingrijpen op de gasmarkt. Het is echter nog een vraagteken hoe dat gaat verlopen, zegt Olthof.  


“Op de internationale markt wordt de gasprijs bepaald door LNG. Dat is vloeibaar gas, dat wereldwijd verhandeld kan worden en per schip overal naartoe kan worden gestuurd. In principe gaan die schepen naar de plek toe waar de prijs het hoogst is. In de afgelopen jaren bewoog de prijs voor LNG heel mooi mee met de gasprijs in Europa. Toen de prijs in Europa heel laag stond door een overcapaciteit aan gas in de wereld, stond ook de LNG-prijs op dat lage niveau. Nu is er schaarste op de wereldmarkt voor gas. De Europese gasprijs is torenhoog en de prijs op de internationale markt voor LNG dus ook. Beschikbare LNG gaat nu naar Europa, want ook nu is dat de hoogste bieder. Voorstanders van een prijsplafond voor gas in Europa gaan ervan uit dat een kunstmatige prijsverlaging in Europa ook wel weer zal leiden tot eenzelfde beweging van de internationale LNG-prijs – waartegen Europa dan nog steeds dat vloeibare gas kan afnemen.”


Maar het is de vraag of dat zo is, zegt Olthof. “Als andere afnemers van LNG, zoals Japan of Korea, bereid zijn om meer te betalen dan de maximumprijs in Europa, dan krijgt Europa dit gas niet. Er komt dan nog wel LNG naar Europa op basis van langetermijncontracten, maar het gedeelte dat nog niet verkocht is gaat dan naar Azië. Zuid-Europa is voorstander van een Europese maximumprijs voor gas maar Noord-Europa niet, dus daar wordt nog flink over gesteggeld en gesoebat.”


Minder elektriciteit verbruiken
De derde maatregel in het energie noodplan van de EC zet in op reductie van de vraag naar elektriciteit. Aan lidstaten wordt gevraagd om het verbruik met 5 procent verminderen op momenten dat de vraag naar elektriciteit piekt en om het totale verbruik op de lange termijn met 10 procent te reduceren.


Olthof: “Hoe ze die 5 procent reductie bereiken, mogen lidstaten zelf bepalen. Ze krijgen in ieder geval de mogelijkheid om financiële compensatie te bieden aan energie-intensieve bedrijven om de productie stil te leggen op piekmomenten. Maar voor het behalen van de doelstelling van 10 procent zijn nog niet heel veel instrumenten, regels of details bekendgemaakt.”


De effectiviteit van het energie noodplan hangt dus vooral af van de dosering waarvoor de lidstaten kiezen bij het benutten van de instrumenten die hun daarvoor in handen zijn gelegd?  


Olthof: “Ja. De EC heeft op zich goede maatregelen voorgesteld om deze crisis het hoofd te bieden, maar vanuit het perspectief van energie-intensieve bedrijven is het nog niet voldoende. Deze bedrijven moeten afwachten of individuele lidstaten meer gaan doen, en hoe deze de afgeroomde winsten gaan verdelen. Hoe dan ook doen de ontwikkelingen op de energiemarkten pijn in de beurs en die neem je niet weg. Het enige wat je kunt doen, is de pijn verdelen – zo goed en zo kwaad als het gaat.

Volgende publicatie:
Wat veroorzaakt het grote tekort aan arbeidskrachten?

Wat veroorzaakt het grote tekort aan arbeidskrachten?

Gepubliceerd op: 8 september 2022

Actuele kwesties op het gebied van economie, (verantwoord) beleggen, pensioen en inkomen: iedere week geeft een expert van APG een helder antwoord op de vraag van de week. Deze keer: macro-econoom en senior strateeg Charles Kalshoven over de oorzaken van het grote tekort aan arbeidskrachten.


Iedereen die weleens een café passeert, kan het haast niet ontgaan: vele horecagelegenheden proberen met een A4-tje achter het raam personeel te vinden. Maar niet alleen de horeca kampt met een gebrek aan personeel. Het tekort aan arbeidskrachten spreidt zich uit over meerdere sectoren. Wat zijn daar de oorzaken van? En zijn er ook oplossingen voor?

 

Corona en vergrijzing
Volgens Kalshoven zijn er twee hoofdoorzaken te noemen. “Het meest in het oog springend is corona. Tijdens de coronacrisis zijn veel bedrijven die normaliter failliet zouden zijn gegaan, overeind gehouden met overheidssteun. Het aantal faillissementen is daardoor veel lager dan normaal. Werknemers werken daarom nog steeds bij die bedrijven, terwijl ze anders beschikbaar zouden zijn voor andere banen.” Corona had niet alleen gevolgen voor de vraag naar personeel, maar zorgde ook voor een verschuiving op de arbeidsmarkt. “In de horeca en op Schiphol was tijdelijk minder of geen werk. De mensen daar zijn daarop wat anders gaan doen. Een deel daarvan vond het nieuwe werk leuker of kreeg beter betaald, dus besloot daar te blijven.”

 

De andere hoofdoorzaak is vergrijzing. “Aan de ene kant stijgt door de vergrijzing de behoefte aan personeel in de zorg. Als de komende jaren niets verandert, zal rond 2040 1 op de 4 werkenden in de zorg nodig zijn. Je zou verwachten dat door de vergrijzing het aanbod van arbeid ook daalt, maar dat lijkt vooralsnog mee te vallen. Niet alleen kruipt het aantal 20- tot 70- jarigen nog altijd een beetje omhoog, ook het aandeel ‘actieven’ loopt op. De arbeidsparticipatie is nog nooit zo hoog geweest sinds het begin van de metingen in 1969.”

 

Kalshoven wijst erop dat dit mede komt door de verhoogde pensioenleeftijd, waardoor er nu meer 65-plussers werken dan voorheen. “Ik denk  dat het veranderende leeftijdsprofiel van de samenleving, met meer ouderen en minder jongeren – de laatste tien jaar groeide de groep 50-plussers flink, maar is de groep veertigers met 17 procent gedaald – een rol speelt bij de tekorten in sectoren die een bepaalde fitheid vergen. Te denken valt dan aan de bouw, de politie, spoedeisende hulp en bagage-afhandelaren op Schiphol. En mensen die op latere leeftijd een beroep niet meer kunnen of willen uitoefenen, zullen niet altijd over de vaardigheden beschikken om elders aan de slag te gaan. Een afzwaaiende agent is bijvoorbeeld niet per se ook een goede programmeur.”

Door het huidige tekort aan woningen kun je arbeidsmigranten nu niet huisvesten

Oplossingen
Hoewel de oorzaken duidelijk zijn aan te wijzen, is nog niet zo makkelijk het tekort aan arbeidskrachten op te lossen. “Vroeger was dat misschien iets makkelijker door gebruik te maken van arbeidsmigratie. Dan werden de tekorten hier opgevuld door Filipijnse verpleegkundigen of Poolse bouwvakkers. Maar door het huidige tekort aan woningen kun je die migranten nu niet huisvesten. Net zoals ziekteverzuim het personeelstekort versterkt, draagt het tekort op de huizenmarkt bij aan het tekort op de arbeidsmarkt.” Een andere oplossing kan zijn dat de overheid of een sector probeert jongeren te interesseren voor een specifieke opleiding, bijvoorbeeld in de techniek. “Maar ook dat is niet altijd makkelijk. Want het begeleiden van stagiairs vergt een tijdsinvestering. En als de werkdruk toch al hoog is, wie laat de stagairs dan ervaring opdoen op de werkvloer?”

 

Wat tevens kan helpen is om mensen die nu in deeltijd werken, proberen over te halen meer te gaan werken. “Ook daar komen vaak praktische bezwaren om de hoek kijken, zoals dure of niet beschikbare kinderopvang. Via hogere lonen kun je als bedrijf wel proberen nieuwe mensen aan te trekken. Het kan zijn dat je daarmee nieuwe toetreders tot de arbeidsmarkt trekt, maar vaak zie je dan dat mensen van een andere sector of bedrijf naar de beter betaalde baan overstappen. Dat leidt vooral tot een andere verdeling van de arbeid tussen bedrijven of sectoren. Op zich is dat trouwens positief voor de economie: werknemers komen op een plek terecht waar ze kennelijk productiever zijn.” Als er een groot tekort is aan arbeidskrachten, zoals nu, wordt door werkgevers vaak minder vastgehouden aan de functie-eisen van vacatures, stelt Kalshoven. “Je ziet nu wel vacatures waarbij staat aangegeven dat je je opleiding nog niet hoeft te hebben afgerond. Daar is ook een woord voor: groenpluk. Je plukt als werkgever als het ware de vruchten die nog niet rijp zijn. Het risico bestaat wel dat jongeren na het krijgen van die baan hun opleiding niet meer afmaken, waar ze later in hun loopbaan nadeel van kunnen ondervinden.”  

 

Automatisering
En dan is er nog automatisering en robotisering als oplossing. “Je ziet al dat bestellen in de horeca tegenwoordig een stuk sneller gaat dan vroeger. Nu geeft de serveerster je bestelling via een smartphone door aan de bar, waar iemand meteen kan beginnen met tappen. Dat scheelt fouten en tijd.” En je kunt mensen meer zelf laten doen. “Vroeger ging je naar de bank waar iemand de guldens voor je uittelde. Later moest je met je pinpas naar een automaat om daar geld op te nemen. Tegenwoordig betaal je met je telefoon bij de caissière. Sterker nog: er zit geen caissière meer, want je rekent je boodschappen tegenwoordig zelf af. Dit soort technologische oplossingen vormen ook een gedeeltelijke oplossing voor het personeelstekort.”

 

En een recessie, zal die de druk op de arbeidsmarkt wat verlichten? “De arbeidsmarkt reageert altijd met vertraging op de economie. De economie moet eerst een tijdje groeien voordat mensen worden aangenomen. Later volgt dan vaak een stijging van de lonen. Als de economie nu inzakt, vragen bedrijven zich af of het van korte of lange duur zal zijn. Evengoed zal de recessie de krapte verminderen doordat meer bedrijven failliet gaan en andere nog even wachten met uitbreiden. Ik denk wel dat de arbeidsmarkt door vergrijzing structureel wat krapper zal zijn. Er zijn een hoop beroepsgroepen waarbij de gemiddelde leeftijd vrij hoog is en er een uitstroom aanstaande is.”

Volgende publicatie:
Hebben lagere bestedingen door consumenten ook economische voordelen?

Hebben lagere bestedingen door consumenten ook economische voordelen?

Gepubliceerd op: 1 september 2022

Actuele kwesties op het gebied van economie, (verantwoord) beleggen, pensioen en inkomen: iedere week geeft een expert van APG een helder antwoord op de vraag van de week. Deze keer: macro-econoom en senior strateeg Charles Kalshoven over de positieve keerzijde van massale bezuinigingen door consumenten. “De huidige situatie, waarin de hoge inflatie dwingt tot lagere bestedingen, kent vooral schaduwkanten. Maar we kunnen niet ontkennen dat er toch ook echt lichtpuntjes zijn.”

 

Met name ­­– maar niet alleen – door de oorlog in Oekraïne is het prijspeil in een half jaar tijd enorm gestegen. Energieprijzen spannen daarbij de kroon en zetten Nederlanders aan tot drastisch snijden in hun uitgaven. De totale binnenlandse consumptie liet in juni nog een plus zien ten opzichte van het jaar daarvoor, maar de vraag is hoe lang die groei nog duurt. De inflatie is sindsdien immers alleen maar verder opgelopen en het lijkt slechts een kwestie van tijd voordat consumentenbestedingen zullen dalen. Het consumentenvertrouwen en de koopbereidheid zonken in augustus tot een recorddiepte.

 

Personeel weggelopen
Voor de één vormt het gestegen prijspeil een ongemak, voor de ander kan het de financiële nekslag zijn waardoor een gang naar de voedselbank onvermijdelijk wordt. Slecht nieuws dus, voor veel bedrijven en consumenten. Maar bieden consumentenbesparingen wellicht ook voordelen?  Volgens Kalshoven wel, ten eerste omdat ze oververhitting van de economie tegengaan, ten tweede omdat de oorzaak van die besparingen – vooral gestegen energieprijzen – de energietransitie in een hogere versnelling kan zetten. Bovendien kunnen hoge prijzen mensen laten kennismaken met opties die ze voorheen nooit serieus hadden overwogen, en leiden tot meer flexibiliteit om met toekomstige veranderingen om te gaan.

Kalshoven: “Macro-economisch gezien komen we aan deze inflatie omdat het aanbod van een aantal sleutelproducten en -diensten niet aansluit bij de vraag. De vraag is hersteld na corona, maar  vooral het aanbod schiet nu tekort. Dat komt bijvoorbeeld door de naweeën van lockdowns in China, maar ook omdat personeel in de horeca of op Schiphol is weggelopen. Maar het meest in het oog springt natuurlijk energie. Tekorten – of het risico daarop – hebben de prijzen doen exploderen. Als consumenten besparen op energie, dan helpt dat de prijzen drukken. Meer in het algemeen gaat snijden in de uitgaven oververhitting van de economie – en dus inflatie – tegen als er knelpunten zijn aan de aanbodkant.”

 

Exorbitante lonen
Zo kan minder frequent restaurantbezoek eraan bijdragen dat het tekort aan horecapersoneel
– dat tijdens de pandemie in groten getale de sector verliet en daarna niet meer terugkwam – minder nijpend wordt, zegt Kalshoven. En zo zijn er meer voorbeelden.

“Het risico dat er een situatie ontstaat waarin de vraag naar horecapersoneel het aanbod ver overtreft, wordt daardoor kleiner – en daarmee ook het risico op exorbitante loonstijgingen. Hetzelfde geldt voor de luchtvaartsector. Als mensen minder gaan vliegen, wordt het personeelstekort op Schiphol en andere luchthavens ook minder een probleem. Maar de grootste factor is natuurlijk energie. Als mensen korter douchen en de thermostaat lager zetten, daalt de vraag naar energie. Als degenen die de hogere energietarieven wel probleemloos ophoesten ook hun verbruik terugschroeven, helpen ze de gasvoorraden aan te vullen en de prijzen te drukken. Daarmee zijn ze solidair met de lagere inkomens, die zich deze hoge tarieven simpelweg niet kunnen veroorloven.”

 

Huisjesmelker
Een lager energieverbruik is uiteraard ook beter voor het klimaat. Hoge energieprijzen kunnen bovendien een katalysator zijn voor de transitie naar duurzame energie. Deels gaat dat echt om besparen, denk aan isoleren of korter douchen, voor een ander deel gaat het om vinden van alternatieven zoals zonnepanelen.  

Kalshoven: “Die peperdure energie versnelt bij veel mensen de ambitie om te verduurzamen, mits ze het zich kunnen veroorloven en het bijvoorbeeld in hun woning mogelijk is. Zo heeft niet iedereen de middelen om in een warmtepomp of zonnepanelen te investeren en voor mensen die een oude tochtige woning huren van een huisjesmelker, zijn die mogelijkheden er sowieso niet.”

Ook in een ander opzicht kan het hogere prijspeil en een versoberd bestedingspatroon bijdragen aan meer duurzaamheid.  

“Dat transport ook duurder is geworden kan gunstig uitpakken voor de verkoop van seizoens- en streekgebonden producten, zoals groente en fruit. Zo zal een Nederlandse consument nu wellicht vaker kiezen voor een in Nederland geteelde appel, in plaats van een appel uit Nieuw-Zeeland. En dat heeft weer een reducerend effect op de CO2-uitstoot.”

 

“Mother of invention”
Het gestegen prijspeil en lagere bestedingspatroon kunnen volgens Kalshoven ook een positief effect hebben op je mind set.

“Dat we nu gedwongen worden tot verandering, maakt ons in de toekomst flexibeler. En necessity is the mother of invention. Mensen die door de gestegen prijzen diep in de financiële problemen komen, gaan vaak eerder verkeurde keuzes maken. Maar bij anderen kan een noodzaak tot verandering ook creativiteit aansporen en aanzetten tot keuzes waarmee ze achteraf juist blij zijn. Grote prijsstijgingen kunnen iemand net dat zetje geven dat nodig is om een alternatief uit te proberen dat hij tot dusver nooit echt serieus had overwogen. Als je nooit op de fiets naar het werk bent gegaan, ga je dat nu misschien wel eens proberen. En als dat verassend goed bevalt, kan het zo maar zijn dat je niet terug wilt naar de oude situatie.”

 

Collectieve verarming
We moeten de hoge prijzen voor onder andere energie en voeding dus zien als een blessing in disguise? Zover wil Kalshoven ook weer niet gaan.

“Hoe je het ook wendt of keert: we hebben in Nederland te maken met een collectieve verarming. We waren een gas-exporterend land. Maar nu moeten we meer gas uit het buitenland halen en omdat gas duurder is geworden, leidt dat tot ruilvoetverlies. Op individueel niveau kunnen de effecten daarvan heel ingrijpend zijn. Het is duidelijk dat de huidige situatie, waarin de hoge inflatie dwingt tot lagere bestedingen, vooral schaduwkanten kent, maar we kunnen niet ontkennen dat er toch ook echt lichtpuntjes zijn.”

 

Volgende publicatie:
Hoe een stad profijt kan hebben van de organisatie van een groot sportevenement

Hoe een stad profijt kan hebben van de organisatie van een groot sportevenement

Gepubliceerd op: 25 augustus 2022

De eerste drie etappes van de Ronde van Spanje vonden dit jaar in Nederland plaats. Totale kosten: bijna 15 miljoen euro. Blijft het bij die kosten? En vormen de horeca-inkomsten de enige baten van de Vuelta voor de Nederlandse start- en finishplaatsen? De voordelen van het organiseren van een groot sportevenement zijn vaak breder dan de directe economische baten. Maar de begrote kosten vallen vaak ook hoger uit. Charles Kalshoven, macro-econoom en senior strateeg bij APG, legt uit hoe dat komt.

Vaak wordt door een organisatie van een groot sportevenement een verhaal verteld dat de economische baten florissant afschildert, weet Kalshoven. “Maar dat is niet altijd hard te maken. Als er al baten zijn dan komen die bijvoorbeeld terecht bij de horeca en niet bij de gemeente of overheid.” Dat een sportevenement niet altijd geld in het laatje brengt bij de organiserende stad hoeft volgens de econoom geen reden te zijn dan maar niets te organiseren. “Het kan ook gewoon leuk zijn, en leuke dingen mogen soms ook geld kosten.”

Barcelona
Kalshoven erkent dat dit in deze tijd een lastige boodschap is, “want veel mensen hebben nu moeite om hun energierekening te betalen, dus moet je dan 15 miljoen aan de Vuelta uitgeven?” Overigens wordt een derde van de uitgaven door private partijen opgebracht en kost het de landelijke en gemeentelijke overheden dus ‘maar’ 10 miljoen euro (ter vergelijking: de totale uitgaven van de gemeente Utrecht zijn dit jaar begroot op ruim 1,5 miljard). Toch zal Utrecht, mede door de hoge kosten van de energiecrisis, voorlopig geen groot sportevenement meer organiseren, kondigde burgemeester Dijksma in Trouw aan.

“Als je puur economisch kijkt, kunnen de organisaties van grote sportevenementen naderhand doorgaans geen zwarte cijfers schrijven”, aldus Kalshoven. Zo gaan de btw en accijnzen op het verkochte bier niet naar de gemeente, maar naar de centrale overheid. Maar de baten zijn volgens hem ook breder. “In Barcelona hebben ze voor de Olympische Spelen van 1992 bijvoorbeeld de hele wijk Barceloneta en het strand opgeknapt en Port Olímpic ontwikkeld als uitgaansgebied. De Spelen zijn daar dus gebruikt om de stadsontwikkeling op gang te brengen.” En er kunnen meer van dit soort indirecte baten zijn. “Als je zoals Utrecht alle drie de grote wielerrondes hebt ontvangen, dan speel je je misschien wel in de kijker bij organisatoren van congressen. En bedrijven die werkzaam zijn in de duurzame mobiliteitssector zien Utrecht mogelijk als geschikte vestigingsplaats. Ook kan het zorgen voor meer toerisme. De beelden vanuit de lucht van de Dom en de grachten zijn toch een soort ‘gratis’ reclame voor de stad. Zo kan een stad zijn best bewaarde geheimen aan de wereld tonen.”

Beleveniseconomie
Kosten die gemaakt worden om een sportevenement te organiseren, kunnen ook worden gezien als investering in gezondheids- of welzijnsbeleid. Zo is Utrecht recent uitgeroepen tot meest fietsvriendelijke stad ter wereld. “Als mensen vaker gaan fietsen in plaats van dat ze de auto of het openbaar vervoer pakken, ontstaan er minder files. Dat scheelt de samenleving kosten. En wellicht op de langere termijn ook zorgkosten, omdat een sportevenement mensen kan stimuleren meer aan sport te doen, waardoor ze langer gezond blijven”, zegt Kalshoven. “Je moet deze indirecte effecten niet overdrijven, maar als je wacht op wetenschappelijk bewijs voor de economische baten van een sportevenement, kun je nooit iets organiseren.”

Als je de organisatie van een toernooi erdoor wilt krijgen, dan moet je vooral het prijskaartje drukken

Kalshoven: “Het organiseren van een sportevenement past ook in de trend dat mensen liever geld besteden aan immateriële dan aan materiële zaken: het zogenaamde ‘ontspullen’. Als bezoekers 30 miljoen euro tijdens een sportevenement uitgeven, is de vraag: wat hadden ze anders met dat geld gedaan? Misschien hadden ze het sowieso uitgegeven, dan is het economisch effect nul. Maar het kan ook dat ze het aan, ik zeg maar wat, plastic speelgoed uit China hadden besteed. Erg duurzaam is dat niet en het draagt ook weinig bij aan de Nederlandse economie.” Terwijl de Vuelta onderdeel is van de beleveniseconomie, waarbij mensen geld uitgeven aan een ervaring in plaats van aan spullen. “Dat is duurzamer, want daar zijn minder grondstoffen voor nodig. Mensen moeten natuurlijk wel naar Utrecht toe, dus er zal zeker wat CO2-uitstoot zijn, maar wellicht komen velen met de trein of de fiets.” De reclamekaravaan, die traditioneel voorafgaat aan de koers, heeft deze Vuelta tijdens de Nederlandse etappes in ieder geval een duurzaam karakter. De voertuigen in deze ‘Groene Karavaan’ rijden uitstootvrij en delen alleen duurzame spullen uit aan het publiek.

Olympische Spelen
Toch lijken steeds minder steden te porren te zijn voor het organiseren van een groot sportevenement. Dit is met name bij de Olympische Spelen het geval, waarbij er voor de edities van 2024, 2028 én 2032 maar één kandidaatstad was. Amsterdam speelde een tijdje met het idee zich kandidaat te stellen voor 2028, maar het kabinet vond het uiteindelijk te duur en trok zijn steun voor het plan in 2012 in. “Het organiseren van zo’n evenement legt toch een druk op collectieve middelen”, vervolgt Kalshoven. “Er zijn de directe kosten voor de organisatie, maar ook indirecte kosten voor de inzet van politie, brandweer en hulpdiensten. Wat je ziet is dat de economische baten van het evenement zelf vaak negatief zijn. De winsten komen dan ergens anders terecht, bijvoorbeeld bij horecaondernemers.”

Dat de begroting vaak uit de hand loopt, draagt ook niet bij aan het enthousiasme onder de lokale bevolking. Ook hier zijn de Olympische Spelen een goed voorbeeld. Zo vielen de kosten van de zo succesvolle Spelen in Barcelona 266 procent hoger uit. In 1976, in het Canadese Montreal, was dit liefst 720 procent. Wat is daarvan de oorzaak? “Een belangrijk deel is politiek. Als je de organisatie van een toernooi erdoor wilt krijgen, dan moet je vooral het prijskaartje drukken. Ruim begroten zou verrassingen voorkomen, maar schaadt je kansen. Dus stuurt de organisatie aan op lage offertes van bouwers van stadions en infrastructuur, maar worden de tegenvallers duur betaald. Probleem is natuurlijk ook dat de projecten altijd uniek zijn, want je bouwt nooit tweemaal hetzelfde stadion.” 
 

Reclame
Waar het enthousiasme voor het organiseren van grote sportevenementen in democratische landen lijkt af te nemen, verwelkomen autocratische regimes internationale toernooien juist graag. “Daar zijn de politieke baten vaak erg groot”, stelt Kalshoven. “Rusland, met de Winterspelen van Sotsji, en China, waar Beijing de Zomer- én Winterspelen organiseerde, vonden het fantastisch dat ze aan de wereld konden laten zien dat ze in staat zijn om zoiets te organiseren. Een strakke openings- en slotceremonie is reclame voor de buitenwereld en draagt ook bij aan de trots onder de bevolking voor het nationale regime. De politieke baten wegen daar op tegen de economische kosten. Voor Rutte zou het toch lastig uit te leggen zijn waarom er wel geld is voor de Olympische Spelen maar niet voor bijvoorbeeld koopkrachtmaatregelen. Voor Poetin speelt dat minder. Als hij zo’n evenement organiseert hoeft hij niet aan z’n bevolking uit te leggen waarom er wel geld is voor het organiseren van de Winterspelen maar niet voor de verhoging van de ambtenarensalarissen.”

Volgende publicatie:
“Het is heel belangrijk dat dit graanakkoord er is, maar de situatie oogt nog fragiel”

“Het is heel belangrijk dat dit graanakkoord er is, maar de situatie oogt nog fragiel”

Gepubliceerd op: 23 augustus 2022

Na de Russische inval in Oekraïne werd het een vaak gebezigde term. Het land was de ‘graanschuur van Europa’. Door het conflict kwam de export van Oekraïens graan goeddeels stil te liggen. Na bemiddeling van Turkije en de Verenigde Naties lijkt het weer mogelijk om graan over de Zwarte Zee uit Oekraïne te krijgen. Wat merkt Nederland hiervan? En wat zijn de vooruitzichten voor de graanprijs? Tijd om enkele vragen over de handel in graan te stellen aan Peter Verbaken, Hoofd van het Team Grondstoffen van APG.

Graan is een verzamelnaam voor de zaden van grassen en omvat onder meer rijst, gerst, tarwe en mais. Oekraïne exporteert vooral die laatste twee. De wereldwijde jaarlijkse productie van tarwe is zo’n 780 miljoen ton, blijkt uit cijfers van het Amerikaanse ministerie van Landbouw. Oekraïne neemt 30 miljoen ton daarvan voor zijn rekening. De EU is de grootste producent, met bijna 140 miljoen ton, op de voet gevolgd door China. Van mais wordt jaarlijks 1200 miljoen ton geproduceerd, waarvan bijna een derde uit de Verenigde Staten komt. Met een jaarlijkse productie van 40 miljoen ton lijkt Oekraïne wat mais betreft z’n naam als graanschuur van Europa waar te maken.

Is Nederland zelfvoorzienend als het aankomt op graan?
“Nederland is niet zelfvoorzienend. Dat komt doordat de landbouwgrond hier geschikter is voor het verbouwen van andere gewassen. Van de tarwe die we hier gebruiken, importeren we daarom ruim 80 procent, vooral uit Duitsland en Frankrijk. Overigens is maar 40 procent van de in Nederland gebruikte tarwe bestemd voor menselijke consumptie, de overige 60 procent is bestemd voor veevoer. Voor mais is dit zelfs 65 procent. Zo’n 20 procent wordt door mensen geconsumeerd en 15 procent van het mais in Nederland wordt verwerkt tot biobrandstof.”

Frankrijk en Duitsland zijn veilige landen met een stabiele export. Hoe komt het dan dat ook Nederland met hogere graanprijzen te maken heeft?
“Granen zijn wereldwijd verhandelbare grondstoffen. Als een grote aanbieder wegvalt, zoals nu tijdelijk Oekraïne, dan heeft dat effect op de wereldwijde prijs van granen, en daarmee ook op de prijs die wij hier in Nederland betalen. Dat is hoe zo’n markt werkt. Je kunt niet zeggen: ‘Mijn import uit Frankrijk is niet beïnvloed dus ik betaal nog eenzelfde lage prijs als een jaar geleden’. Ook de prijs van graan uit landen als Duitsland en Frankrijk wordt vastgesteld aan de hand van de wereldprijs, omdat graan in principe overal naartoe kan worden verscheept. Doordat we onze tarwe vooral uit Frankrijk en Duitsland halen, zullen we hier niet zo snel een graantekort hebben. Maar de graanprijzen liepen aan het begin van de oorlog in Oekraïne ook hier meteen op.”

In Europa is het nu al lang heet en droog, dat kan gevolgen hebben voor de oogst

Het Oekraïense graan gaat normaliter voornamelijk naar Noord-Afrika en het Midden-Oosten. Kunnen ze daar opgelucht ademhalen nu Turkije en de VN bemiddelen in de export?
“De overeenkomst die eind juli is gesloten, moet nog wel haar waarde bewijzen. Er is nog veel onzekerheid of de stroom schepen ook echt op gang komt om het graan vanuit de Oekraïense havens over de Zwarte Zee naar de plaatsen van bestemming te vervoeren, en dat zonder incidenten. Dat zal de komende maanden moeten blijken. Het is heel belangrijk dat dit akkoord er is, maar de situatie oogt nog fragiel. Denk bijvoorbeeld aan de ontploffingen van een paar dagen geleden op de Russische basis op de Krim. Turkije heeft er wel direct belang bij dat de strijdende partijen zich aan het akkoord houden, want het land is een van de grote importeurs van Oekraïens graan. Het heeft dus, net als Egypte en andere landen in de regio, dat graan echt nodig.”

Valt er iets te zeggen over hoe de prijs van granen zich in de komende maanden zal ontwikkelen?
“Je ziet nu dat in ieder geval de tarweprijs lager is dan voor de Russische inval. Dat is nog steeds relatief hoog, maar niet meer zo extreem hoog als in de eerste fase van de oorlog. De komende maanden zal blijken of het graanakkoord wordt uitgevoerd. Waarnemers hebben goede hoop, waardoor de tarweprijs al flink is gezakt. Mocht het conflict weer escaleren, dan zal de prijs echter zeker weer stijgen. Kort na de zomer vindt de nieuwe oogst plaats in de graanproducerende landen op het noordelijk halfrond. Voor Oekraïne wordt dan duidelijk in hoeverre de oorlog invloed heeft op de graanproductie. Voor alle graanproducenten geldt dat ze voor de oogst afhankelijk van het weer zijn. In Europa is het nu bijvoorbeeld al lang heet en droog, dat kan gevolgen hebben voor de oogst. Uit Amerika komen vooralsnog positieve berichten over de graanproductie van deze zomer. Het weer heeft de potentie om verlichting te bieden als het tot een rijke oogst leidt, maar kan ook een risico vormen en tot verdere krapte en hogere prijzen leiden.”

Volgende publicatie:
Wat betekent de droogte voor beleggers?

Wat betekent de droogte voor beleggers?

Gepubliceerd op: 18 augustus 2022

Actuele kwesties op het gebied van economie, (verantwoord) beleggen, pensioen en inkomen: iedere week geeft een expert van APG een helder antwoord op de vraag van de week. Deze keer: Climate Data Specialist Lucas Wouters over de gevolgen van langdurige droogte op beleggingen.

Extreme droogte op de Italiaanse Povlakte, bosbranden in het hele Middellandse Zeegebied en een historisch laag waterpeil in de Rijn. Heel Europa zucht deze zomer onder een neerslagtekort. En de droogte is niet incidenteel. “Het is niet de vraag of de droogte op langere termijn erger wordt dan die nu is, dat is een gegeven”, aldus Wouters. “Van de CO2 die we nu uitstoten, zit over duizend jaar nog steeds zo’n 20 procent in de lucht. Onze huidige uitstoot heeft dus nog een langdurig effect op de toekomstige temperatuurstijging, met alle gevolgen van dien. Droogte zal langer duren en heviger zijn.” 


Landbouw

Klimaatverandering zal leiden tot toenemende droogte in bepaalde delen van de wereld, wat gevolgen heeft voor onder meer de watervoorziening, stelt Wouters. “En dat heeft weer consequenties voor de landbouwproductie. Maar ook voor de industrie, die bijvoorbeeld voor het produceren van consumptiegoederen en materialen afhankelijk is van een stabiele watertoevoer en energiesector, die veel water gebruikt om centrales te koelen of energie op te wekken met stoomturbines of waterkracht. Dergelijke gevolgen zullen op hun beurt van invloed zijn op de hele economie, waardoor de toenemende droogte een potentieel risico vormt voor beleggers.” Volgens een studie van de Wereldbank kan droogte tegen 2050 in bepaalde landen tot een verlies van 6 procent van het bruto binnenlands product leiden. Dan gaat het om watertekort en de gevolgen daarvan, zoals mislukte oogsten. Een langetermijnbelegger als APG kijkt bij alle investeringen daarom naar de mogelijke impact van klimaatfactoren, waaronder droogte, en maakt een analyse van de potentiële risico’s en het rendement.


Een tastbaar voorbeeld zijn investeringen in de landbouw en bosbouw, bij APG samengebracht onder de noemer Private Natural Capital. “Bij landbouw is de aanwezigheid van betrouwbare waterbronnen een belangrijke indicator voor een goede oogst”, zegt Wouters. “Daarom beoordelen we bij mogelijke investeringen of er genoeg capaciteit in de omgeving is om voor de beoogde activiteiten voldoende water zeker te stellen. Verder vormt innovatie op het gebied van irrigatie een belangrijk aspect bij het beschermen van de oogst. In Roemenië investeren we in een project waarbij samen met lokale partijen wordt gewerkt aan het herstellen, verbeteren en uitbreiden van irrigatienetwerken, die vaak ook water- en energiebesparend zijn.”


APG spoort daarnaast beheerders van land waarin wordt geïnvesteerd aan om eventuele klimaatrisico’s af te dekken. “Bij landbouw gaat het dan bijvoorbeeld om het zo min mogelijk braak laten liggen van grond, waardoor verdamping wordt voorkomen. Dat verbetert de kwaliteit van de grond, waardoor die meer water kan opnemen. Ook wordt aan de hand van het op langere termijn beschikbare water bepaald welke gewassen worden geteeld. Bij bosbouw verwachten we van de beheerders onder meer dat ze de blusfaciliteiten op orde hebben voor het geval aanhoudende droogte tot bosbranden leidt. Ook willen we dat bij het beheren en inrichten van de bossen rekening wordt gehouden met brandpreventie. Met behulp van klimaatscenario’s beoordelen we potentiële investeringen. Investeringen waarbij de impact van klimaatverandering te groot is, gaan we niet aan.”

Van al het water op aarde is 97 procent zout, van het overige water is het grootste deel bevroren

Adaptatie
Om de negatieve effecten van droogte op beleggingen tegen te gaan, stimuleert APG bedrijven meer aan adaptatie te doen. Te denken valt aan het creëren van waterreservoirs op het terrein rond panden en boerderijen. Ook werkt APG met externe databronnen die klimaatverandering en de gevolgen daarvan te monitoren. Wouters: “Ons vastgoedteam heeft bijvoorbeeld een methode ontwikkeld die fysieke klimaatrisico’s meet voor onze investeringen. Op die manier willen we het vastgoed waarin we beleggen klimaatbestendiger maken.” Voor zijn pensioenfondsklanten belegt APG in het Amerikaanse bedrijf Xylem. Dit bedrijf biedt oplossingen die efficiënt watergebruik bevorderen en daarmee waterschaarste voorkomen. Denk bijvoorbeeld aan het transporteren, zuiveren en hergebruiken van water. Wat dichter bij huis belegt APG in een aantal groene obligaties van de Nederlandse Waterschapsbank, waaronder in waterobligaties. Deze duurzame waterbank gebruikt de opbrengsten om Nederland beter voor te bereiden op de gevolgen van klimaatverandering door projecten en bedrijven te financieren die focussen op overstromingsrisico, waterbeheer, waterkwaliteit en biodiversiteit.

Water
Door toenemende droogte wordt het steeds belangrijker om zuinig om te gaan met water. Dat biedt interessante mogelijkheden voor beleggingen in bijvoorbeeld watertechnologiebedrijven en waterzuiveringsinstallaties, licht Wouters toe. “In Nederland hebben we een hoge kwaliteit drinkwater, in veel andere landen is daar een tekort aan. Van al het water op aarde is 97 procent zout, van het overige water is het grootste deel bevroren, zoals in gletsjers. Er bestaan al technologieën om zeewater te ontzilten, maar die technologie is nog erg duur en bovendien gebruikt dit proces nog veel energie. Als een bedrijf erin slaagt om efficiënter een deel van die 97 procent zoutwater in drinkwater om te zetten, heeft het goud in handen.”


Ook zijn er mogelijkheden om te investeren in technieken die watergebruik in gebouwen efficiënter maken. “Als APG beleggen we namens onze fondsklant ABP in The Student Hotel. Daar hangt aan de douches een metertje waardoor hotelgasten precies zien hoeveel water ze gebruiken. Gasten worden zo gestimuleerd om minder lang te douchen en zodoende minder water te verbruiken. Dat is natuurlijk een kleine bijdrage aan de oplossing, maar geeft wel aan dat er mogelijkheden zijn om via onze beleggingen bij te dragen aan het tegengaan van droogte.”

Volgende publicatie:
Hoe afhankelijk is de Nederlandse economie van China?

Hoe afhankelijk is de Nederlandse economie van China?

Gepubliceerd op: 10 augustus 2022

Actuele kwesties op het gebied van economie, (verantwoord) beleggen, pensioen en inkomen: iedere week geeft een expert van APG een helder antwoord op de vraag van de week. Deze keer: hoofdeconoom Thijs Knaap over de vraag hoe afhankelijk de Nederlandse economie is van China. “Een economische loskoppeling van China zal nog veel grotere gevolgen hebben dan de loskoppeling van Rusland.”

Vorige week bezocht de voorzitter van het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden Nancy Pelosi Taiwan. Door het omstreden bezoek liepen de spanningen tussen de VS en China hoog op. Een conflict van de twee economische grootmachten over Taiwan lijkt daarmee weer een stap dichterbij. “Open handelsnaties als Nederland moeten zich met de recente lessen uit de Oekraïne-crisis sneller voorbereiden op die nieuwe geopolitieke realiteit”, betoogt Jonathan Holslag, als politicoloog verbonden aan de Vrije Universiteit Brussel, in NRC. “We moeten onze economische afhankelijkheden van China sneller afbouwen, of de prijs dreigt de komende jaren nog veel hoger te worden.” Maar hoe afhankelijk zijn we in Nederland eigenlijk van China?


Kapitaaldreun

Na de Russische inval in Oekraïne legden Westerse landen forse sancties op aan Moskou. Die stap kan als voorbeeld dienen van wat er gebeurt als de VS en de EU zich economisch gezien los willen koppelen van China, stelt Knaap. “Het voorbeeld van Rusland laat zien dat er verschillende gradaties van afhankelijkheid zijn. De eerste is eigendom van – in dit geval – Westers kapitaal in Rusland of China. Nederlandse beleggers hebben belangen in Russische bedrijven, en Russische bedrijven en personen hebben tegoeden in het buitenland. Er bestaan dus financiële verbanden. Is dat afhankelijkheid? Ja, want na het uitbreken van de oorlog bleek voor zowel Westerse beleggers als voor Russische oligarchen dat hun belangen niet veilig waren. Als het Westen bij wijze van spreken morgen de relaties verbreekt met Beijing, is het goed mogelijk dat er dus allereerst een immense kapitaaldreun voor beide partijen volgt. Al is het aandeel van China bij Nederlandse beleggers niet enorm, toch gaat het om forse bedragen. Dus dat verlies komt onmiddellijk binnen.”


De tweede vorm van afhankelijkheid zijn de handelsbetrekkingen, zowel van goederen als van technologie. Van alles wat we in Nederland importeren komt uit China. Een fors deel, maar het verhult ook het grotere plaatje, aldus Knaap. “Wat het voorbeeld van Rusland heel goed aantoont, is het belang van de zogenoemde tweede-orde-effecten. Wij zijn bijvoorbeeld niet zo afhankelijk van Russisch gas, maar de Duitsers zijn dat wel. En als zij een gastekort hebben, krijgen wij dat ook. Bovendien merken we het aan de import van bijvoorbeeld kunstmest uit Duitsland, omdat de chemiebedrijven daar gas nodig hebben voor hun productie. Het is dus heel misleidend om alleen naar de directe economische gevolgen voor Nederland te kijken, omdat tegenwoordig vrijwel alle productieketens via meerdere landen lopen. De indirecte effecten zijn daarom nog groter.”


Coronacrisis

“Waar het verbreken van de economische relaties met Rusland vooral laat zien hoe afhankelijk Europa is van Russische fossiele brandstoffen, zal een economische loskoppeling van China nog veel grotere gevolgen hebben”, aldus Knaap. “Dat zie je al aan dat Chinese aandeel van 12,4 procent van de Nederlandse import. Als de import met zo’n percentage zou krimpen, zou dat een enorme economische klap zijn. En dan is nog niet eens meegenomen dat de andere landen waar Nederland handel mee drijft ook veel uit China importeren. Ten tijde van de coronacrisis merkten we in Europa hoe afhankelijk we waren van Chinese producten. Chinese havens waren dicht, en je kon in Nederland nog geen fiets krijgen omdat alle onderdelen op waren. Het is dus heel lastig om een land uit de aanvoerketen te knippen, helemaal als het om China gaat.”

De keerzijde van dat iedereen hier goed verdient, is dat het veel kost om hier producten te maken

Volgens Holslag, in NRC, moeten Nederland en andere Europese landen meer zelfvoorzienend worden zodat we zijn voorbereid als het straks misloopt met China. “Dat is een van de manieren om er tegenaan te kijken”, reageert Knaap. “Heel lang was de heersende gedachte: als we maar heel sterke economische banden hebben, kunnen we ons geen oorlog veroorloven. Je ziet ook dat het werkt, want ondanks het retorische wapengekletter tussen Beijing en Washington, drijven beide landen nog volop handel. Dus die economische afhankelijkheid is er wel degelijk, en dat geldt ook voor China. Als het Westen geen Chinese producten meer koopt, hebben ze daar net zo goed een probleem. Het is voor beide partijen dan ook kostbaar om te stoppen met globalisering.”


Toch lijken bedrijven huiveriger dan voorheen om in China te investeren. Oorzaken daarvan zijn de strenge lockdowns in vooral Shanghai en de wat tegenvallende groeicijfers. De spanningen rond Taiwan zullen het enthousiasme over China onder buitenlandse investeerders ook niet vergroten. Knaap wijst op de benadering van ‘China+1’ die sommige bedrijven hanteren. Dat betekent dat ze één fabriek in China bouwen en één fabriek in een ander lagelonenland zoals Vietnam of India, die dan als reserve kan dienen, mocht er iets misgaan in de (handels)relaties met China.


Globalisering

Het is echter nog niet zo makkelijk om van Europa weer een productiecentrum te maken, net zoals China dat nu is, betoogt Knaap. “Als wij alles zelf moeten gaan maken, dan is de inflatie die we nu zien niets vergeleken met wat we dan over ons heen krijgen. De keerzijde van dat iedereen hier goed verdient, is dat het veel kost om hier producten te maken. Een groot gedeelte van onze welvaart is te danken aan globalisering. We zijn een beetje verwend geraakt doordat we vanuit lagelonenlanden veel spullen kregen voor weinig geld. Daar zijn ze de afgelopen decennia heel goed geworden in het maken van allerlei producten, terwijl wij hier die kunst een beetje verloren zijn. Het kost daarom waarschijnlijk jaren om hier weer een maakindustrie op te zetten.”


Vooralsnog is de Nederlandse economie dus in grote mate afhankelijk van China. Er is de financiële afhankelijkheid, maar vooral de afhankelijkheid van Chinese producten, zowel direct als via de handel met andere landen die ook weer afhankelijk van China zijn. “Feit is dat China zich heeft ontwikkeld tot een bijna onaantastbaar concurrerende productie-economie. Ze zijn duurder dan vroeger maar nog steeds niet heel duur, superproductief en ze kunnen als het moet morgen leveren. De handelscijfers van China gaan alleen maar omhoog, dwars door alle economische crises heen. Ze weten dus heel goed wat wij willen hebben, en ze verkopen het ons in grote hoeveelheden.”

Volgende publicatie:
Leidt de ECB-renteverhoging tot lagere huizenprijzen?

Leidt de ECB-renteverhoging tot lagere huizenprijzen?

Gepubliceerd op: 28 juli 2022

Actuele kwesties op het gebied van economie, (verantwoord) beleggen, pensioen en inkomen: iedere week geeft een expert van APG een helder antwoord op de vraag van de week. Deze keer: Vincent Fokke, Hoofd Beursgenoteerd Vastgoed Europa, over de vraag of de recente rentestap van de Europese Centrale Bank (ECB) zal leiden tot afkoeling van de Nederlandse huizenmarkt. “De huizenmarkt wordt niet louter gedreven door rationele investeringsbeslissingen. Vaak spelen emotionele overwegingen een grotere rol.”


In een poging de hoge inflatie te drukken, verhoogde de Europese Centrale bank op 21 juli 2022 de depositorente – de rente die banken ontvangen wanneer ze overtollig geld bij de ECB stallen – van -0,5 procent naar 0 procent. Een aanzienlijke stap – in historische zin, aangezien de ECB de rente al meer dan tien jaar niet had laten toenemen, maar ook omdat zo’n aanpassing van 0,5 procentpunt normaliter niet snel in één keer plaatsvindt. En daarmee lijkt het einde van de stijging nog niet in zicht, bleek uit de verwachtingen van de ECB voor de komende maanden.  


Verheugen

Leidt die stijgende ECB-rente ook tot hogere hypotheektarieven, zodat de Nederlandse woningmarkt na jarenlange grote prijsstijgingen eindelijk eens wat kan afkoelen? De mensen die daar naar uitkijken, moeten zich volgens Fokke niet te vroeg verheugen. Al is het maar omdat de ECB-rente niet de meest bepalende factor is voor de hoogte van de hypotheekrente.

 

“Bij een negatieve depositorente hebben de banken een sterke motivatie om 'overtollig' geld uit te zetten. Dat kan enigszins bijdragen aan een hoger aanbod van hypothecaire leningen, met als gevolg een drukkend effect op hypotheekrentes. Echter, uiteindelijk hangen de hypotheekrentes niet zozeer met de ECB-rente samen, maar in grotere mate met langetermijn kapitaalmarktrentes. De rente op staatsobligaties – bijvoorbeeld op Nederlandse staatsobligaties met een looptijd van tien of dertig jaar – is voor de hypotheekmarkt dus een veel belangrijker referentiepunt dan de ECB-rente. Dat verklaart ook waarom we in de afgelopen zeven maanden een sterke opwaartse beweging hebben gezien in de hypotheekrentes. Want vanaf januari tot midden juni zijn de kapitaalmarktrentes sterk gestegen, terwijl de ECB-renteverhoging toen nog moest plaatsvinden.”      

 

Behoorlijk dynamisch
Ná midden juni zijn de kapitaalmarktrentes echter weer flink gedaald. Kunnen we nu dus ook weer lagere hypotheekrentes verwachten? Dat blijkt wat voorbarig.

 

“Door de huidige geopolitieke situatie en door het teruggedraaide monetair beleid – de ECB heeft de rente verhoogd, maar is sinds juli ook gestopt met het netto bijkopen van obligaties om de economie te stimuleren – zijn die kapitaalmarktrentes momenteel behoorlijk dynamisch. De rente op bijvoorbeeld een Nederlandse staatsobligatie met een looptijd van tien jaar was midden juni opgelopen tot 2,1 procent, terwijl die nu – eind juli – nog maar 1,3 procent is. Door die hoge volatiliteit van de kapitaalmarktrentes zijn banken nog ietwat terughoudend met het aanpassen van hun hypotheektarieven. Het kan immers ook weer snel de andere kant opgaan.”

 

Ondanks de recente volatiliteit kunnen we echter wel vaststellen dat kapitaalmarktrentes een opwaartse trend hebben ingezet, onder meer gedreven door de sterk opgelopen inflatie, benadrukt Fokke.

 

“Natuurlijk is het niet uitgesloten dat op kortere termijn de hypotheekrentes ook weer omlaag gaan. Maar als je de kapitaalmarktrentes van nu vergelijkt met die van vijf of zeven jaar geleden, zie je dat het traject van die rentes omhoog loopt, ook al zijn ze de afgelopen weken fors gedaald. In het recente halfjaar zijn de hypotheekrentes meegestegen met deze marktbeweging.”

 

Emotionele overwegingen
En daarmee komen we uit bij de hamvraag: kan een eventuele voortzetting van die (jaren)lange stijging van de kapitaalmarktrentes ervoor zorgen dat de lucht uit de Nederlandse huizenmarktbubbel loopt? Op basis van economische theorie zou je immers verwachten dat wanneer de financiering duurder wordt, de vraag naar huizen daalt – en dus ook de prijs. Maar bij de woningmarkt ligt het allemaal net wat genuanceerder, zegt Fokke.

 

“De huizenmarkt wordt niet louter gedreven door rationele investeringsbeslissingen. Mensen die op zoek zijn naar een huis, zien het niet alleen als beleggingsobject. Sterker nog, vaak spelen emotionele overwegingen een grotere rol. Daardoor is het relatief lastig om te voorspellen hoe zo’n markt zich gaat ontwikkelen. Ik denk bijvoorbeeld dat menig analist had verwacht dat de huizenprijzen in de coronaperiode door de toegenomen economische onzekerheid zouden dalen – ze waren immers al flink gestegen. Maar het tegendeel bleek het geval, en dat illustreert het afwijkende karakter van deze markt. Daar komt bij dat de hypotheekrentes weliswaar opgelopen zijn, maar ze zijn nog steeds niet van een schokkend hoog niveau.”

 

Vrijstaande huizen
Bovendien kun je niet echt spreken van ‘dé huizenmarkt’ en ook dat maakt de relatie tussen de hypotheekrente en de huizenmarkt gecompliceerd.

 

“De woningmarkt is niet alleen regionaal gefragmenteerd, maar ook qua woningtype. Al die verschillende markten kennen hun eigen dynamiek van vraag en aanbod. En van alle factoren die de richting van de markt bepalen, is die dynamiek de belangrijkste factor. Veel sub-markten vertonen krapte, maar de omvang daarvan varieert. Bijvoorbeeld bij vrijstaande huizen in het hogere segment sluiten vraag en aanbod redelijk op elkaar aan. Daarentegen is de spanning tussen vraag en aanbod in de steden veel groter, als gevolg van de urbanisering.”

 

Een andere reden waarom een hogere hypotheekrente volgens Fokke niet per definitie leidt tot dalende huizenprijzen, is een aantal ontwikkelingen aan de aanbodkant van de woningmarkt.

 

Huurstijgingen aan banden
“Ik zie minimaal twee ontwikkelingen die van grote invloed zijn op het woningaanbod. De eerste ontwikkeling is dat veel beleggers zich terugtrekken uit de woningmarkt, als gevolg van de steeds verdergaande regulering in de vrije sector. Er zijn bijvoorbeeld initiatieven genomen om huurstijgingen aan banden te leggen, of als eis te stellen dat een koper van een huis eerst een aantal jaren zelf het huis bewoont, voordat het verhuurd mag worden. De tweede ontwikkeling is de enorme stijging van de bouwkosten. Veel materialen – bijvoorbeeld hout, staal en cement – zijn flink duurder geworden, waardoor er simpelweg minder wordt gebouwd.”

 

De ECB kan dus beperkt invloed uitoefenen op de hypotheekrente via het aanpassen van de  depositorente. Maar het effect daarvan valt in het niet bij het effect dat veranderingen in de kapitaalmarktrentes op de hypotheekrente hebben. Kapitaalmarktrentes zijn ten opzichte van zeven jaar geleden gestegen en meer recent de hypotheekrentes dus ook. Maar ook stijgende hypotheekrentes leiden niet per definitie tot lagere huizenprijzen. Nu de ECB de rente verhoogt, leidt dat dus niet zonder meer tot een afkoeling van de Nederlandse huizenmarkt.

Volgende publicatie:
“Europa zal de tering naar de nering moeten zetten”

“Europa zal de tering naar de nering moeten zetten”

Gepubliceerd op: 25 juli 2022

Op 11 juli 2022 legde het Russische staatsgasbedrijf Gazprom de Nord Stream 1 pijplijn stil voor het jaarlijkse onderhoud van tien dagen. Op dat moment werd serieus rekening gehouden met de mogelijkheid dat de gaslevering aan Europa na de onderhoudsperiode niet zou worden hervat – met alle mogelijke gevolgen van dien. Wat zijn die potentiële gevolgen? Hoe groot is de mogelijke economische impact, als Nord Stream 1 volledig wordt stilgelegd? Vijf vragen aan APG’s Peter Verbaken, Hoofd Team Grondstoffen, en Gillis Björk Danielsen, Senior Portfoliomanager Grondstoffen. “De impact op de Europese economie is het kleinst als Europa gecoördineerd reageert.”

 

Toen Gazprom midden juli aan zijn Europese klanten liet weten de levering van gas niet meer te kunnen garanderen, werd er ernstig rekening gehouden met de mogelijkheid dat Nord Stream 1 niet meer zou worden opgestart. Die vrees bleek onterecht, in zoverre dat er op 21 juli weer gas door de pijpleiding begon te stromen. Maar de levering bevond zich nog steeds op hetzelfde lage niveau van vóór het onderhoud: 30 tot 40 procent van de gashoeveelheid die Gazprom via Nord Stream 1 aan Europa leverde tot begin juni (enkele dagen later maakte Gazprom bekend op 27 juli de levering terug te schroeven naar 20 procent van de capaciteit van Nord Stream 1). Voor die datum werd de volledige capaciteit van Nord Stream 1 benut. Daarna begon de gasstroom af te nemen om rond 17 juni te blijven hangen op zo’n 40 procent van de volledige capaciteit. En daarmee blijft het een drukmiddel waarmee Ruslands president, Vladimir Poetin, Europa probeert te bewegen om geen wapens meer aan Oekraïne te leveren en/of de economische sancties af te bouwen die na de invasie in Oekraïne aan Rusland werden opgelegd. Europa is immers voor een derde van haar gasconsumptie afhankelijk van Nord Stream 1 en om de winter door te komen, moet het de gasvoorraden in de zomer aanvullen.

 

Wat kan de reden zijn dat Nord Stream 1 na deze onderhoudsperiode toch weer is opgestart?

Björk Danielsen: “Als Gazprom de levering van gas aan Europa volledig stillegt, betekent dat voor de Russische staat een aanzienlijk verlies van inkomsten, omdat Rusland zoveel gas niet elders kan verkopen. Die Inkomsten heeft Rusland nodig om de oorlog met Oekraïne te financieren. En hoewel het gissen blijft, zou het opnieuw opstarten van Nord Stream 1 een manier voor Poetin kunnen zijn om de vastbeslotenheid en interne solidariteit van Europa op de proef te stellen. Door de onvoorspelbaarheid van de Russische gasleverantie voor Europa zo groot mogelijk te maken, maakt Rusland het moeilijk voor Europa om eensgezind te blijven en vooruit te plannen om in haar energiebehoefte te voorzien. Dat Rusland de gaslevering heeft hervat, kan een manier zijn om Europa ervan te weerhouden nu al noodmaatregelen te treffen om in de winter zonder Russisch gas te kunnen functioneren. De kans dat er te zijner tijd verdeeldheid binnen Europa ontstaat, is dan het grootst. En dat is in het belang van Poetin.”

 

Hoe ziet zo’n scenario van een verdeeld Europa eruit, als de gaslevering door Rusland volledig zou stoppen?

“Sommige lidstaten zouden aparte overeenkomsten kunnen aangaan met Rusland, om toch gas te blijven ontvangen. In andere gevallen kan er concurrentie ontstaan om toegang te krijgen tot het beperkte aanbod aan niet-Russisch gas.  Theoretisch gezien kan een aantal landen, waaronder Nederland, het nodige gas voor zichzelf veiligstellen door de levering aan andere landen te stoppen. Zo wordt een deel van het gas dat in Groningen wordt opgepompt, nu aan Duitsland geleverd. Maar de kans dat die landen de toevoer naar buurlanden ook echt afsluiten, is klein. Politiek gezien is het een vrij onmogelijk scenario. Toen de mogelijkheid van een Russische leveringsstop steeds reëler werd, zijn er door de Europese lidstaten namelijk afspraken gemaakt om hun gasvoorraden te delen en landen die onevenredig hard getroffen worden, te helpen wanneer dat nodig is.”

 

Wat zijn de economische gevolgen voor Europa, als Nord Stream 1 volledig wordt stilgelegd?

Verbaken: “De impact op de Europese economie is het kleinst als Europa gecoördineerd reageert. Zo’n reactie wordt wel verwacht. Maar het is nog lang niet zeker, gezien de ongelijke belangen van met name Duitsland aan de ene kant en landen als Hongarije, Spanje, en Italië aan de andere kant. Het IMF heeft onlangs berekend dat Europa de economische impact van een volledige Russische leveringsstop met een gecoördineerde aanpak aanzienlijk beperkt. Mocht Europa toch op een ‘gefragmenteerde’ manier reageren, dan varieert het van land tot land hoe groot de economische schade is. Voor Nederland individueel maakt het relatief weinig verschil of Europa gecoördineerd of gefragmenteerd reageert. Als je kijkt naar de cijfers van het IMF, liggen de percentages die Nederland inlevert op het bruto nationaal product, relatief dicht bij elkaar – in beide gevallen maximaal rond de twee procent. Maar landen die veel afhankelijker zijn van Russisch gas, zoals Hongarije, krijgen het zwaar voor de kiezen in een scenario waarin Europa niet als één blok reageert. Het BNP van de Hongaren krijgt dan een knauw van 2,5 tot 6,5 procent, vergeleken met 1 tot 3,4 procent bij een gecoördineerde Europese reactie.” 

 

Hoe lang kan Nederland nog vooruit met haar huidige gasvoorraad, als het geen gas uit Rusland meer krijgt en er geen maatregelen worden genomen?

Verbaken: “Eigenlijk is dat een irrelevante vraag, juist omdat je Nederland in dat opzicht niet kunt beschouwen als een geïsoleerd land. Gezien het feit dat de Europese lidstaten hebben afgesproken de gasvoorraden te delen, kun je beter vragen: hoe lang kan Európa het uitzingen zonder Russisch gas? En dat is een heel lastige vraag om te beantwoorden, omdat het van zo veel verschillende factoren afhangt. Bijvoorbeeld van hoe sterk de vraag naar gas vanuit de industrie zal afnemen als gevolg van hogere gasprijzen, en natuurlijk hoe koud  – en hoe lang – de winter wordt in Europa. Het hangt daarnaast ook af van de hoeveelheid LNG – aardgas dat vloeibaar is gemaakt en op die manier wereldwijd verscheept kan worden – die Europa op de wereldmarkt kan kopen om een tekort aan aardgas te compenseren.”

 

We moeten dus het moment maar afwachten waarop cv-installaties en gasfornuizen het niet meer doen?

Björk Danielsen: “Via modellen worden wel schattingen gemaakt van de tijd die het duurt tot de Europese gasvoorraden uitgeput raken, indien Rusland volledig stopt met het leveren van gas. Maar de bottom line is dat Europa de tering naar de nering zal moeten zetten, als de gaslevering uit Rusland volledig wegvalt. De vraag moet dan simpelweg lager worden om de winter door te komen. Daarom heeft de Europese Commissie ook aan alle lidstaten gevraagd om hun gasverbruik tussen 1 augustus 2022 en 31 maart 2023 met 15 procent te reduceren. Hoe ze dat doen, mogen alle lidstaten zelf bepalen. Een deel van de reductie zal door overheden en bedrijven gerealiseerd moeten worden, maar ook huishoudens kunnen worden gevraagd om zich aan te passen. Het lijkt er overigens op dat het huidige voorstel van de Europese Commissie het niet gaat redden, dus waarschijnlijk wordt het nog aangepast. Maar we zullen in de winter waarschijnlijk niet met bevriezingsverschijnselen thuis zitten. Zo ver zal Europa het niet laten komen.”

Volgende publicatie:
“Uiteindelijk gaat de inflatie in de Eurozone wel weer richting de 2 procent”

“Uiteindelijk gaat de inflatie in de Eurozone wel weer richting de 2 procent”

Gepubliceerd op: 22 juli 2022

Door de oorlog in Oekraïne is inflatie in 2022 wereldwijd een probleem. Ook in de Eurozone, waarbij Estland de kroon spant met een inflatie in juni van meer dan 20 procent. Maar afgezien van Afrikaanse landen is er geen land waar geld zo snel minder waard is geworden als in Turkije. Hoe komt dat, wat betekent het voor de Turkse bevolking en hoe groot is de kans dat de inflatie in Nederland en Europa ook zo gierend uit de hand loopt? We vroegen het aan Charles Kalshoven, Senior Strategist bij APG.

 

In juni 2022 bedroeg de inflatie in Turkije maar liefst 78,6 procent, een cijfer dat al meer dan twee decennia niet zo hoog is geweest. Ter vergelijking: in diezelfde maand kwam de Europese inflatie uit op 8,6 procent. De belangrijkste reden voor het extreem hoge cijfer in Turkije is gelegen in de manier waarop het land economisch aangestuurd wordt, zegt Kalshoven. De president van Turkije, Recep Tayyip Erdogan, houdt er namelijk onconventionele macro-economische theorieën op na.

 

“De Turkse inflatie heeft zo uit de hand kunnen lopen omdat Erdogan op de een of andere manier een hekel heeft aan rente. Het is een beetje gissen waarom dat zo is, maar feitelijk redeneert hij als volgt: als de rente hoog is, moeten bedrijven veel kosten maken – financiering is dan immers duur – en omdat die in hun producten doorberekend moeten worden, gaan de prijzen omhoog. Dus, redeneert hij, als je de inflatie laag wilt houden, moet je de rente laag houden.”


Niet goed voor carrière

Daarmee gaat hij regelrecht in tegen de consensus onder economen en centrale bankiers, die luidt dat je de rente juist moet verhogen om de inflatie te drukken.  

“En dat weten de centrale bankiers in Turkije ook wel, maar renteverhogingen zijn niet goed voor hun carrière gebleken. Erdogan heeft in het verleden al een aantal bankgouverneurs om die reden de laan uit gestuurd.”


Nu het geld van de Turkse bevolking zo snel minder waard wordt, vlucht deze met haar geld in bezittingen die waardevaster zijn, zegt Kalshoven.


Goud en sieraden

“Er worden nu veel goederen gekocht waarvan men hoopt dat ze hun waarde behouden zoals goud en sieraden, maar bijvoorbeeld ook tweedehands auto’s. De economie kan daar even een impuls van krijgen – maar die is van relatief korte duur. Als iedereen vooral bezig is met het beschermen van zijn vermogen tegen inflatie, is dat uiteindelijk niet zo productief. Het kan trouwens ook een negatief, zichzelf versterkend effect veroorzaken. De Turken kopen meer buitenlandse valuta, waardoor de Turkse Lira onderuit is gegaan. Vorig jaar was de Lira in eurocenten nog een dubbeltje waard. Nu is hij hard op weg naar een stuiver. Daardoor wordt de import voor Turkije ook duurder en zo ontstaat weer geïmporteerde inflatie.“

Ook de sterk gestegen energie- en voedselprijzen spelen een rol in het Turkse inflatiecijfer, maar wel een relatief beperkte. Kalshoven: “Die hogere prijzen voor energie en voedsel hebben we in Europa ook, maar hier hebben we nog steeds enkelvoudige inflatiecijfers, terwijl de Turkse economie al tijden een dubbelcijferige inflatie laat zien.”


Traumatische ervaringen

Voordat de inflatie in Nederland en Europa zo hoog oploopt als in Turkije, moet er heel wat gebeuren. Het rentebeleid van de Europese centrale bank (ECB) staat immers diametraal tegenover het beleid van Turkije en is niet zomaar van tafel te vegen.


“Ook de ECB heeft de inflatie niet aan een touwtje, maar er zijn wel goede afspraken gemaakt tussen de lidstaten over het mandaat. Christine Lagarde (de president van de ECB, red.) kan niet zomaar ontslagen worden, dat is institutioneel beter gewaarborgd dan in Turkije. Theoretisch zou je invloed kunnen uitoefenen via de benoeming van een ECB-president die een uitgesproken specifiek rentebeleid voert. Maar in de praktijk moeten landen als Italië, Duitsland en Nederland het wel met elkaar eens worden over zo’n benoeming. De Duitsers hebben traumatische ervaringen met hyperinflatie. Dus de kans dat zij het toelaten, is erg gering.”


Verstrekkende gevolgen

Dat de centrale bank in Turkije de rente nog steeds niet heeft verhoogd, heeft – naast de hoge inflatie – economisch nog meer verstrekkende gevolgen. Het vertrouwen in de Turkse economie daalt, in meerdere opzichten.


“In een poging de prijzen in toom te houden, grijpt de Turkse overheid naar korte termijn oplossingen. Ze heeft bijvoorbeeld de btw op voedsel verlaagd van 8 procent naar 1 procent. Het helpt even maar uiteindelijk is het niet meer dan een lapmiddel. Voor de overheidsfinanciën is het niet goed en daardoor daalt het vertrouwen van financiële markten in Turkse staatsobligaties. En ook de bankensector heeft er baat bij als het huishoudboekje van de overheid op orde is, want die komt dan makkelijker aan buitenlands kapitaal.”


Lapmiddelen

Het Turkse consumentenvertrouwen heeft een knauw gekregen en de investeringsvooruitzichten zijn slecht, zegt Kalshoven.


“Ook omdat het door het averechtse rentebeleid gedaalde vertrouwen kapitaalvlucht in de hand werkt. Normaal zou een centrale bank de rente verhogen om die kapitaalvlucht tegen te gaan, maar in plaats daarvan geeft Erdogan de buitenlandse rentelobby de schuld.”


De Turkse economie heeft volgens Kalshoven geen lapmiddelen nodig, maar structurele hervorming.


“De beroepsbevolking in Turkije is groeiende, die mensen wil je aan de slag houden. Om dat te bereiken, heeft het land meer exporterende industrie nodig. De economie leunt nu te veel op de bouwsector en op toerisme. En die laatste sector wordt hard geraakt, nu een aanzienlijk deel van de toeristen – Russen en Oekraïners – als gevolg van de oorlog wegblijft.”


Jaren ‘70

De (staatsrechtelijke) situatie is in Europa en Nederland dus fundamenteel anders, waardoor een rentebeleid zoals Turkije dat voert, niet mogelijk is. Daarmee is echter niet gezegd dat dubbelcijferige inflatie in Nederland en Europa niet mogelijk is, zegt Kalshoven.


“We hebben in de jaren ’70 gezien dat het kan, maar ook toen ging het niet om percentages zoals nu in Turkije. En hoewel de rente in Europa wellicht ook te laag is voor de huidige inflatie, is die verhouding niet zo scheef als in Turkije. Kijk, ook bij ons zijn er omstandigheden denkbaar waarin de inflatie uit de hand loopt. Stel, we krijgen een recessie waarin de werkloosheid oploopt maar de inflatie maar mondjesmaat afneemt omdat er mechanismes zijn waardoor lonen automatisch worden aangepast aan de prijzen – zoals in de jaren ‘70 het geval was. De prijs die je betaalt voor inflatiebestrijding – nog verder oplopende werkloosheid – wordt dan hoog. De roep om minder maatschappelijke schade zal dan zeker toenemen, al is dat geen garantie dat centrale banken dan inbinden.”  


Sowieso is dit scenario nu niet aan de orde, zegt Kalshoven, omdat er nu juist sprake is van een krapte op de arbeidsmarkt.


Turkije niet achterna

“En áls de rente wordt verhoogd en er komt een recessie, dan verdwijnt die krapte waarschijnlijk ook wel weer. Dat we Turkije niet achterna gaan, zie je ook wel aan de ECB-inflatieprognose. In juni bedroeg de inflatie 8,6 procent, voor heel dit jaar gaat de ECB uit van 6,8 procent, voor 2023 van 3,5 procent en 2,1 procent in 2024. Verrassingen daargelaten, zoals escalatie in Oekraïne of nieuwe corona-lockdowns, denken ook wij dat de inflatie in de Eurozone uiteindelijk wel weer richting het streefcijfer van 2 procent gaat. Een dergelijk percentage is in Turkije overigens in de afgelopen 50 jaar niet voorgekomen.”

Volgende publicatie:
Zijn aardgas en kernenergie duurzaam?

Zijn aardgas en kernenergie duurzaam?

Gepubliceerd op: 21 juli 2022

Het gebruik van aardgas en kernenergie om elektriciteit op te wekken, mag vanaf 1 januari 2023 als duurzaam worden bestempeld. Wel tijdelijk én onder bepaalde voorwaarden, vastgelegd in de zogenaamde EU-taxonomieverordening. Johan Barnard, Head International Public Affairs bij APG, betreurt het besluit van de Europese Commissie. Maar roept in zijn nieuwe column ook op de taxonomie niet direct als onbruikbaar te beschouwen.  

 

De zogenaamde EU-taxonomieverordening vormt de basis voor een een catalogus van economische activiteiten die onder voorwaarden duurzaam genoemd mogen worden door financiële instellingen. Eerder stelde de Europese Commissie met een uitvoeringsregeling voor om elektriciteitsopwekking met aardgas en kernenergie onder deze taxonomieverordening tijdelijk ook tot duurzaam te bestempelen. Dit soort uitvoeringsregelingen kunnen door de Europese Raad van Ministers of het Europees Parlement gedurende een beperkte periode worden afgewezen, maar behoeven geen expliciete instemming van Raad of Parlement. Een resolutie in het Europees Parlement om dit voorstel te blokkeren, werd op 6 juli echter weggestemd. Waarmee het besluit definitief is.

 

Gevolg is dat vanaf 1 januari 2023 investeringen in aardgasgestookte centrales die in de plaats komen van kolencentrales, duurzaam genoemd mogen worden onder de EU-taxonomie, net zoals investeringen in nieuwe of bestaande kerncentrales, waarbij voor kerncentrales de belangrijkste beperking is dat er een strenge eis is voor de opslag van het kernafval.

 

Ga je in detail naar de voorwaarden kijken, dan zijn ze op verschillende manieren afwijkend van de criteria die voor alle andere duurzame economische activiteiten zijn gehanteerd. Lidstaten die investeringen in aardgascentrales duurzaam willen maken, zullen kolencentrales moeten sluiten. Voor zover bekend is Polen dat bijvoorbeeld niet van plan. En zelfs wanneer je van plan bent over nieuwe kerncentrales na te denken, is het moeilijk om deze onder de duurzame categorie te brengen. De nieuwe regels schrijven namelijk onder andere voor dat een Lidstaat dan per 2050 een eindberging voor hoogradioactief afval gerealiseerd moet hebben. Nederlands beleid is om te werken met tijdelijke opslag en een eindberging pas uiterlijk 2130 te realiseren. Frankrijk en één of twee Scandinavische landen voldoen voor kernenergie wél aan alle eisen van het nieuwe besluit. Het is niet zo waarschijnlijk dat andere Lidstaten dit snel genoeg voor elkaar kunnen krijgen. De praktische betekenis van tijdelijke erkenning van aardgas en kernenergie is dus mogelijk maar beperkt.

 

Het is belangrijk om te onderkennen dat al begin vorig jaar, en dus ver vóór de oorlog in de Oekraïne, duidelijk was dat de Lidstaten van de EU erg van mening verschilden over de vraag in hoeverre en voor hoe lang kernenergie en aardgas een rol moeten blijven spelen. Vooral Frankrijk hamert erop dat kernenergie geen CO2-uitstoot veroorzaakt, terwijl Duitsland bezig was om geheel uit kernenergie te gaan. Omdat het aantal landen dat Frankrijk bijviel vrij klein was, is er vanuit Frankrijk en de Europese Commissie gedacht over verbreding van het issue om meer steun te verwerven. Dat is gevonden met het verhaal dat vervanging van kolen door aardgas goed zou zijn, zeker wanneer nieuwe aardgasinstallaties straks geschikt gemaakt worden voor waterstof. Hiermee begon het Duitse standpunt te wiebelen en waren Oost-Europese Lidstaten bereid mee te gaan in de richting van kernenergie. Het is denkbaar dat de Commissie met haar voorstel president Macron wilde steunen, vlak voor de recente presidentsverkiezingen, uit vrees voor een overwinning van één van de Euro-sceptische kandidaten.

 

Een cynische kijk op de uitvoeringsregeling bij de taxonomieverordening kan dan ook zijn dat deze grotendeels van politiek symbolische waarde is. En dat is in zichzelf al bezwaarlijk, ook al zijn de praktische gevolgen niet zo groot. Het is juist dit punt waar de Nederlandse pensioensector in de aanloop naar het besluit diverse keren op heeft gehamerd. De sector heeft er begrip voor dat in het kader van de klimaattransitie mogelijk nog tussenstappen genomen moeten worden, waarbij je een economische activiteit eerst minder schadelijk maakt dan deze nu is, om pas later tot klimaatneutraal te komen. Daarvoor zou best een ‘oranje’ of ‘amber’-categorie ingevoerd mogen worden, maar het is verwarrend om dat soort nog-niet-helemaal duurzame activiteiten, ook duurzaam te gaan noemen. Zeker omdat je weet dat je daar binnen enkele decennia weer van af moet.

 

Het nut van een taxonomie waarin vastgelegd wordt welke economische activiteiten als duurzaam beschouwd kunnen worden, berust allereerst op een solide wetenschappelijke onderbouwing. Maar daarnaast ook op een brede aanvaardbaarheid voor een grote groep van stakeholders van de uiteindelijke indeling. Gegeven het grote verzet van een hele reeks van NGO’s en de verdeeldheid in het Europees Parlement (en eigenlijk ook tussen Lidstaten – waarover zo meer), is duidelijk dat hier schade aan de geloofwaardigheid van de taxonomie als instrument is toegebracht.

 

NGO’s Greenpeace en ClientEarth overwegen het starten van een juridische procedure tegen de EU. En Luxemburg en Oostenrijk hebben zelfs al aangekondigd zo’n procedure bij het Europese Hof van Justitie te beginnen. Het is positief wanneer er inderdaad een toetsing door de Europese rechter komt. In het bijzonder lijkt mij de vraag belangrijk of de aanvullende uitvoeringsregeling van de Commissie wel binnen de bevoegdheden is gebleven die ze onder de taxonomieverordening kreeg toevertrouwd, of dat hier eigenlijk echte wetgeving en dus positieve besluiten van Raad en Parlement nodig zouden zijn geweest. Overigens: die positieve meerderheid bestaat waarschijnlijk niet in de Raad.

 

Ondertussen is wel belangrijk om nu ook weer niet het kind (de taxonomie) met het badwater weg te gaan gooien. Institutionele beleggers zoals Nederlandse pensioenfondsen en pensioenuitvoerders blijven behoefte hebben aan een onomstreden taal om met stakeholders over duurzame investeringen te spreken. De uitvoeringsregeling schrijft voor dat er in rapportages over duurzame beleggingen apart aangegeven moet worden welk deel van deze duurzame beleggingen ziet op aardgas en kernenergie. Het blijft dus mogelijk om ook naar betrouwbare cijfers zonder aardgas en kernenergie te kijken.

 

En nog principiëler geldt dat de taxonomie de beleggingsvrijheid van institutionele beleggers niet aantast. Wanneer de taxonomieverordening een economische activiteit juist duurzaam vindt, hoeft een institutionele belegger daar toch nog niet in te beleggen. Dat is logisch omdat natuurlijk ook nog de klassieke overwegingen van risico, rendement en kosten een rol spelen. En in het geval van aardgas en kernenergie, dat je van mening mag zijn dat de taxonomieverordening de lat te laag legt. Als een economische activiteit volgens de taxonomie niet duurzaam is, mag een institutionele daar ook in de toekomst nog in beleggen. Dat kan ook moeilijk anders, nu het overgrote deel van de economie nog niet duurzaam genoeg is om aan de eisen van de taxonomieverordening te voldoen. Wat overigens níet mag: iets duurzaam noemen wat dat volgens de taxonomie-verordening niet is. De verwachting is dat institutionele beleggers en hun klanten zelf gaan sturen op duurzaamheid, naast eerdergenoemde klassieke overwegingen van risico, rendement en kosten.

 

Ik vind het jammer dat dit besluit tot stand is gekomen. Tegelijkertijd gaat het gelukkig geen verschil maken voor institutionele beleggers die willen desinvesteren uit fossiele brandstoffen, met inbegrip van aardgas. Het lelijke element dat dankzij de Commissie aan de taxonomie is toegevoegd, hoeft ook een betere dialoog met stakeholders niet in de weg te zitten. Het blijft immers zichtbaar in hoeverre er eventueel kernenergie en aardgas schuilen onder de volgens de taxonomieverordening duurzame beleggingen. Wel zou er nu op ingezet moeten worden om dit soort politiek ingrijpen in de taxonomie óf te voorkomen óf slechts toe te laten met expliciete instemming van Raad en Parlement.

 

Volgende publicatie:
Zijn belastingen in de strijd tegen klimaatverandering wel effectief?

Zijn belastingen in de strijd tegen klimaatverandering wel effectief?

Gepubliceerd op: 7 juli 2022

Actuele kwesties op het gebied van economie, (verantwoord) beleggen, pensioen en inkomen: iedere week geeft een expert van APG een helder antwoord op de vraag van de week.

Deze keer: Johan Barnard, Head International Public Affairs, over de vraag of belastingprikkels effectief zijn in de strijd tegen klimaatverandering. “Als brandstofprijzen langdurig hoog blijven, gaan mensen toch op zoek naar manieren om de kosten te drukken.”

Begin juli 2022 maakte de overheid bekend dat automobilisten vanaf 2030 gaan betalen per gereden kilometer, in plaats van een vast bedrag voor het bezit van een auto – zoals nu met de motorrijtuigenbelasting het geval is. Het is één van de manieren waarop een belasting kan worden ingezet om gedrag te stimuleren dat zorgt voor minder CO2-uitstoot. En zo zijn er meer knoppen waaraan de overheid kan draaien: de brandstofaccijnzen, de aanschafbelasting (BPM), de motorrijtuigenbelasting, het maximumbedrag voor een onbelaste kilometervergoeding voor werknemer en de fiscale bijtelling voor leaseauto’s.

De vraag dient zich aan: hoe succesvol is dat soort maatregelen eigenlijk?

Tabak
Volgens Barnard is dat onder andere afhankelijk van de prijselasticiteit van de vraag: de mate waarin de vraag reageert op een prijsverandering. “Bij een elastische vraag reageert de vraag in grote mate op een prijswijziging, bij een inelastische vraag is dat effect relatief gering. Dat laatste geldt bijvoorbeeld voor tabak. Bij autobrandstoffen is de vraag op korte termijn ook inelastisch. Omdat olie nu heel duur is, zijn benzine en diesel dat ook. Toch zie je nu niet veel minder auto's op de weg. Maar als brandstofprijzen langdurig zo hoog blijven, gaan mensen toch op zoek naar manieren om de kosten te drukken. Bijvoorbeeld door kleinere, zuinigere auto’s te rijden of een tweede auto de deur uit te doen. Op de lange termijn kan verhoging van de accijnzen op brandstoffen dus een effectief middel zijn om CO2-uitstoot te reduceren.”

Maar de knop van de brandstofaccijnsverhoging kent ook haken en ogen, zegt Barnard. Bijvoorbeeld de grenseffecten. “In de grensstreek kunnen mensen in België of Duitsland tanken als het daar goedkoper is. Er is ooit geprobeerd om dat effect weg te nemen via een subsidieregeling voor pomphouders aan de grens. Die poging is echter gestrand omdat het meer subsidie vereiste dan onder Europese staatssteunregels is toegestaan.”

Vingers branden
Bovendien branden veel politici hun vingers liever niet aan een verhoging van de brandstofaccijnzen. “De regering heeft nu juist gegrepen naar een tijdelijke accijnsverlaging. Politiek gezien is dat verklaarbaar, maar het wringt natuurlijk wel met de doelen van de klimaattransitie.”

Ook de BPM – een belasting op de aankoop van een nieuwe auto of motor – wordt ingezet als middel om onze uitstoot te verminderen. Zo wordt op elektrische auto’s geen BPM geheven en is de BPM voor een voertuig met een lage CO2-uitstoot per kilometer lager dan voor een voertuig met een hogere uitstoot per kilometer. Toch zou ook verlaging of afschaffing van de BPM in het belang van het klimaat kunnen uitpakken, zegt Barnard. “Het voordeel van een verlaging of afschaffing van de BPM is dat nieuwe auto's goedkoper worden, waardoor het mensen makkelijker wordt gemaakt om sneller over te stappen op een zuinigere auto. De keerzijde is echter dat de overheid daarmee een instrument verliest waarmee ze de aanschaf van elektrische auto’s kan stimuleren, omdat het verschil in BPM met brandstofauto’s wegvalt.”

Niet geprikkeld
Barnard denkt dat naast rekeningrijden nog andere maatregelen nodig zijn. Hij schetst alternatieve mogelijkheden, waarin met een mix van verschillende bestaande fiscale instrumenten meer gericht wordt gestuurd op uitstootreductie. “Er wordt nu alleen naar de motorrijtuigenbelasting gekeken. Die wordt afgeschaft en daarvoor komt rekeningrijden in de plaats. Maar als het echt om uitstootreductie gaat, zijn er ook mogelijkheden om je doel te bereiken via een combinatie van met name accijnsverhoging, een andere fiscale behandeling van leaseauto’s en verhoging van de maximale belastingvrije vergoeding voor woon-werkverkeer.

De leaserijder wordt nu niet geprikkeld om minder kilometers te maken. Terwijl de maximale vergoeding voor woonwerkkilometers al jaren niet toereikend is om de kosten van dat autogebruik te dekken. Rekeningrijden kun je in klimaatopzicht effectiever maken door kilometers met een schone auto minder te belasten dan kilometers met een relatief vervuilende auto. Daarnaast kun je het als instrument gebruiken tegen files, door kilometerbeprijzing afhankelijk te maken van waar en wanneer die kilometers gemaakt worden.”

Kwetsbaar
Als het gaat om uitstootreductie via belastingen, kun je ook niet om de lucht- en zeevaartsector heen. Zo is vliegtuigkerosine nu accijnsvrij. Barnard: “Daarover zijn afspraken gemaakt in internationale verdragen, waarop luchtvaartmaatschappijen zich beroepen. Als je kerosineaccijns wilt invoeren, vergt dat in ieder geval Europese en mogelijk nog bredere internationale afstemming. De grote vliegvelden concurreren namelijk met elkaar en geen land wil zijn eigen vliegvelden op achterstand zetten ten opzichte van concurrenten. Als de EU-landen afspreken om kerosineaccijns in te voeren, worden de vliegvelden uit deze landen kwetsbaar voor concurrentie van Heathrow Airport en van Zürich Airport. Die kwetsbaarheid geldt met name voor een vliegveld als Schiphol, dat net als Heathrow en Zürich een businessmodel heeft dat gebaseerd is op een hub-functie tussen trans-Atlantische vluchten en korte afstandsvluchten binnen Europa.”

Ook verhoging van de vliegtaks of BTW-heffing op tickets kan bijdragen aan uitstootreductie, zegt Barnard. “De vliegtaks zou dan wel zodanig verhoogd moeten worden dat er voor bepaalde afstanden een gelijk speelveld ontstaat voor vliegtuig en trein. Dat is nu nog zeker niet het geval. De overheid zou overigens ook nog een tariefsverhoging voor de landingsrechten voor Schiphol kunnen inzetten. Schiphol is immers een overheidsbedrijf.”

Bevoorrechte positie
Net als de luchtvaartsector geniet ook de zeevaartsector een bevoorrechte positie: de brandstof, meestal diesel, is onbelast. “De argumenten daarvoor zijn vergelijkbaar met de redenen waarom vliegtuigbrandstof accijnsvrij is. Maar in de zeevaart springt één element in negatieve zin in het oog. Omdat walstroom wél wordt belast, laten schepen in de haven hun dieselmotoren lopen om in hun stroombehoefte te voorzien. Het gevolg daarvan is dat de uitstoot van één enkel cruiseschip in de haven van Rotterdam of Amsterdam hoger is dan de uitstootreductie die daar in dezelfde tijdsperiode is gerealiseerd door de invoering van lage emissiezones. Zo is het dweilen met de kraan open. Om dat soort perverse effecten te vermijden, moet je dus ook in de zeevaart iets doen aan die fiscale uitzonderingspositie.”

Samengevat: belastingen kunnen in de strijd tegen klimaatverandering een effectief middel zijn als je alle vervoerssectoren op een gelijke manier behandelt en via een mix van fiscale instrumenten gerichte prikkels geeft.

Volgende publicatie:
Leveren overstappers op Schiphol de Nederlandse economie eigenlijk wel zoveel op?

Leveren overstappers op Schiphol de Nederlandse economie eigenlijk wel zoveel op?

Gepubliceerd op: 23 juni 2022

Actuele kwesties op het gebied van economie, (verantwoord) beleggen, pensioen en inkomen: iedere week geeft een expert van APG een helder antwoord op de vraag van de week. Deze keer: Thijs Knaap, chief economist bij APG, over wat de veelbesproken hubfunctie van Schiphol de Nederlandse economie oplevert.

Personeelstekorten, lange wachtrijen, het schrappen van vluchten. De laatste tijd is Schiphol weer vaak in het nieuws. Punt van discussie hierbij is of de luchthaven een hubfunctie moet vervullen. Een aanzienlijk deel van de passagiers heeft Schiphol namelijk niet als begin- of eindbestemming, maar stapt er alleen over. In 2019 gold dat voor meer dan een derde van de 71 miljoen passagiers die Schiphol aandeden. Leveren al die overstappers Nederland wel zoveel op?

Netwerkeffect
Volgens Knaap zijn hierbij twee punten van belang. “Het eerste zijn de transportkosten, daarmee bedoel ik hoeveel het kost om van Nederland naar een buitenlandse bestemming te reizen en omgekeerd. Als een land een grote luchthaven heeft, zoals Nederland met Schiphol, dan zijn de transportkosten naar dat land laag omdat de kans groot is dat er een directe verbinding is, en verschillende maatschappijen met elkaar concurreren. Goede bereikbaarheid is economisch gezien een voordeel. Het tweede punt zijn de zogeheten netwerkeffecten. Door dat netwerkeffect kan een stad of land activiteiten naar zich toe trekken. Als jij ergens het eerste of belangrijkste bedrijf bent, dan komt de rest naar jou toe. Aan de overstappers zelf valt niet veel te verdienen, maar de hubfunctie zorgt er wel voor dat veel vliegtuigen via Schiphol gaan, waardoor we als land goed bereikbaar zijn. Door dat netwerkeffect vestigen meer bedrijven zich in Nederland en krijgen we nog meer groei. Als je dat nastreeft, zijn goede verbindingen van belang.”

Doel
Het is lastig te zeggen wat zo’n hubfunctie in directe zin oplevert, stelt Knaap. “De paar tientjes die je per overstappende passagier verdient, gaan het verschil niet maken. Je kunt zeggen dat de bereikbaarheid de opbrengst is, die uiteindelijk terechtkomt bij bijvoorbeeld bedrijven die daar profijt van hebben, bij de Nederlandse vakantieganger die makkelijk en snel naar het buitenland vliegt en bij de overheid via extra belastinginkomsten. Een deel van die opbrengst zit in de toename van welvaart, en dat is moeilijk meetbaar. En dan komen we bij het punt dat de vele vluchten van en naar Schiphol ook zorgen voor milieuvervuiling en geluidsoverlast. Die argumenten worden met name genoemd als het om de overstappers op Schiphol gaat, omdat die geen geld opleveren voor de Nederlandse economie. Daarom stellen veel mensen zich de vraag: ‘Wat is dan het nut van de hubfunctie? Maar het doel zijn niet de overstappers, maar het feit dat het vliegtuig naar Amsterdam gaat. Dat een vliegtuig uit Amerika of Azië in Amsterdam aankomt, maakt de transportkosten, waar het allemaal om gaat, voor Nederland lager.”


De overwegingen voor en tegen een hubfunctie veranderen wel door de tijd heen, zegt Knaap. “Dertig jaar geleden was de teneur: ‘nog een landingsbaan erbij’. Het argument dat voorheen werd gebruikt om Schiphol te laten groeien, meer werkgelegenheid, is nu minder sterk omdat er banen genoeg zijn in Nederland. Tegelijkertijd is er woningnood en ook meer aandacht voor de milieuvervuiling en geluidsoverlast van Schiphol. Dat zie je ook terug in de discussie, waar de teneur nu is: laat Schiphol maar krimpen.”

 

Evenwicht
De miljoenen overstappers op Schiphol leveren de Nederlandse economie dus niet direct iets op. Wel zorgt de hubfunctie voor lage transportkosten en een mogelijk netwerkeffect, voordelen die lastig kwantificeerbaar zijn. Een evenwicht tussen de wens om de hubfunctie te behouden en tegelijkertijd het aantal vluchten te verminderen is volgens Knaap lastig. “Het is niet zo dat als je 50 procent van de vluchten schrapt, je dan nog de helft van je hub overhoudt. Dan heb je geen hub meer, want je hebt een minimaal aantal overstapvluchten nodig. Maar het blijft gokken hoeveel vluchten noodzakelijk zijn voor het behoud van de hubfunctie.”

 

Volgende publicatie:
Thijs Knaap bij BNR’s Big Five over hogere rente

Thijs Knaap bij BNR’s Big Five over hogere rente

Gepubliceerd op: 13 juni 2022

Donderdag kondigde de Europese Centrale Bank de eerste renteverhoging in 11 jaar aan. APG’s Chief Economist Thijs Knaap sprak er maandag over in het radioprogramma BNR’s Big Five.  

De hogere rente betekent in ieder geval dat de dekkingsgraad van pensioenfondsen stijgt. “Dat laat meer ruimte om de pensioenen te verhogen,” zegt Knaap in gesprek met presentator Paul van Liempt. Vraag is wel of dat voldoende zoden aan de dijk zet, want gepensioneerden hebben te maken met stijgende prijzen. “Op het moment dat de dekkingsgraad lang genoeg hoog blijft, zullen ook de pensioenen stijgen. Heffen de stijgende prijzen en de stijgende pensioenen elkaar dan helemaal op? Als het goed is wel, al hangt het er ook van af bij welk pensioenfonds je zit,” aldus Knaap. Hij wijst erop dat het pensioenstelsel erop is gericht een goed reëel pensioen te bieden, dat wil zeggen dat de koopkracht van het pensioen zoveel mogelijk behouden blijft. “Dat systeem lijkt te werken, want we zien de dekkingsgraden nu heel snel stijgen.”

Voorzichtigheid
In vergelijking met andere grote centrale banken komt ECB-voorzitter Christine Lagarde vrij laat met de aankondiging om de rente te verhogen. Knaap heeft wel begrip voor die voorzichtigheid. De economie is niet meer dezelfde als die van 11 jaar geleden, “en je kunt niet goed weten wat de uitwerking van de renteverhoging is totdat je het doet. Dan is het heel verstandig om eerst de rente een klein beetje te verhogen om te zien of het misschien grote gevolgen heeft.” Anders dan de Amerikaanse Fed, die de inflatie moet beteugelen en eventuele werkloosheid bestrijden, heeft de ECB maar één expliciet doel: het prijspeil bewaken. Toch hebben ze volgens Knaap in Frankfurt een soort schaduwdoel en dat is om bij het beteugelen van de inflatie de economie niet te veel schade te berokkenen.

Luister hier de hele uitzending. Lees ook ‘Vijf vragen over de aangekondigde renteverhoging door de ECB.’

Volgende publicatie:
Vijf vragen over de aangekondigde renteverhoging door de ECB

Vijf vragen over de aangekondigde renteverhoging door de ECB

Gepubliceerd op: 10 juni 2022

De Europese Centrale Bank (ECB) kondigde donderdag aan de rente volgende maand te verhogen. Het is de eerste keer sinds elf jaar dat dit gebeurt. Doel is om de hoge inflatie te beteugelen. Vijf vragen aan APG’s Chief Economist Thijs Knaap en Senior Strateeg Charles Kalshoven.

 

Komt de ECB hier niet wat laat mee?

“Achteraf gezien zeker. De inflatie is al sinds vorige zomer veel te hoog. Natuurlijk was het niet onredelijk van de ECB om aanvankelijk in te schatten dat de inflatie weer snel zou dalen. Veel inflatie had te maken met opstartproblemen na alle lockdowns. Maar ja, daar is nu Oekraïne bijgekomen, met een grote impact op energie- en voedselprijzen. Ook kwamen er nieuwe lockdowns in een aantal grote productiecentra in China. Duidelijk is dat de inflatie dus langer hoog blijft. Andere centrale banken grepen al eerder in (zoals de VS en het VK) maar je kunt argumenteren dat de inflatie in de Eurozone tot dusver het gevolg was van schokken van buiten, waar de ECB niet veel aan kan doen.”

 

Waarom gaat de ECB nu wel overstag en eerder niet?

“Zelf heeft president Christine Lagarde eerder aangegeven dat de ECB in het derde kwartaal zou stoppen met het opkopen van obligaties. En dat renteverhogingen pas daarna zouden komen. Om onrust te voorkomen wilde de ECB voorspelbaar zijn en de markt niet verrassen. Nadeel van dat late ingrijpen is wel dat het rentepad hierna wat sneller omhoog gaat. Lagarde hintte erop dat na een kwart procentpunt verhoging in juli, de rente in september met een half procentpunt zou kunnen stijgen.” 

 

Valt er iets te zeggen over hoe lang een renteverhoging nodig is om de inflatie terug te brengen naar de gewenste 2 procent?

“Zelf heeft de ECB het altijd over een doorwerking van rentestappen die ‘lang en variabel’ is, anderhalf à twee jaar. Maar dit zijn nu pas de eerste stappen. De verwachting is dat de inflatie dit en volgend jaar zeker hoog blijft. Zelf denkt de ECB dat de inflatie in 2024 weer terug is op 2,1%. De marktverwachtingen op basis van verhandelde inflatie zitten daar wel wat boven. Waar we met de rente uitkomen als de inflatie stabiel is, staat onder economen bekend als de neutral rate. In een recent bericht op de site van de ECB geeft Lagarde aan dat ze ervan uitgaat dat de ECB langzaam naar deze neutrale rente toe beweegt. Maar tegelijkertijd geeft ze aan dat niemand weet hoe hoog deze rente precies is. Veel valt er dus niet over te zeggen.”

 

Is deze greep voldoende om de inflatie terug te brengen?

“Er zal wat meer voor nodig zijn dan alleen de aangekondigde rentestappen van juli en september. De ECB heeft het zelf ook over het begin van een traject. Het is wel zo dat de ECB hulp kan krijgen uit een aantal hoeken. Een recessie zou de lonen en energieprijzen drukken. Prettiger – en minder waarschijnlijk – zou zijn: ontspanning op de oliemarkt door snelle vrede in Oekraïne. Wat ook nog kan is dat overheden zich met prijzen gaan bemoeien. Denk aan subsidies of maximumprijzen. Dat werkt economisch behoorlijk verstorend, dus laten we hopen dat deze wapens niet teveel worden ingezet. Uiteindelijk heb je ook wat tijd nodig om de inflatie uit je systeem te werken.” 

 

Het is de eerste renteverhoging van de ECB sinds elf jaar. Hoe uniek is dit?

“Vooral wat je in de achteruitkijkspiegel ziet is uniek. We hebben tien jaar achter de rug waarin de ECB-rente nul of negatief was. Dat laatste kon helemaal niet volgens de economische tekstboeken. Mario Draghi was acht jaar voorzitter van de ECB maar verhoogde nooit de rente. Zijn opvolger dus waarschijnlijk wel. We gaan nu eindelijk weer normaal doen. Geld lenen gaat weer geld kosten, geld stallen gaat weer wat opleveren.”

Volgende publicatie:
Wat gaan we er in Nederland van merken dat Rusland de gasleveranties stopzet?

Wat gaan we er in Nederland van merken dat Rusland de gasleveranties stopzet?

Gepubliceerd op: 9 juni 2022

Actuele kwesties op het gebied van economie, (verantwoord) beleggen, pensioen en inkomen: iedere week geeft een expert van APG een helder antwoord op de vraag van de week. Deze keer: Marco van Eijkelenburg, Senior Portfoliomanager Commodities, over de vraag wat Nederland ervan gaat merken dat het Russische Gazprom geen gas meer levert aan het Nederlandse GasTerra.

 

De reden dat het Russische staatgasbedrijf vanaf 1 juni niet meer levert aan de Nederlandse gasgroothandelaar is dat die de rekening niet wil voldoen in roebels, iets dat president Poetin eist. Polen, Bulgarije en Finland kregen al eerder te maken met de Russische strafmaatregel. Volgens klimaatminister Rob Jetten zal het besluit van Gazprom geen gevolgen hebben voor de Nederlandse huishoudens. Toch is niet iedereen daar gerust op. Zo waarschuwde de Mijnraad, een onafhankelijk adviesorgaan van de regering, dat een gastekort “zeer grote maatschappelijke gevolgen” kan hebben. Ook het Internationaal energieagentschap IEA waarschuwt voor een energierantsoen.

Alternatieven
Marco van Eijkelenburg wijst erop dat GasTerra al alternatieven heeft voor het Russische gas. “Ik denk dan ook niet dat deze actie van Gazprom veel gevolgen zal hebben voor de Nederlandse gasvoorraad, al zal GasTerra voor die alternatieven wel wat meer moeten betalen dan voor het gas uit Rusland. Nederland heeft met zijn gasrotonde (knooppunt van infrastructuur voor transport en opslag van aardgas, red.) een gunstige positie wat betreft de aanvoer van gas. Als direct gevolg van de Russische invasie in Oekraïne zal de komende maanden de capaciteit om vloeibaar aardgas (LNG) te importeren versneld worden opgeschaald. Gasunie, het overheidsbedrijf dat de zorg draagt voor het Nederlandse aardgastransport, heeft twee drijvende LNG-installaties gehuurd om de nieuwe LNG-terminal in de Eemshaven uit te breiden.”

Deze terminal zal met een jaarlijkse capaciteit van 8 miljard kubieke meter een belangrijke aanvoerlijn worden, legt Van Eijkelenburg verder uit. “In Nederland gebruiken we ongeveer 40 miljard kubieke meter aardgas per jaar, waarvan zo’n 15% uit Rusland komt. Indien nodig is er altijd het gasveld onder Groningen nog, al ligt dat politiek gevoelig. Mocht er komende winter toch een tekort aan gas zijn, dan zal de regering industriële grootverbruikers van gas het eerst afschakelen zodat de leverzekerheid voor huishoudens en specifieke essentiële sociale diensten zoals ziekenhuizen kan worden gewaarborgd. De Nederlandse consument hoeft zich dus geen zorgen te maken over de leverzekerheid, wel om de gasprijs. Zeker wanneer er sprake is van een variabel contract en een koude winter.”

Die onzekerheid over toekomstige gasleveringen voelen we nu al in de prijs

Die hogere prijs wordt echter niet specifiek veroorzaakt doordat Gazprom de levering aan GasTerra heeft stopgezet, benadrukt Van Eijkelenburg. “De stijgende kosten van gas hebben meer te maken met het feit dat de gehele gasaanvoer vanuit Rusland vermindert, deels doordat Europese landen van het Russische gas af willen en deels doordat Rusland betalingen in roebels eist. De ontwikkelingen rondom GasTerra en Gazprom zijn dus onderdeel van een bredere trend die gaande is en een hoop onzekerheid met zich meebrengt. En die onzekerheid over toekomstige gasleveringen voelen we nu al in de prijs. Zowel direct in de gasprijs als indirect in de prijzen van goederen. Als de situatie in Oekraïne verder escaleert met alle gevolgen van dien voor Russische gasleveringen aan Europa, dan kan de gasprijs nog verder stijgen. Het kan echter ook zo zijn dat Gazprom nog meer leveranties stopt, maar er toch een prijsdaling volgt. Simpelweg omdat de huidige prijs al rekening houdt met een negatief toekomstscenario.”

Gasvoorraad
De relatief hoge prijs die we nu betalen voor gas komt dus deels doordat de toekomstige onzekerheid al is ingeprijsd. Opvallend is dat de Nederlandse gasvoorraden voor minder dan 40 procent zijn gevuld. De overheid wil die aanvullen tot 70 procent, maar de Mijnraad adviseert tot 100 procent te gaan. Volgens Van Eijkelenburg is het inderdaad verstandig om de komende maanden de Nederlandse gasvoorraden al zo veel mogelijk aan te vullen voordat de winter van start gaat. “Je moet rekening houden met het meest ongunstige scenario waarbij meer Russische  gasleveranties naar Europa op korte termijn worden stopgezet en dat we te maken krijgen met een koude winter. Als je nu de mogelijkheid hebt om je daar zo goed mogelijk op voor te bereiden, dan moet je dat doen. Europa zal de komende jaren alleen maar minder Russisch gas gaan importeren, dus het extra ingekochte aardgas zal hoe dan ook goed van pas komen.”

Dat Gazprom is gestopt met het leveren van gas aan GasTerra moeten we vooral zien als een kleine stap in de grotere beweging om van het Russische gas af te komen. “Zo’n plotselinge boycot is per definitie een disruptief proces en gaat nooit geleidelijk. Hierdoor neemt de voorspelbaarheid van vraag en aanbod af en stijgen de prijzen door de toegenomen onzekerheid. Maar de levering van gas aan consumenten komt niet in gevaar, mede door de versnelde uitbreiding van de Nederlandse capaciteit om vloeibaar gas te importeren.”

Volgende publicatie:
Wat betekent de duurdere dollar voor de Nederlandse consument?

Wat betekent de duurdere dollar voor de Nederlandse consument?

Gepubliceerd op: 25 mei 2022

Actuele kwesties op het gebied van economie, (verantwoord) beleggen, pensioen en inkomen: iedere week geeft een expert van APG een helder antwoord op de vraag van de week. Deze keer: Thijs Knaap, chief economist bij APG, over de gevolgen van de duurdere dollar voor de Nederlandse consument.

Begin 2021 kreeg je voor één euro 1,22 dollar. Begin dit jaar was dat nog 1,14 dollar en nu is de koers van de euro gedaald naar zo’n 1,07. De euro is daarmee nog iets meer waard dan de Amerikaanse munt, maar het scheelt niet veel meer. Net na de introductie van de euro, begin deze eeuw, was de dollar voor het laatst sterker dan de Europese munt. Toen kreeg je een schamele 83 dollarcent voor je euro. Rond de kredietcrisis van 2008 was de euro daarentegen weer heel sterk en kreeg je er 1,60 dollar voor. De wisselkoers fluctueert dus behoorlijk. Welke factoren spelen daarbij een rol? En wat merkt de Nederlandse consument van de duurdere dollar?

Duurdere vakanties
Bij een wisselkoers zijn drie zaken van belang, legt Knaap uit. “Met het eerste komt de Nederlandse consument direct in aanraking. Dat is namelijk dat Amerikaanse producten die je in dollars moet afrekenen, bijvoorbeeld op internet, duurder worden. Ook vakanties naar Amerika worden prijziger.” Daarnaast is er een indirect gevolg. “Zeer in het algemeen kun je zeggen dat er twee grote economische blokken zijn die op de wereldmarkt concurreren: Amerika en Europa. Onze macht als Europa om producten zoals bijvoorbeeld benzine op de wereldmarkt te kopen voor een voordelige prijs, hangt erg af van wat de euro waard is ten opzichte van de dollar. Nu de euro zwakker is, moeten we op de wereldmarkt opbieden tegen de sterkere dollar. Dat leidt ertoe dat producten voor ons momenteel sneller duurder worden dan voor Amerikanen.”

Het tweede aspect dat een rol speelt bij de wisselkoers, zijn de financiële markten. “Er is altijd behoefte om overtollig geld ergens ter wereld weg te zetten, bijvoorbeeld op een bank of door een staatsobligatie te kopen. Dan is het belangrijk wat de rente is, en die is nu vrij hoog in Amerika en vrij laag in Europa. Dus is het aantrekkelijker om geld weg te zetten in Amerika, waardoor de vraag naar dollars toeneemt en die munt duurder wordt. De huidige hoge rente in de VS is dan ook de grootste aanleiding voor de sterke dollar. Want hoewel de wereldwijde goederenstromen groot zijn, zijn de financiële stromen nog veel groter. Die hebben dus de grootste invloed op de dollarkoers. Als de Europese Centrale Bank de rente nu verhoogt, zal de euro wel wat sterker worden, maar dat werkt niet één op één door. Financiële markten houden ook rekening met verwachtingen over de Amerikaanse en Europese economie. De Europese is toch wat zwakker, bijvoorbeeld door de oorlog in Oekraïne. De stijging van de Amerikaanse rente zal daardoor sterker zijn dan in de eurozone.”  

Volgend jaar kan de dollar best nog sterker zijn dan die nu is

Veilige haven
Dat de dollar nog steeds als een veilige haven wordt gezien, is de derde factor die van invloed is op de wisselkoers. “Altijd als er ergens ellende is in de wereld, zoals nu de oorlog in Oekraïne, worden beleggers bang en brengen ze hun geld naar de VS en kopen dollars. Dat doen ze omdat ze door schade en schande hebben geleerd dat ten tijde van ellende de dollar in waarde stijgt. Er is wel discussie of de VS de status van veilige haven ooit kwijtraken. Zo is er soms aanleiding om je af te vragen of Amerika wel zo veilig is voor beleggers, denk bijvoorbeeld aan de periode onder president Trump. Maar voorlopig hoeft Washington zich geen zorgen te maken. Kijk maar naar begin dit jaar: Rusland valt een land binnen en hup, al het geld gaat naar de VS.”

Er is ook een reden om blij te zijn met een goedkope munt. Europese producten zijn nu namelijk goedkoper op de wereldmarkt en zullen daarom ook meer worden verkocht, wat bijvoorbeeld weer kan leiden tot meer werkgelegenheid. In die zin kunnen Europeanen indirect voordeel hebben bij een goedkope Europese munt. Dat geldt ook voor Nederland, al kan extra werkgelegenheid er momenteel ook toe leiden dat de krapte op de arbeidsmarkt verder toeneemt. “Ondanks dat een groot gedeelte van onze export binnen de eurozone blijft, speelt handel met niet-eurolanden nog steeds een grote rol in de Nederlandse economie. Een goedkope euro is daarom niet alleen goed voor de export van Duitse en Franse auto’s of Italiaanse mode, maar ook voor Nederlandse exporteurs.”

Lange termijn
Mogelijk extra werkgelegenheid dus voor Nederland, maar ook duurdere Amerikaanse producten en vakanties. Die worden pas weer goedkoper als de koers van de euro weer stijgt. Wat is daarvoor nodig? “Op korte termijn een hogere rente,” aldus Knaap. “Op lange termijn gaat het vanzelf: de goedkopere euro leidt tot zoveel handel dat de vraag naar euro’s toeneemt en de vraag naar dollars afneemt. Een einde aan de oorlog in Oekraïne zal ook zorgen voor een sterkere euro.” Voorlopig blijft de Amerikaanse munt nog wel sterk, verwacht Knaap. “Men is in Amerika echt bezig de rente te verhogen, dat zal de dollar verder stutten. Ik durf wel te zeggen dat de dollar over vijf jaar een stuk zwakker zal zijn, maar volgend jaar kan die best nog sterker zijn dan die nu is.” Voorlopig blijven Amerikaanse producten en vakanties dus relatief duur voor de Nederlandse consument.

Volgende publicatie:
Is de angst voor een recessie terecht?

Is de angst voor een recessie terecht?

Gepubliceerd op: 12 mei 2022

Actuele kwesties op het gebied van economie, (verantwoord) beleggen, pensioen en inkomen: iedere week geeft een expert van APG een helder antwoord op de vraag van de week. Deze keer: macro-econoom en senior strateeg Charles Kalshoven over de vraag of een angst voor een recessie terecht is.

 

Net na corona zagen we snel economisch herstel, maar nu verslechteren de vooruitzichten voor de wereldeconomie alweer. De oorlog in Oekraïne en de nieuwe coronagolf in China, waardoor de economie daar weer deels op slot is gegaan, drukken de groei. Daarnaast drijft de stokkende aanvoer van energie en onderdelen – of de angst daarvoor – ook de prijzen verder op. En de inflatie was al torenhoog. Centrale banken komen nu versneld in actie. De ene na de andere verhoogt de rente. Maar komen we daardoor niet in een recessie? Is de angst voor zo’n periode van economische krimp, met het risico van meer faillissementen, hogere werkloosheid en dalende belastinginkomsten, de reden dat aandelenkoersen nu dalen?

 

Beleggers
“Aan bijna elke recessie gaat een slechte aandelenmarkt vooraf. Maar je kunt het niet omdraaien. Niet elke bear market – 20% daling van de koersen – wordt gevolgd door een recessie. Het is vaak vals alarm,” stelt Kalshoven. “Als je kijkt naar de recente winstcijfers van bedrijven, dan zijn die redelijk binnen verwachting. Het is ook niet zo dat analisten negatiever zijn geworden over de winsten van volgend jaar. Dat wijst dus allemaal niet op een recessie. Dalende beurskoersen laten zich eerder verklaren door de rente. Bij een oplopende rente daalt de huidige waarde van toekomstige winsten. Wat zich weer doorvertaalt in lagere beurskoersen. Bij de waardering speelt ook onzekerheid een rol. Bijvoorbeeld over hoe het aantrekken van de monetaire teugels precies gaat uitpakken voor de economie. Lukt het de inflatie te beperken zonder al te veel bijkomende schade voor de groei? De Bank of England heeft bijvoorbeeld al gewaarschuwd dat de Britse economie later dit jaar in een recessie komt.”

Een normale recessie heb je nodig om ‘uit te zieken’ van excessen, maar dat is nu niet aan de hand

Economische schok
“Er zijn genoeg andere bronnen van onzekerheid. Zowel over ontwikkelingen zelf – zoals escalatie van de oorlog in Oekraïne of nieuwe lockdowns in het najaar – als over hun impact. Want er is zoveel gebeurd in de afgelopen jaren dat we ook niet meer zo zeker kunnen zijn of historische verbanden nog steeds opgaan. We komen nu natuurlijk uit de coronatijd, dat voor een unieke economische schok zorgde. Ook de reactie van centrale banken en overheden die alles uit de kast haalden om de ergste klappen op te vangen, was uniek. Vervolgens was corona voorbij en herstelde de economische vraag zich in één keer. Tijdens corona waren er allemaal gaten gevallen op de arbeidsmarkt door mensen die ander werk gingen zoeken, waardoor er nu een personeelstekort is. Dat is ook een economische schok waar we nu mee te maken hebben. En hier in het Westen duiken nu nieuwe omikronvarianten uit Zuid-Afrika op. De gevolgen daarvan lijken mee te vallen, maar al met al zijn er veel onzekerheden. Voorspellen is altijd al moeilijk, maar nu dus helemaal. Dat maakt het ook lastig om te zeggen of er een recessie komt.”

 

Excessen
Tot voor kort stonden alle economische seinen nog op groen. Betekent dit dat de gevolgen van een mogelijke recessie mee kunnen vallen? “Het zal geen recessie uit het boekje zijn. Een klassieke recessie is het resultaat van oververhitting. Een periode van optimisme leidt uiteindelijk tot uit de hand lopende kredietgroei waardoor dan vaak huizenprijzen en aandelenkoersen uit het lood raken. Als dan ook de lonen en prijzen te ver doorschieten, grijpen centrale banken in met renteverhogingen. Maar nu is het niet zo’n klassiek verhaal van excessen. Door corona heeft men geen geld kunnen uitgeven waardoor er veel spaargeld is. Ook was er veel overheidssteun, die bedrijven op de been hield. Je ziet nu wel veel personeelstekorten, waardoor ook nu de lonen oplopen, maar de oorzaak is toch anders. Door corona lagen hele sectoren stil, waardoor het personeel is weggelopen. Als de vraag dan in één klap van nul naar honderd gaat, ontstaan er natuurlijk problemen. Uiteindelijk zal zich dat oplossen en mogelijk met hogere lonen, maar dat maakt het geen klassieke loon-prijsspiraal. Een normale recessie heb je nodig om ‘uit te zieken’ van excessen, maar dat is nu niet aan de hand. Wat dat betreft verwacht ik niet dat het een hele lange, vervelende recessie gaat worden. Als die al komt.”

Volgende publicatie:
Thijs Knaap bij BNR over een veranderend economisch regime

Thijs Knaap bij BNR over een veranderend economisch regime

Gepubliceerd op: 11 mei 2022

“Op dit moment is er een verandering van economisch regime aan de hand.” Dat zegt APG’s Thijs Knaap in het programma Zakendoen op BNR Nieuwsradio, in reactie op de dalende koersen van zogenaamde ‘coronawinnaars’ als streamingsdiensten, maaltijdbezorgers en nu ook post- en pakketbezorger PostNL. “Een bedrijf dat het in het ene economische regime goed doet, doet het in het andere regime slecht. Dat is niet zo raar. De vraag die je dan als belegger hebt, is of het met alle bedrijven slecht gaat. Hoe is het gemiddelde? En ik kan tot mijn grote opluchting constateren dat het met het gemiddelde eigenlijk best goed gaat.” 

Knaap, chief economist bij APG, schuift geregeld aan bij het beleggerspanel van Zakendoen. In de uitzending van dinsdag gaat hij ook in op de blijvende onrust op de financiële markten als gevolg van de renteverhoging van de Federal Reserve. “De Fed en de andere centrale banken hebben nu maar één doel en dat is: stop die inflatie zo snel mogelijk. Dus van hen gaat de redding voor de aandelenmarkt niet komen.” Ondertussen doemen er wel sombere wolken op aan de economische horizon, in de vorm van de voortdurende oorlog in Oekraïne en lockdowns in China. “Dat kan er zomaar toe leiden dat het toch vrij snel minder gaat en dan is het risico dat de centrale banken die de economie aan het afremmen zijn, dat doen in een situatie waarin de economie eigenlijk zelf ook al aan het afremmen is.” Met het gevaar dat de economie te veel wordt afgeremd. “En als dat gebeurt heb je een recessie en dat vinden beleggers helemaal niet leuk,” aldus Knaap in gesprek met presentator Thomas van Zijl en Martijn Rozemuller, Head of Europe bij VanEck.

Luister hier de hele uitzending.

Volgende publicatie:
Wat veroorzaakt de stijging van de dekkingsgraad?

Wat veroorzaakt de stijging van de dekkingsgraad?

Gepubliceerd op: 20 april 2022

Actuele kwesties op het gebied van economie, (verantwoord) beleggen, pensioen en inkomen: iedere week geeft een expert van APG een helder antwoord op de vraag van de week. Deze keer: Chief Economist Thijs Knaap over de stijgende dekkingsgraden van pensioenfondsen.

Veel pensioenfondsen kwamen donderdag met goed nieuws: hun dekkingsgraad - die de financiële positie van een fonds weergeeft - is het afgelopen kwartaal gestegen. Om te kunnen bepalen of het huidige vermogen van een fonds voldoende is om (later) de pensioenen uit te kunnen betalen (de zogeheten verplichtingen), wordt de rekenrente toegepast. Hoe hoger die rente, hoe minder een fonds aan vermogen hoeft te hebben en hoe hoger de dekkingsgraad. Het is te vergelijken met sparen voor een vakantie: hoe hoger de rente, hoe minder je maandelijks opzij hoeft te leggen. Op basis van de dekkingsgraad bepaalt een pensioenfonds of het de pensioenen verhoogt. Een belangrijk percentage dus.

Rendementen
“Het is een slechte economische tijd,” vertelt Knaap. “Zo is er oorlog in Oekraïne en bestaat er schaarste aan personeel en goederen doordat de economie na corona ineens op volle toeren begon te draaien. Ten slotte is China in lockdown na de laatste corona-uitbraak. Dat zorgt voor extra schaarste. Dat de economie door deze factoren een klap heeft gekregen, zie je ook terug in de rendementen van de pensioenfondsen over het afgelopen kwartaal. Zo lieten de obligatie- en aandelenportefeuilles verliezen zien van zo’n 5 à 6 procent. Dat soort kwartalen moet je niet te vaak hebben. In het verleden waren er weleens kwartalen waarbij de aandelen met 20 procent onderuit gingen, maar dan had je nog vaak obligaties die juist meer waard werden.”


Nu daalt de waarde van alle beleggingen, met uitzondering van de zogenaamde alternatives zoals grondstoffen, private equity en infrastructuur. “Maar met alleen goede resultaten daarop red je het niet. Het rendement van veel fondsen is nog steeds negatief en dat heeft z’n weerslag op hun vermogen: dat daalt. Maar het gekke is dat de dekkingsgraad niet alleen op het vermogen van een pensioenfonds is gebaseerd, maar ook op de verplichtingen. Dat bedrag wordt berekend met de rente en die is nu aan zo’n snelle stijging bezig dat het geld sneller aangroeit en er door de fondsen minder opzij hoeft te worden gelegd voor de betaling van pensioenen. Met andere woorden: de verplichtingen dalen, waardoor de dekkingsgraad stijgt en zelfs op een niveau komt dat we bij een aantal fondsen sinds 2008, vlak voor de kredietcrisis, niet meer hebben gezien. Het is nu een merkwaardig verhaal met de dekkingsgraad: negatieve rendementen maar wel een hogere dekkingsgraad. Dat is precies het omgekeerde verhaal als dat van de afgelopen tien jaar. Toen haalden pensioenfondsen geweldige rendementen maar daalden de dekkingsgraden. Want altijd was het verhaal dat hoe hoog de rendementen ook waren, de verplichtingen nog harder stegen als gevolg van de dalende rente.”

Het is wat mij betreft nog veel te vroeg om te zeggen dat we definitief aan het einde zijn van de almaar dalende rente

Rente
De huidige hogere dekkingsgraden zijn dus te danken aan de gestegen rente. Dat brengt de vraag met zich mee hoe lang de rente hoog blijft. “Vanaf de jaren tachtig is de geloofwaardigheid van de centrale banken en hun beleid om de inflatie te beteugelen steeds betrouwbaarder geworden. Nu stijgt de inflatie en doet de Europese Centrale Bank nog niets, waardoor de kans bestaat dat de geloofwaardigheid van centrale banken weer afneemt. Dat kan betekenen dat de rente permanent hoger wordt omdat beleggers gecompenseerd willen worden voor het risico dat de inflatie in de toekomst opnieuw piekt.”


Er zijn echter ook redenen om aan te nemen dat de rente op den duur weer gaat dalen. “Op dit moment is er heel veel spaargeld, zowel in het Westen bij bijvoorbeeld babyboomers als in de opkomende economieën zoals China.” Dat drukt de rente, en de factoren die aan het overschot van (spaar)geld ten grondslag liggen, bestaan nog steeds. “Al kun je er wel een paar aanwijzen die wat aan het omslaan zijn, zoals lage inflatieverwachtingen. Een andere is de Chinese aanbodschok. Spullen uit China zoals tv’s en mobiele telefoons werden almaar goedkoper. Sinds corona wil het Westen minder afhankelijk worden van Chinese productie. Dat kan leiden tot minder import van goedkope producten uit China. Lagelonenlanden willen daarnaast meer gaan verdienen aan hun producten, die daardoor duurder worden. Bovendien zal China ook steeds meer willen gaan uitgeven. Dat kun je ook zeggen van de Westerse babyboomers, die nu met pensioen zijn. Vraag en aanbod van geld komen dan meer met elkaar in evenwicht, wat de trend van dalende rente eventueel kan keren. Maar het is wat mij betreft nog veel te vroeg om te zeggen dat we definitief aan het einde zijn van de almaar dalende rente.”

Volgende publicatie:
Kan wonen weer betaalbaar worden gemaakt?

Kan wonen weer betaalbaar worden gemaakt?

Gepubliceerd op: 14 april 2022

Actuele kwesties op het gebied van economie, (verantwoord) beleggen, pensioen en inkomen: iedere week geeft een expert van APG een helder antwoord op de vraag van de week. Deze keer: Hoofd Europees vastgoed Robert-Jan Foortse, over de vraag of wonen weer betaalbaar kan worden gemaakt.

Nieuwbouwhuizen dreigen voor veel mensen onbetaalbaar te worden, zo waarschuwt de Vereniging Eigen Huis (VEH) maandag. Dezelfde dag zegt het kabinet iets te willen doen tegen de flinke huurstijging in de vrije sector. De vraag dient zich aan of wonen weer betaalbaar kan worden gemaakt, en hoe. Daar is volgens Foortse maar één oplossing voor, en dat is woningen bijbouwen. Veel woningen. 

Huurprijzen
“Meer aanbod van woningen is volgens mij het antwoord. Andere maatregelen zijn mogelijk contraproductief. Een voorbeeld van zo’n contraproductieve maatregel is het beperken van de huurstijging. Want als huren niet meer mogen stijgen, waarom zou je dan als belegger nog investeren in Nederlandse woningen? Een gevolg daarvan kan zijn dat grote beleggers hun kapitaal investeren in de woningmarkt van de landen om ons heen, waar veelal een zelfde problematiek geldt als in Nederland. Een deel van de problematiek is immers mede het gevolg van het gevoerde monetaire (en fiscale) beleid van de afgelopen jaren.”

Als het gaat om huurwoningen spelen corporaties ook een rol. “Zij zouden een deel van hun huurwoningen in de vrije sector kunnen afstoten aan institutionele beleggers om zich zo volledig te richten op sociale huurwoningen.” Foortse denkt niet dat de huurprijzen in de vrije sector dan door het dak gaan. “Institutionele beleggers zitten over het algemeen in woningen omdat die een vrij laag beleggingsrisico kennen en daarmee een stabiel deel van hun portefeuille vormen. Beleggingen in woningen hebben een wat lager rendement maar als de huurstijgingen rondom het inflatieniveau liggen, werkt het denk ik goed voor de beleggers. Voor dit jaar hebben de grootste Nederlandse beleggers, in overleg met IVBN en het Ministerie van Binnenlandse Zaken, besloten de huurstijging te beperken tot 3,3%, ondanks de hogere inflatie. Een beperkte huurstijging vermindert ook de concurrentie omdat investeerders met een kortere beleggingshorizon, die de huur in korte tijd zoveel mogelijk willen verhogen, dan niet meer geïnteresseerd zijn. Zo verlaag je de stress op de markt en gaan de prijzen niet door het dak. Lange termijn-beleggers zijn het meest gebaat bij een stabiele, voorspelbare woningmarkt.”

Beleggers kijken ook naar toegankelijkheid voor woningen in de grote steden voor beroepen zoals leraren en medisch personeel

Nieuwbouw
De Nederlandse woningmarkt bestaat nu voor 57 procent uit koopwoningen en voor 43 procent uit huurwoningen. Investeringen voor nieuwe huurwoningen zullen deels vanuit beleggers moeten komen, maar het geld voor koopwoningen zal door de particuliere koper moeten worden opgebracht. “Nieuwbouwwoningen zijn nu 3,5 ton, maar dat is een prijs die volgens VEH weinig mensen meer kunnen betalen. De vraag is hoe we huizen van 2 tot 2,5 ton kunnen bouwen. Die zullen of veel kleiner zijn dan de huidige nieuwbouw, of op plekken staan die minder gewild zijn,” aldus Foortse. In de prijsopbouw van een huis zitten twee grote componenten, die het lastig maken om veel goedkoper te bouwen. “Er zijn de bouw- en materiaalkosten, die door de hoge inflatie met de dag stijgen, en er is de prijs van de bouwgrond. Die wordt vaak door gemeentes berekend. Zij kunnen de bouwgrond moeilijk goedkoper aanbieden, omdat ze dan met een gat in hun begroting zitten en andere projecten niet meer kunnen financieren.”

Vorige maand gaf minister voor Volkshuisvesting Hugo de Jonge wel aan dat hij met een zogeheten ‘aanwijzing’ kan ingrijpen bij lagere overheden om extra huizenbouw mogelijk te maken. Tot op heden is zelden gebruikgemaakt van zo’n aanwijzing, en niet zonder reden, meent Foortse. “Dat geldt als een draconische maatregel in Nederland, omdat je de hiërarchie raakt die we in dit land hebben met een landelijke, provinciale en gemeentelijke overheid. Ik begrijp dat het kabinet de oplossing voor dit probleem centraal wil coördineren, maar ik kan me ook voorstellen dat er hier en daar lokale weerstand bestaat tegen nieuwbouwprojecten.”

 

Tenslotte wordt de nieuwbouw van woningen volgens Foortse niet alleen belemmerd door de sterke stijging van de grond- en materiaalkosten, maar ook door de strenge(re) wet- en regelgeving voor wat betreft verduurzaming. Voorbeelden daarvan zijn isolatie, afkoppeling van gas en uitstoot van CO2 en stikstof. “Dit beperkt de mogelijkheden om nieuwe woningbouwlocaties aan te wijzen en leidt vaak ook tot hogere bouwkosten. Institutionele beleggers hebben ook de opgave om fors te investeren om de bestaande woningportefeuilles te verduurzamen.  Dit laatste draagt overigens wel bij tot lagere energie kosten voor huurders.”


Doorstromen
Aan het begrip ‘betaalbaarheid’ zitten meerdere kanten, legt Foortse uit. “Zo kun je je afvragen voor wie de nieuwbouw betaalbaar moet zijn. Als nieuwe huizen worden gebouwd voor rond de 4,5 ton, kunnen we er in ieder geval voor zorgen dat iedereen die nu in een bestaand huis van 2 à 3 ton woont kan doorstromen naar een nieuwbouwhuis. Daardoor ontstaat er voor starters meer aanbod in het lagere segment. De afgelopen jaren liep het aanbod in het segment van rond de 4,5 ton achter, waardoor mensen niet konden doorgroeien in de woningmarkt. Want als er geen kwalitatief beter nieuwbouwhuis is, waarom zou je dan verhuizen? Traditioneel gaat iemand van een eenpersoons- naar een tweepersoonshuishouden en uiteindelijk naar een gezinswoning. Mensen zoeken in hun volgende woning logischerwijs naar meer ruimte.”


Meer bouwen is op lange termijn de oplossing. Daarbij zijn een aantal aandachtspunten waar volgens Foortse rekening mee moet worden gehouden. Een daarvan is ervoor zorgen dat het kabinet grote beleggers niet afschrikt door de huurstijging te beperken. Wat nieuwbouw betreft moet worden nagedacht voor wie wordt gebouwd: voor doorstromers naar het hogere segment of voor starters. En bij die nieuwbouw zal het voor het kabinet een evenwichtsoefening worden om eventuele lokale weerstand tegen nieuwbouwprojecten weg te nemen. “Op kortere termijn kunnen we onderzoeken of we de bestaande woningvoorraad beter zouden kunnen gebruiken, zoals recent werd gesuggereerd door enkele economen. Dit zou kunnen door samenwonen verder te stimuleren, of in ieder geval niet financieel onaantrekkelijker te maken. Het aantal eenpersoonshuishoudens stijgt al jaren. Voor de betaalbaarheid van de woningmarkt zou het mooi zijn als die trend gestopt zou kunnen worden. Naast betaalbaarheid kijken institutionele beleggers ook naar toegankelijkheid voor woningen in de grote(re) steden voor zogenaamde ‘key workers’, zoals leraren en medisch personeel. Dit kan door voorrangsregelingen te introduceren.”

Volgende publicatie:
Wat als de EU olie en gas uit Rusland gaat boycotten?

Wat als de EU olie en gas uit Rusland gaat boycotten?

Gepubliceerd op: 7 april 2022

Actuele kwesties op het gebied van economie, (verantwoord) beleggen, pensioen en inkomen: iedere week geeft een expert van APG een helder antwoord op de vraag van de week. Deze keer: Peter Verbaken, Hoofd van APG’s Team Grondstoffen, over de gevolgen van een boycot van Russische energie.

 

Een gas- en olieboycot vormt geen onderdeel van het meest recente sanctiepakket tegen Rusland, maar is wel een stok die de EU achter de hand houdt. Volgens een rapport van het Centraal Planbureau zal Nederland flink worden geraakt als Brussel zo’n verbod instelt. Moeten we daarom bang zijn voor zo’n boycot? Of zullen de gevolgen alleszins meevallen, zoals hoogleraar economie Sweder van Wijnbergen in de Volkskrant betoogt?

Om te beginnen stelt Verbaken dat de situatie in Oekraïne hem raakt: “Het is verschrikkelijk om te zien hoe de mensen in Oekraïne lijden onder het oorlogsgeweld en hoe het land langzaam maar zeker verwoest lijkt te worden. Ik volg het al vanaf het begin op de voet, juist ook vanwege de invloed die het heeft op mijn werk, en ik hoop van harte dat er snel een einde aan komt.”

Steenkool als alternatief
Door de grote Europese afhankelijkheid van Russisch gas, zal een gasboycot harder aankomen dan een olieboycot, zegt Verbaken. “In Nederland hebben we geluk gehad met een zachte winter. Eind vorig jaar, nog voor de Russische inval in Oekraïne, vond er al een enorme stijging van de gasprijs plaats omdat de voorraden zo laag waren. Door de zachte winter en een toename van Russische gasleveranties konden we de winter doorkomen. Maar nu is het zaak om in de zomer de gasvoorraden weer aan te vullen. Als we door een verbod op de import van Russisch gas de voorraden niet op tijd op peil kunnen krijgen, is een alternatief plan nodig. Van Wijnbergen noemt het gebruik van steenkolen als oplossing. In theorie is dat inderdaad mogelijk, al gaat het natuurlijk in tegen het huidige klimaatbeleid. Maar het valt niet uit te sluiten dat de politiek in deze uitzonderlijke situatie toch besluit om van gas op steenkolen over te gaan.”

De vraag is of steenkolen het wegvallen van Russisch gas kunnen opvangen. Verbaken denkt van niet. “In de praktijk zal blijken dat je ook wat aan de vraagkant moet doen. Je ziet bijvoorbeeld nu al de overheidscampagne ‘Zet ook de knop om’, met als doel dat huishoudens de thermostaat een graadje lager zetten. Een derde van de gasvraag in Nederland komt echter van de industrie. Om die vraag omlaag te krijgen, valt niet uit te sluiten dat grote industriële gasverbruikers worden gedwongen minder gas te verbruiken. Zoiets valt zeker voor te stellen als de Nederlandse gasvoorraden deze zomer niet worden bijgevuld met Russisch gas. Het dwingen van de industrie om minder gas te verbruiken is wel een radicale maatregel van het soort dat we sinds de jaren zeventig, met de oliecrisis en de autoloze zondagen, niet meer hebben gezien.”

De zorgen over de impact van een boycot van Russische gas en olie zijn wat mij betreft zeker terecht

Olieschaarste
In het geval van olie is het een iets ander verhaal. Mocht de EU geen olie meer importeren uit Rusland, dan zullen China en India de Russische olie met fikse kortingen opkopen, verwacht Van Wijnbergen. Gevolg daarvan is dat beide Aziatische grootmachten minder niet-Russische olie hoeven te importeren vanuit de wereldmarkt en er daarom ook geen olieschaarste zal ontstaan. In theorie heeft Van Wijnbergen daar een punt, maar de praktijk kan weleens stroever uitpakken, meent Verbaken. “Het kost Europa zeker een paar maanden om van Rusland over te stappen op andere olieleveranciers. Daarnaast zet het Westen China en India onder druk om niet de redder van Rusland te spelen, zeker na het laatste nieuws over de vele burgerdoden in Oekraïne. Wat ook meespeelt, zijn de zogeheten letters of credit, de financiering die nodig is voor het verschepen van olie. Financiële partijen zullen door de dreiging van sancties en de publieke opinie heel voorzichtig zijn om die uit te geven.” Het lijkt daarom op de korte termijn onwaarschijnlijk dat een olieschaarste kan worden voorkomen doordat China en India meer Russische olie gaan importeren, waardoor er voor de EU-landen meer niet-Russische olie overblijft. 
   

Forse ingrepen
Verbaken denkt dat de visie van Van Wijnbergen wat aan de optimistische kant is als het gaat om de gevolgen van het wegvallen van Russische energie. “Hij mist onder andere de factoren die het verschuiven van de oliestromen complex maken, en dat de gasvraag echt omlaag moet.” Het meest problematisch blijft de boycot van gas. “Het wegvallen van Russisch gas slaat een gat in onze voorraad. Als die in de zomer niet kan worden aangevuld, wordt het probleem steeds kritieker,” zegt Verbaken. “Alsof je op een klif afrijdt. De gasvoorraad kan alleen voldoende worden aangevuld als het lukt voldoende kolencentrales aan te zwengelen, de vraag naar gas omlaag wordt gebracht en hier en daar aanbod van lng (vloeibaar gemaakt aardgas) kan worden aangeboord. Nu wordt alleen nog de bevolking gevraagd zuiniger te doen met gas, maar wat als dat niet voldoende blijkt? Hoever moet je dan gaan om industrieën te dwingen minder gas te verbruiken? En bij welke industrieën begin je? De kern van deze situatie is dat de regering niet aan de bevolking kan uitleggen dat ze hun huizen komende winter niet meer kunnen verwarmen. Om dat te voorkomen zijn forse ingrepen nodig. De zorgen over de impact van een boycot van Russische gas en olie zijn wat mij betreft dan ook zeker terecht. Wat niet wegneemt dat het gezien de huidige situatie, met al het leed dat Rusland aanricht, een goed uit te leggen sanctie tegen Moskou zou zijn. Als die daadwerkelijk wordt ingevoerd, zal er door de regering, de industrie en de Nederlandse bevolking gezamenlijk hard gewerkt moeten worden om de impact die het op ons heeft zoveel mogelijk te beperken.”  

Volgende publicatie:
Maakt de Nederlandse winkelstraat een doorstart?

Maakt de Nederlandse winkelstraat een doorstart?

Gepubliceerd op: 30 maart 2022

Actuele kwesties op het gebied van economie, (verantwoord) beleggen, pensioen en inkomen: iedere week geeft een expert van APG een helder antwoord op de vraag van de week. Deze keer: Hoofd Europees vastgoed Robert-Jan Foortse, over de toekomst van de Nederlandse winkelstraat.Gingen mensen er vroeger vooral heen om spullen te kopen, tegenwoordig wil de consument meer.”

In het eerste jaar na de opening trok de Mall of the Netherlands, een winkelcentrum in Leidschendam-Voorburg, 13 miljoen bezoekers, ondanks twee lockdowns. Dat is meer dan verwacht. Grote winkelcentra lijken dus goed te boeren, maar de Nederlandse winkelstraat heeft het daarentegen moeilijk, en dat is al een tijdje zo, zegt Foortse. “Al verschilt het wel of je het hebt over de Kalverstraat in Amsterdam of een winkelstraat in de wat kleinere provincieplaats. De trend van fysieke naar digitale verkopen is al een aantal jaar aan de gang en corona heeft die trend versneld.” Toch ziet Foortse kansen voor de winkelstraat, al is daar wel een transformatie voor nodig.

Versnipperd
Investeren in winkelstraten om ze er weer bovenop te helpen, is nog niet zo makkelijk. “Het probleem met winkelstraten is dat het eigendom ontzettend is versnipperd. Het is dan ook erg lastig om een propositie te creëren voor een winkelstraat omdat er zo veel belanghebbenden en eigenaren zijn. De ene eigenaar wil bijvoorbeeld wel investeren in z’n eigen pand maar niet in de infrastructuur, terwijl een ander helemaal niet wil investeren. Door die versnippering koos APG er bijvoorbeeld zo’n vijftien jaar geleden voor om vooral in winkelcentra en outlets te investeren, zoals bijvoorbeeld Batavia Stad Fashion Outlet. Dat is eigenlijk een nagebouwde Nederlandse winkelstraat. Doordat wij volledig eigendom hebben, is deze winkelstraat op eenzelfde manier te beheren en te controleren als een winkelcentrum. We hebben daar invloed op het winkelaanbod, de parkeergelegenheid en of het veilig en goed onderhouden is. Die invloed hebben we in een gewone winkelstraat niet. Bezoekers merken in Batavia Stad dat het een aangename omgeving is om te winkelen, al spelen de outlet-kortingen natuurlijk ook een rol.” 

Doordat de traditionele winkelstraat zoveel belanghebbenden met verschillende belangen kent, duurt het lang voordat er een nieuwe bestemming voor is gevonden, stelt Foortse. “Dit is bij uitstek een probleem dat zich naar mijn mening leent voor een publiek-private samenwerking. De verschillende belanghebbenden moeten bij elkaar komen en een gezamenlijke visie ontwerpen op de winkelstraat van de toekomst.” Want de functie verandert. “Gingen mensen er vroeger vooral heen om spullen te kopen, tegenwoordig wil de consument meer. Ik denk dat mensen nog steeds naar de winkelstraat willen, maar dan om iets lekkers te kopen bij de traiteur of om een pop-upwinkel te bezoeken. Je moet iets creëren dat aantrekkingskracht heeft op mensen, en dat is niet meer gewoon spullen aanbieden. Beleving is dan wellicht een te makkelijk en te vaak gebruikt woord, maar het heeft er wel mee te maken. Na corona merk je weer dat mensen toch sociale wezens zijn en graag ergens naartoe willen waar andere mensen zijn.”

Er is een transformatie van de winkelstraat gaande, maar die gaat langzaam

Transformatie
Van alle aankopen gebeurt nog zo’n 75 procent in fysieke winkels. De overige 25 procent gebeurt digitaal; een percentage dat alleen maar hoger wordt. In de gemiddelde winkelstraat van de nabije toekomst zijn dus minder vierkante meters aan winkelruimte nodig. “De winkelstraat heeft nog best veel kwaliteiten, alleen moeten we die wellicht opnieuw uitvinden en benaderen. Een van die kwaliteiten is dat ze vaak centraal gelegen liggen in een plaats. Ook is er vaak parkeergelegenheid in de buurt. Als het flexibele werken permanent onderdeel van ons leven wordt, kan winkelruimte worden omgebouwd tot werkplekken. Daar kunnen dan mensen terecht die thuis geen geschikte werkplek hebben, maar ook niet in de file willen staan naar het kantoor buiten de stad.” De locatie midden in de stad en de parkeergelegenheid pleiten ook voor het ombouwen van winkels tot woningen, meent Foortse. “Maar voordat een bestemmingsplan is gewijzigd, ben je zo een paar jaar verder. Dat ontneemt wel de animo om iets nieuws te creëren in een winkelstraat. Daar zie ik dan ook een rol voor de politiek. Die moet zorgen dat dit proces kan worden versneld.” 
 

De Nederlandse winkelstraat kán dus een doorstart maken, maar zal er volgens Foortse over tien of twintig jaar wel heel anders uitzien dan vandaag. “Ik denk dat je veel meer een mix zult zien tussen de huidige traditionele winkels, eet- en drinkgelegenheden, kantoren waarin je werkplekken kunt huren en woningen. Dat zal voor alle steden gelden, al zullen er wel accentverschillen zijn. Zo zal de Amsterdamse Kalverstraat toch vooral een winkelstraat blijven terwijl de winkelstraat in een kleinere plaats meer woningen zal krijgen. Er is een transformatie van de winkelstraat gaande, maar die gaat langzaam.”

Volgende publicatie:
Wat gebeurt er als een land failliet gaat?

Wat gebeurt er als een land failliet gaat?

Gepubliceerd op: 25 maart 2022

Actuele kwesties op het gebied van economie, (verantwoord) beleggen, pensioen en inkomen: iedere week geeft een expert van APG een helder antwoord op de vraag van de week.

 

Deze keer: Sjacco Schouten, Head of Emerging Market Debt, over de vraag wat de gevolgen zijn als een land als Rusland niet meer aan zijn betalingsverplichtingen kan voldoen. “Ook in economische zin is het een scenario dat alleen maar verliezers kent.”

 

Begint maart sprak een aantal kredietbeoordelaars de verwachting uit dat Rusland door de westerse sancties mogelijk op korte termijn niet meer aan zijn betalingsverplichtingen (rente en aflossing van de staatsschuld) zou kunnen voldoen. Russische staatsobligaties kregen een zogeheten ‘junk’-status, wat min of meer betekent dat schuldeisers de kans groot achten dat ze een flink gedeelte van hun geld niet meer terugzien. Het roept de vraag op wat er met een land gebeurt, bij zo’n ‘faillissement’. Wanneer is daar sprake van? En wat zijn de gevolgen?

 

De eerste vraag blijkt relatief makkelijk te beantwoorden. Schouten: “Normaliter vinden rentebetaling en aflossing op staatsobligaties plaats op vooraf vastgestelde data. Als een land zo’n datum mist, gaat eerst een grace period in, waarin het de kans krijgt de betaling alsnog te doen. Gebeurt dat niet, dan gaat het land officieel in default.

 

Zo goed als nul

Het antwoord op de tweede vraag – over de gevolgen van zo’n default – is een stuk gecompliceerder, omdat er nogal wat mitsen en maren bij komen kijken.

 

“Als een land officieel in default is, treden allerlei processen in werking. Meestal zal een overheid een herstructurering voorstellen aan de obligatiehouders, waarbij afspraken worden gemaakt over ‘hoe verder’. Welke dat zijn, hangt af van de voorwaarden van de obligatie en van de wet van het land waaronder de obligaties zijn uitgegeven. In het meest extreme geval, als een land écht niet meer wil of kan betalen, zijn houders mogelijk genoodzaakt hun obligaties volledig af te schrijven, naar zo goed als nul. De prijs zal niet helemaal naar nul gaan, omdat je nooit honderd procent kunt uitsluiten dat er op een bepaald moment toch nog geld terugkomt.”

 

Rusland heeft dat punt echter nog niet bereikt. Het land heeft tot nu toe nog geen betalingen gemist. Als dat in de toekomst wel het geval is, zal dat eerder komen door de sancties die betalingstransacties onmogelijk maken of door de betalingsbereidheid van Rusland, dan dat het aan zijn vermogen ligt om aan de financiële verplichtingen te voldoen. “Met alle olieopbrengsten zou Rusland daartoe prima in staat moeten zijn. Of het dat op de lange termijn ook wil blijven doen, is een tweede. Wat dat betreft zou een onderscheid in voorwaarden kunnen ontstaan tussen beleggers die wel aan herstructurering willen meedoen en houders die dat door toedoen van sancties niet willen of kunnen. Hiermee krijgt Rusland de kans om ‘vriendelijke’ landen gunstigere voorwaarden te geven dan ‘onvriendelijke’ landen.”

 

Voorgetrokken

In principe geldt voor obligatiehouders echter het pari passu principe, wat inhoudt dat ze gelijk behandeld moeten worden. Schouten: “In beginsel kunnen obligatiehouders uit een bepaald land niet voorgetrokken worden. Wel kunnen de voorwaarden van obligaties die zijn uitgegeven onder lokale wetgeving, verschillen van de voorwaarden van staatsleningen die zijn uitgegeven onder internationale wetgeving. Naast het wetgevingsaspect spelen bij een eventuele herstructurering van de Russische staatsschuld nog veel meer factoren een rol. Bijvoorbeeld de valuta waarin een obligatie is uitgegeven – dollars of roebels. Bovendien is het voor bepaalde beleggers simpelweg verboden om überhaupt nog betalingen te ontvangen van Rusland, of betalingen te doen aan Russische entiteiten. Al die factoren samen maken een herstructurering in het geval van Rusland heel complex.”

 

Gevolgen

Wat zijn de gevolgen als Rusland zou besluiten om obligatiehouders niet meer te betalen?

 

“In dat geval zou het land nog verder in een isolement geraken en beperkt worden in de toegang tot de kapitaalmarkten. Op de korte termijn kan Rusland veel opvangen via zijn oliereserves en inkomsten uit olie- en gasleveringen. In grote lijnen weet het zijn economie nu nog redelijk draaiende te houden. Maar in de komende maanden zal de Russische economie naar verwachting krimpen en wordt de financiële situatie van het land problematischer. In hoeverre het land dan een verdere economische krimp kan tegenhouden, hangt af van de bereidheid van andere landen om Rusland te helpen. Die valt niet uit te sluiten. Zelfs als alle westerse landen – zoals de VS – Russische olie in de ban doen, kan Rusland nog steeds olie aan andere landen verkopen.”

 

‘Adding insult to injury’

Niettemin lijkt Rusland economisch gezien een doemscenario boven het hoofd te hangen. “Wat voedsel betreft zou Rusland in staat moeten zijn voor een groot gedeelte in de eigen behoefte te blijven voorzien. Maar als de levering stopt van alles wat het land importeert – technologie, computers, chips en noem maar op – dan komen grote delen van de economie tot stilstand. De gemiddelde Rus gaat terug in de tijd. Hij kan er misschien overheen komen dat hij niet meer naar McDonald’s kan, maar toegang tot bijvoorbeeld technologische kennis en bepaalde onderdelen, is van groot belang om een economie draaiend te kunnen houden en te ontwikkelen.”

 

Adding insult to injury, daar komt het op neer als Rusland een wanbetaler zou worden. Schouten: “De sancties brengen al schade toe aan de economie. De bevolking wil nu al dollars in de zak hebben in plaats van roebels. In het geval van een default wordt er een hele cyclus getriggerd, waarbij de Russische economie naar verwachting in een diepe recessie terechtkomt, met hoge inflatie. Ook in economische zin is het een scenario dat alleen maar verliezers kent.”

Volgende publicatie:
“Met alleen maar aandelen en obligaties zou je nu in de min staan”

“Met alleen maar aandelen en obligaties zou je nu in de min staan”

Gepubliceerd op: 22 maart 2022

“Het is een tijd van beweeglijke markten, wat betekent dat we veel transacties doen bij APG. Al is het maar om de portefeuille steeds opnieuw te balanceren.” Dat zegt APG’s Thijs Knaap in het programma Zakendoen op BNR Nieuwsradio in een gesprek over investeringen. “Ik wilde hier een transactie in het zonnetje zetten die we hebben gedaan in het kader van ANET, het ABP Nederlandse Energietransitiefonds.” ANET heeft een belang genomen in het Groningse bedrijf enie.nl, dat zonnepanelen verkoopt en verhuurt. “Iedereen die kan rekenen weet dat de stroomprijs enorm veel hoger is geworden. Daardoor is de terugverdientijd veel korter geworden. Dat is de meeste mensen niet ontgaan waardoor er veel vraag is naar zonnepanelen. Nu kan enie.nl gaan uitbreiden met het geld dat ze van ANET krijgen. Dat is goed voor het rendement en goed voor de energietransitie.”


Knaap, chief economist bij APG, schuift geregeld aan bij het beleggerspanel van Zakendoen. In de uitzending van vandaag bespreekt hij ook hoe APG al een aantal jaar rekening hield met een economische schok waarbij prijzen van grondstoffen snel zouden stijgen en er vervolgens een groeischok zou komen door economische onzekerheid. “We hadden daarvoor een beleggingsbeleid in stelling gebracht dat ons moest voorbereiden op die schok, maar jarenlang ging het maar om één procent inflatie en de grondstoffenprijzen daalden. Dus eigenlijk was het lang het omgekeerde van zo’n schok. Maar door de huidige hoge grondstoffenprijzen en de inflatie die de pan uitrijst doet datgene wat we in stelling hebben gebracht het nu geweldig. Dan moet je denken aan beleggingen in grondstoffen, hedgefunds en infrastructuur. Terwijl je met een portefeuille met alleen maar aandelen en obligaties gegarandeerd in de min had gestaan,” vertelt Knaap in gesprek met presentator Thomas van Zijl en panellid Mary Pieterse-Bloem.


Luister hier de hele uitzending.

 

Volgende publicatie:
Wat betekent de hoge gasprijs voor de groene ambities van de EU?

Wat betekent de hoge gasprijs voor de groene ambities van de EU?

Gepubliceerd op: 10 maart 2022

Actuele kwesties op het gebied van economie, (verantwoord) beleggen, pensioen en inkomen: iedere week geeft een expert van APG een helder antwoord op de vraag van de week. Deze keer: aandelenbelegger Martijn Olthof over de vraag wat de gevolgen zijn van de hoge gasprijs voor de groene ambities van de EU.

De stijging van de gasprijs, die afgelopen najaar inzette door toenemende vraag vanuit de industrie, is door de oorlog in Oekraïne nog veel forser geworden. De oorlog en de hoge gasprijs zijn redenen voor de EU om snel minder afhankelijk te worden van Russisch gas. Brussel kondigde dinsdag dan ook aan dat de EU nog voor 2030 zonder gas uit Rusland moet kunnen. Dit REPowerEU-plan is een aanscherping van de zogeheten Green Deal en het Fit for 55-plan, dat de CO2-uitstoot in 2030 met 55 procent moet terugbrengen. Een nog ambitieuzer klimaatplan dus, en een keerpunt in het Europese energiebeleid.

“Het Fit for 55-plan was al heel ambitieus, zeker in deze tijd van hoge energieprijzen, hoge inflatie en een tekort aan arbeidskrachten en materiaal,” aldus Olthof. Is een nog scherpere doelstelling dan wel realistisch? “Het is in die zin realistisch dat de nood aan de man is, en nood breekt wet. Zo’n aanscherping is ook nodig omdat Moskou elk moment kan besluiten de gaskraan dicht te draaien. De situatie in Oekraïne en de hoge gasprijzen zijn des te meer reden om de Green Deal en het Fit for 55-plan sneller te implementeren en nog meer in te zetten op duurzame energie.”

Investeringen
Een van de concrete maatregelen uit het REPowerEU-plan is om procedures voor de aanleg van windmolenparken en zonnepanelen te verkorten. Een welkome maatregel, volgens OIthof. “Maar dit lukt alleen als de bureaucratie vermindert op het gebied van vergunningen, want daar lopen bedrijven die hierin willen investeren nogal eens tegenaan. Als er bijvoorbeeld een hoogspanningskabel moet worden aangelegd, zeker op land, gaan er vaak jaren overheen voordat alle noodzakelijke procedures zijn doorlopen. Op zich is dat goed, want mensen moeten er wel iets over te zeggen hebben en niet iedereen wil een hoogspanningsmast in z’n achtertuin. Maar linksom of rechtsom is dit soort infrastructuur wel nodig, zeker als we nog sneller van fossiele brandstoffen af willen en dan met name van Russisch gas. Het is daarom van belang dat dit soort procedures, waar mogelijk zonder het belang van de omwonenden uit het oog te verliezen, ook daadwerkelijk worden versoepeld waardoor investeringen in de energietransitie makkelijker van de grond komen.”

Het versnellen van de groene ambities alleen zorgt er niet voor dat Europa nog dit jaar van het Russische gas af kan

Door het REPowerEU-plan wordt de kans groter dat de Europese Commissie haar groene ambities gaat verwezenlijken. Maar het versnellen van de groene ambities alleen zorgt er niet voor dat Europa nog dit jaar van het Russische gas af kan. “Daar zijn echt noodmaatregelen voor nodig, zeker om de energierekening enigszins betaalbaar te houden,” stelt Olthof. “Het plan voorziet bijvoorbeeld in het gecoördineerd en verplicht snel aanvullen van de voorraden in de gasopslagfaciliteiten in West-Europa. Ook wordt er gesproken over het tijdelijk weer reguleren van de energieprijzen. Landen zouden dit kunnen bekostigen door hoge winsten van sommige elektriciteitsbedrijven die niet afhankelijk zijn van gas, extra te belasten. En door de hoge inkomsten uit de verkoop van  CO2-emissierechten in te zetten.”

Kolen
Een andere noodmaatregel kan zijn om een kolencentrale langer open te houden, ook al is het de bedoeling dat die zo snel mogelijk dichtgaan, vertelt Olthof. “Want de doelstellingen om de CO2-uitstoot te beperken moeten linksom of rechtsom wel worden gehaald. Stel dat we in Europa de kolencentrales een jaar langer openhouden, dan moet die extra uitstoot op een andere manier worden gecompenseerd om de opwarming van de aarde beperkt te houden tot maximaal 1,5 graad. En dat was vóór de oorlog in Oekraïne al een ambitieus doel. Bovendien komt 46 procent van de kolenimport in Europa ook uit Rusland, dus dat vermindert wellicht ook niet onze afhankelijkheid. Het REPower-EU plan voorziet dan ook niet expliciet in het langer openhouden van kolencentrales en stelt ook geen versoepeling van de uitgave van emissierechten voor. Het lijkt er dus op dat de Europese Commissie in ieder geval wil voorkomen dat het kortetermijnnoodplan de groene ambities in gevaar brengt, om tegelijk op de langere termijn de realisatie van de ambities dichterbij te brengen.”

Concluderend ziet Olthof de hoge gasprijzen als een duidelijke aansporing voor de groene ambities van Europa. “Dat die flinke stijging van de gasprijzen onder andere het gevolg is van onze afhankelijkheid van Rusland, verhoogt natuurlijk enorm de urgentie om van fossiele brandstoffen af te komen. En zeker uit Rusland. Die urgentie is heel duidelijk. Op de korte termijn, met eerlijk verdeelde lasten, om zo problemen te voorkomen als Moskou de kraan dichtdraait. Maar ook op de langere termijn, zodat we voor onze energie nooit meer afhankelijk hoeven zijn van Rusland.” 

Volgende publicatie:
ABP en bpfBOUW verkopen alle beleggingen in Rusland

ABP en bpfBOUW verkopen alle beleggingen in Rusland

Gepubliceerd op: 3 maart 2022

Beleggingen beide fondsen bedroegen al minder dan 0,1 procent van totaal belegd vermogen

ABP en bpfBOUW, APG’s grootste fondsklanten, hebben besloten al hun beleggingen in Rusland te verkopen. Hiermee zijn het de eerste pensioenfondsen in Nederland die dit besluit nemen als reactie op de inval van Rusland in Oekraïne. De fondsen verwachten dat de verkoop enige tijd kan duren, door de ingewikkelde marktomstandigheden in Rusland.

In totaal belegt ABP nog voor zo’n 520 miljoen euro in Rusland en bpfBOUW voor 58 miljoen – minder dan 0,1 procent van het totaal belegd vermogen. Beide fondsen bouwden hun beleggingen in het land de afgelopen tijd al in rap tempo af. Zo werd al een tijd niet meer geïnvesteerd in Russische staatsobligaties die door een bindend EU-wapenembargo op onze uitsluitingslijst staan.

Geschokt

“ABP is geschokt door de Russische inval in Oekraïne en het geweld dat daarmee gepaard gaat. Ons medeleven gaat uit naar alle mensen in Oekraïne. ABP volgt de ontwikkelingen op de voet en deze hebben ABP doen besluiten om al onze resterende beleggingen in Russische bedrijven te verkopen”, laat het fonds weten op de website. bpfBOUW spreekt van een ‘principebesluit’.

Beurs blijft gesloten

De daad bij het woord voegen en alle beleggingen direct verkopen, is op dit moment echter geen eenvoudige opgave. De beurs in Moskou is nog steeds gesloten. Ook accepteert Rusland geen verkooporders van buitenlandse beleggers. De fondsen laten weten dat APG hun beleggingen verkoopt, zodra dat verantwoord is. Ze benadrukken dat ze de ontwikkelingen nauwlettend in de gaten houden. Onder meer om ook de gevolgen van het sanctiepakket richting Rusland in de gaten te houden.

Eerste in Nederland

In Nederland zijn de fondsen de eerste die hun beleggingen van de hand doen als reactie op de Russische invasie. Andere landen, onder wie Denemarken, Zwitserland en België, gingen ‘ons’ al voor.

Volgende publicatie:
Is het stoppen van de coronasteun wel zo’n goed idee?

Is het stoppen van de coronasteun wel zo’n goed idee?

Gepubliceerd op: 3 maart 2022

Actuele kwesties op het gebied van economie, (verantwoord) beleggen, pensioen en inkomen: iedere week geeft een expert van APG een helder antwoord op de vraag van de week. Deze keer: macro-econoom en senior strateeg Charles Kalshoven over het einde van de coronasteun en de gevolgen daarvan. Komt het einde niet te vroeg?

Per 1 april stopt het kabinet met de coronasteun. Dit betekent dat werkgevers niet langer gebruik kunnen maken van onder meer de Noodmaatregel Overbrugging Werkgelegenheid en uitstel van belastingbetalingen. Die zouden niet meer nodig zijn. Ondernemers kunnen nu immers weer zonder beperkingen ondernemen dankzij de versoepeling van de coronamaatregelen en de positieve economische vooruitzichten, meldt de overheid in een nieuwsbericht. Ook Kalshoven vindt dat de afschaffing van de steunpakketten economisch gezien op een prima moment komt, al maakt de situatie in Oekraïne de vooruitzichten wat onzekerder. “Als je door de stad loopt, zie je overal bordjes met ‘mensen gezocht’. Het gaat dus goed met de economie, dat resulteert in grote tekorten op de arbeidsmarkt.”

Zombiebedrijven
Volgens de econoom is het terugdraaien van een maatregel altijd moeilijk, maar in dit geval wel nodig. “Ze zeggen dat er geen maatregel zo permanent is als een tijdelijke maatregel. Denk bijvoorbeeld aan de Franse tolwegen of het kwartje van Kok: maatregelen die uiteindelijk meer permanent dan tijdelijk bleken. Om te voorkomen dat corona de economie fors zou raken, waren er in dit geval forse maatregelen nodig. Maar op een gegeven moment is het wel tijd om die maatregelen terug te draaien. Zo betoogde het Centraal Planbureau al zo’n jaar geleden om te stoppen met de steun omdat je daarmee de transitie van de economie tegenhoudt. In plaats van werknemers van financieel ongezonde bedrijven betaald thuis te laten zitten, wil je dat ze aan de slag gaan in kansrijkere sectoren. De zogenoemde zombiebedrijven gaan dan failliet terwijl hun werknemers elders productiever kunnen zijn. Zo werkt het in een gewone recessie. Maar deze recessie was abnormaal. En een transitie is door de steunmaatregelen uitgebleven.”

Het aantal bedrijfsfaillissementen is dan ook nog steeds erg laag. “Dat is mede te danken aan de coronasteun, die op alle werkgevers was gericht, financieel gezond of niet,” aldus Kalshoven. “In een normale recessie schieten de faillissementen omhoog. Maar dit was meer een soort kunstmatige coma van de economie, om zo corona te kunnen bestrijden. Een jaar geleden waren we nog bang voor een golf aan faillissementen, maar die is tot nog toe gelukkig uitgebleven. Mogelijk heeft dat ook te maken met het feit dat mensen lang hebben kunnen sparen en dat geld nu graag uitgeven, bijvoorbeeld in de horeca.”

Beleggers achten de kans groter dan voorheen dat een bedrijf een lening niet kan terugbetalen

Terug naar normaal
Ook al stijgt het aantal faillissementen nog niet, je ziet wel dat beleggers daar nu meer rekening mee houden. De rente op bedrijfsleningen stijgt harder dan de rente die kredietwaardige overheden betalen. Het verschil is de kredietopslag en die groeit dus. En die opslag kun je deels zien als een verzekeringspremie, voor het geval dat niet of te laat wordt terugbetaald. Daar eisen beleggers een vergoeding voor. De stijgende kredietopslag is een wereldwijde trend, signaleert Kalshoven. “Die  was bijzonder laag, en loopt nu weer op naar normale waarden. Dat betekent dat beleggers de kans groter dan voorheen achten dat een bedrijf een lening niet kan terugbetalen en daarom meer rente eisen op bedrijfsobligaties.” Dat is een direct gevolg van het stopzetten van de coronasteun. De hogere kredietrisico-opslag heeft daarnaast een monetaire oorzaak. “Centrale banken trekken zich terug uit de obligatiemarkt en kondigen renteverhogingen aan. Dat zijn toch tekenen dat we weer teruggaan naar normaal.”

Consumentenvertrouwen
Kan de oorlog in Oekraïne nog gevolgen hebben voor de positieve economische vooruitzichten? “Dat is erg lastig te voorspellen. Als Rusland de gaskraan dichtdraait of wij zeggen dat we geen Russisch gas meer willen, dan stijgen de energieprijzen verder én komt de beschikbaarheid van gas in gevaar. Dat kan gevolgen hebben voor bijvoorbeeld de glastuinbouw en industrie. En ook voor het consumentenvertrouwen. Als gas en benzine duur blijven of zelfs nog in prijs stijgen, dan betekent dat een aanslag op de portemonnee. Wellicht komen er dan opnieuw economische steunmaatregelen, dit keer in de vorm van een oorlogspakket.” 

Mocht zo’n steunpakket weer nodig zijn, door het conflict in Oekraïne of een nieuwe corona-uitbraak, dan is het vrij makkelijk zo’n pakket weer op te tuigen. “Knelpunt is niet of je het snel kunt uitvoeren, maar of je als overheid de middelen hebt. In Nederland is de staatschuld opgelopen als gevolg van de coronasteunpakketten maar toch valt het hier nog mee. In andere landen is de staatsschuld veel hoger. Al kun je je ook afvragen wat in dit geval hoog is. Het gaat erom of de markt denkt dat een land zijn schuld kan terugbetalen. Toen corona toesloeg, kocht de Europese Commissie schuldpapieren op van EU-lidstaten. Dat zorgde voor vertrouwen van de markt in Europese obligaties en voor meer eenheid in Europa. Die eenheid lijkt nog groter te zijn geworden door de Russische inval in Oekraïne. Daardoor denk ik dat er qua Europese steunmaatregelen nog best veel mogelijk is, mocht dat nodig blijken.”

Volgende publicatie:
“Het gaat ons erom dat een medewerker inzicht krijgt in zijn financiële situatie”

“Het gaat ons erom dat een medewerker inzicht krijgt in zijn financiële situatie”

Gepubliceerd op: 2 maart 2022

APG en Vattenfall hebben een contract getekend waardoor het energiebedrijf voor drie jaar Geldvinder afneemt. De 2400 medewerkers van Vattenfall Nederland kunnen dankzij het digitale platform aan de slag met hun persoonlijke financiële doelen voor nu en in de toekomst. Gertjan Meijer (HR Services Vattenfall) en Richard Coonen (COO Geldvinder) over de waarde van Geldvinder.

Doel van Geldvinder is dat medewerkers op een laagdrempelige en proactieve manier aan de slag kunnen met hun financiële fitheid. Dat wil zeggen dat ze inzicht in en grip op hun financiën krijgen. Volgens Meijer past dit mooi bij de andere tools die Vattenfall zijn medewerkers biedt. “We hebben een pakket van vijf producten waarmee onze medewerkers kunnen werken aan hun financiële fitheid. Zo is er het personeelsfonds, dat in bijzondere gevallen een lening kan bieden aan een medewerker. Daarnaast geven we in samenwerking met het Nibud de papieren Geldkrant uit. Voor financieel inzicht kan een medewerker al in gesprek met een adviseur van EBC Nederland en voor pensioenvragen kan hij of zij terecht bij ABP. En als laatste toevoeging is er nu dus Geldvinder. Dat is de afgelopen twee jaar gebruikt door onze jongerenorganisatie Megawatt. Mede dankzij hun positieve reacties besloten we Geldvinder aan onze hele organisatie aan te bieden. De deelnemers vinden het een mooie aanvulling op ons bestaande pakket en zijn te spreken over de gebruikersvriendelijkheid en het gemak van de tool.”

Vattenfall heeft behoorlijk wat aandacht voor de financiële situatie van zijn medewerkers. Is daar een specifieke aanleiding voor?
“Dat niet, maar we vinden het als werkgever belangrijk goed voor onze medewerkers te zorgen. Onderdeel daarvan is het onderwerp van financiële problemen uit de taboesfeer te halen en bespreekbaar te maken. Daarnaast hebben we als energiebedrijf te maken met klanten die bijvoorbeeld moeite hebben met het betalen van hun rekening.We zijn in gesprek met onder meer het Nibud en gemeentes over hoe we schuldproblemen kunnen voorkomen of op tijd opmerken zodat we kunnen helpen. Dat contact met die klanten speelt ook een rol in de aandacht die we als organisatie voor financiële fitheid hebben.” 

Welk doel hebben jullie met Geldvinder?
“Wanneer mensen in financiële problemen zitten, kan dat leiden tot ziekteverzuim of minder goed functioneren. Het is dus belangrijk het bespreekbaar te maken en medewerkers daarin zoveel mogelijk te ondersteunen. We zien Geldvinder vooral als een tool waarmee medewerkers inzicht krijgen in hun financiële situatie. Bijvoorbeeld wat hun uitgaven zijn, en wat er nodig is om voor bepaalde doelen te sparen, zoals een koophuis, kinderen of een bruiloft. Dat stukje miste nog in de andere producten die we bieden. Nu ondersteunt Geldvinder onze mensen vooral digitaal. Op den duur is het ook mogelijk om er gesprekken aan te koppelen, maar we weten nog niet of dat iets toevoegt aan wat we al bieden.”

Een werkgever kan dus behoorlijk veel doen om zijn medewerkers te wijzen op het belang van financiële fitheid. Maar is het uiteindelijk niet de verantwoordelijkheid van de medewerker zelf?
“Uiteindelijk is het dat inderdaad. Maar je kunt als werkgever wel faciliterend optreden en dat doen we op deze manier. Als Vattenfall besteden we bijvoorbeeld ook veel aandacht aan vitaliteit. Zo kunnen medewerkers een preventief gezondheidsonderzoek laten uitvoeren of met korting activiteiten ondernemen die zijn gericht op fitheid. Ook veiligheid is belangrijk in ons bedrijf. Je moet je realiseren dat niet iedereen bij ons een kantoorfunctie heeft, er werken ook collega’s in de energiecentrales en op de windmolenparken. Dat werk kent risico’s waar we zorgvuldig mee om gaan. We luisteren als werkgever continu naar onze medewerkers, om erachter te komen wat hun behoeften zijn. Net zoals we dat bij klanten doen. En het houdt ook niet op bij de financiële fitheid of gezondheid van onze medewerkers. Zo bevorderen we ook hun duurzame inzetbaarheid door de mogelijkheid aan te bieden door te groeien in ons bedrijf."

Via Geldvinder kan Vattenfall de financiële fitheid van zijn medewerkers in de gaten houden. Zijn er geen zorgen over privacy?
“Het is anoniem. En dat is maar goed ook, want we willen niet dat die informatie via Geldvinder bij ons komt. Daar hebben we andere manieren voor, zoals een gesprek tussen een medewerker en een leidinggevende. Bij Geldvinder gaat het er ons echt om dat een medewerker zélf inzicht krijgt in zijn of haar financiële situatie. Nu door inflatie veel producten duurder worden, kan Geldvinder hen ook helpen met manieren om geld te besparen. Dat is voor ons als werkgever belangrijker dan dat er bepaalde scores uitrollen en we daar iets mee doen.”

Vattenfall is een van de 20 werkgevers die APG hielpen het platform op te zetten. Van die werkgevers hebben 8 werkgevers nu een contract getekend, waaronder de Vrije Universiteit en APG zelf. Met de rest van de partners is APG nog in gesprek. “We zijn als APG twee jaar geleden gestart met Geldvinder omdat we de financiële fitheid van mensen wilden bevorderen,” zegt Richard Coonen (COO Geldvinder). “Dat is volgens ons net zo belangrijk als fysieke en mentale fitheid. APG en Vattenfall zitten wat dat betreft op één lijn. En net als APG hecht Vattenfall veel waarde aan goed werkgeverschap en willen zij vanuit maatschappelijke betrokkenheid hun medewerkers op verschillende manieren ondersteunen. Het is daarom mooi om te zien dat zij als grote werkgever Geldvinder voor in ieder geval drie jaar beschikbaar stellen aan hun medewerkers.”

Volgende publicatie:
“De blockchain heeft geen helpdesk of verzekering”

“De blockchain heeft geen helpdesk of verzekering”

Gepubliceerd op: 24 februari 2022

Actuele kwesties op het gebied van economie, (verantwoord) beleggen, pensioen en inkomen: iedere week geeft een expert van APG een helder antwoord op de vraag van de week. Deze keer: Portfolio Manager Jean-Paul Koopmans over de vraag of non-fungible tokens (NFT’s) de toekomst hebben of slechts een hype zijn.

Twee ton betalen voor een digitaal plaatje van een aap met een petje op en een pizzapunt in z’n mond. In de wereld van de non-fungible tokens kijkt niemand er meer van op. In dit geval krijg je door het digitale eigendomsrecht op het plaatje ook toegang tot een exclusieve virtuele club: de Bored Ape Yacht Club. De apenplaatjes behoren tot de duurste NFT’s van dit moment, in een markt waar vorig jaar voor 44 miljard dollar werd verhandeld. Handel in voorwerpen die alleen digitaal bestaan. Kort gezegd is een non-fungible token een digitaal eigendomscertificaat van een voorwerp of gebeurtenis. Dit certificaat staat geregistreerd op de blockchain: een enorme database die wereldwijd over vele computers is verdeeld. Je koopt zo’n token met ethereum of een andere cryptomunt op een digitale marktplaats zoals OpenSea.

De waarde van een NFT wordt bepaald door de toepassing die het biedt, legt Koopmans uit. Denk aan toegang tot een virtuele club of een digitaal kledingstuk of attribuut dat je kunt gebruiken voor je digitale avatar in een computerspel. Biedt een NFT geen concrete toepassing? “Dan kun je er eigenlijk alleen maar mee pronken dat je de rechtmatige eigenaar bent, of het doorverkopen op een handelsplatform.” De mogelijkheid om het te verhandelen via de blockchain heeft de NFT gemeen met een cryptomunt. Maar daar houdt de vergelijking ook op. Een cryptomunt is in de eerste plaats een betaalmiddel waarmee je bijvoorbeeld digitale transacties kunt bekostigen, terwijl een NFT een unieke registratie van een goed is.


Speculatief

“NFT’s worden gemint. Tijdens dat proces zijn mensen in de race om een virtueel werk te bemachtigen, bijvoorbeeld een plaatje van een aap,” aldus Koopmans. “In het geval van de Bored Ape Yacht Club ging het om 10.000 verschillende plaatjes. Die hadden unieke kenmerken, en hoe zeldzamer de kenmerken, hoe populairder het plaatje. Maar het is volstrekt willekeurig of je een plaatje krijgt dat populair blijkt te zijn of juist niet. En dat is meteen een groot nadeel van de handel in NFT’s: het is hoogst speculatief en dus heel moeilijk er waarde aan toe te kennen. Daarin verschilt het van asset management, waar we gebruikmaken van berekeningen die aantonen hoeveel een bedrijf ongeveer waard is. Die methodes zijn breed geaccepteerd. Elke NFT is daarentegen uniek en dus moet je maar raden hoeveel zo’n plaatje waard is of kan worden. Er worden ook steeds nieuwe collecties van die tokens uitgegeven en 99 procent daarvan is waardeloos. Ik zie het daarom zeker als een hype. Net zoals voetbalplaatjes en postzegels ooit een hype waren.”

Toch ziet Koopmans wel degelijk toekomst voor de NFT’s. “Wat een notaris doet in Nederland kan volledig gedigitaliseerd worden op een blockchain. Dan wordt de eigendomsakte van een appartement een NFT. Dat kan flinke gevolgen hebben voor huizenbezit. Bij de notaris is het nu lastig om een eigendomsakte te verdelen in meerdere kleinere akten. Een NFT maakt het juist makkelijk om bijvoorbeeld een huis op te splitsen onder meerdere eigenaren. De maandelijkse huuropbrengst wordt dan via de blockchain onder hen verdeeld. Dat scheelt je notariskosten én je maakt zaken die heel illiquide zijn liquide. Zo kun je een huis van bijvoorbeeld vijf ton verdelen over 100 NFT’s met een waarde van 5000 euro per stuk. Voor mij zou dat een hele mooie, nette toepassing zijn van het principe van NFT’s. Maar vooralsnog heeft een NFT geen juridische basis en de handtekening van een notaris wel.”

De technologie is robuust maar laat geen ruimte voor fouten aan de kant van de gebruiker

Blockchain
De vraag is wel of het handelen met een NFT veilig is. “Als een naam of adres op de eigendomsakte verkeerd staat, kun je de notaris bellen die het vrij gemakkelijk kan corrigeren. Maar de blockchain heeft geen helpdesk of verzekering. Dat betekent dat als je de NFT van je duurbetaalde plaatje van een aap per ongeluk naar een verkeerde digitale portemonnee stuurt, je het kwijt bent. Een fout wordt dus hard afgestraft. En dat is niet theoretisch. Zo was er een paar dagen geleden een hack op OpenSea waardoor de apenplaatjes, door middel van een phishingmail, van het ene naar het andere account konden worden gestuurd. Zelfs OpenSea kan dat niet terugdraaien, want op de blockchain is alles immutable, oftewel onveranderlijk. Met andere woorden: de technologie is robuust maar laat geen ruimte voor fouten aan de kant van de gebruiker. Blockchain kan wel als meer open worden ervaren.” Dat open karakter schuilt er onder meer in dat er dag en nacht kan worden gehandeld in NFT’s en dat er nog geen regels zijn die de handel beperken.

Het gebrek aan een juridische basis en de veiligheidsrisico’s weerhoudt een institutionele belegger als APG er ook van om te investeren in NFT’s. “Voordat de Nederlandsche Bank of de Autoriteit Financiële Markten er toestemming voor geven, zal er nog door aardig wat hoepels moeten worden gesprongen,” aldus Koopmans. “Om het breed toepasbaar te maken, moet er sowieso nog veel onderzoek naar worden gedaan. We zitten nu nog duidelijk in een experimenteerfase. Wellicht komt het in een stroomversnelling als de digitale euro zijn intrede doet. Het valt of staat ook met de vraag of er een community achter staat. Maar die ontstaat pas als NFT’s concreet kunnen worden toegepast. Ik ben belegger dus voor mij zou een toepassing zijn als er een kasstroom uit zo’n digitaal eigenaarschap komt. Dan heb ik het bijvoorbeeld over muziekfragmenten of nieuwsfoto’s waarvan de NFT’s kunnen worden verhandeld.”

Van Gogh
Zoiets gebeurt nu al in de wereld van digitale kunst, waar ze duidelijk vooroplopen als het om digitaal eigendom gaat. “Het opent veel mogelijkheden voor kunstenaars om meer grip te krijgen op wat er met hun creaties gebeurt, want een NFT staat toe dat bij een transactie een deel van de verkoopsom teruggaat naar de artiest. Als Van Gogh een kunstwerk verkocht, kreeg hij maar één keer een bedrag en hoogstens wat naamsbekendheid. Door NFT kan een kunstenaar elke keer bijvoorbeeld 5 procent van de transactiesom verdienen. Zo ontstaat er dus een kasstroom uit kunst. Hetzelfde geldt als je het digitale eigendomsrecht op een liedje verkoopt. Iedereen die het liedje gebruikt moet daarvoor een bedrag betalen dat terechtkomt bij de eigenaar van het liedje en bij de artiest. Zo kun je platenmaatschappijen buitenspel zetten.”

 

Volgende publicatie:
Kunnen we in Nederland ook een Great Resignation verwachten?

Kunnen we in Nederland ook een Great Resignation verwachten?

Gepubliceerd op: 17 februari 2022

Actuele kwesties op het gebied van economie, (verantwoord) beleggen, pensioen en inkomen: iedere week geeft een expert van APG een helder antwoord op de vraag van de week. Deze keer: Chief Economist Thijs Knaap en Executive Director Beleid Peter Gortzak over de vraag of ook in Nederland werknemers massaal hun ontslag gaan indienen. “Men is in Amerika gevoeliger voor economische prikkels.”

De Great Resignation is de term die in de Verenigde Staten is gemunt om een recente trend op de arbeidsmarkt te omschrijven: miljoenen Amerikanen (vorig jaar waren het er 47 miljoen, 10 miljoen meer dan in 2020) die ontslag nemen. Dat doen ze over het algemeen niet om thuis op de bank te gaan zitten, maar omdat ze elders een baan kunnen krijgen met betere arbeidsvoorwaarden. Staat ons in Nederland ook zo’n Great Resignation te wachten?

Arbeidsvoorwaarden
Gortzak en Knaap zien daar vooralsnog weinig reden toe. En dat heeft twee grote oorzaken. Als eerste noemt Gortzak dat de Verenigde Staten een volstrekt andere arbeidsmarkt kennen dan Nederland, met zijn strengere regulering door onder meer cao’s. “Die cao’s voorkomen slechte arbeidsvoorwaarden. Wat ook verschilt met Amerika, is dat de Nederlandse overheid met haar steunpakketten veel ellende heeft voorkomen door te zorgen dat werknemers geen reden hadden om ontslag te nemen. Sommige economen vinden wel dat die steunpakketten hier te fors waren, waardoor enkele bedrijven kunstmatig in leven zijn gehouden. Ze hebben misschien een punt, maar daardoor was er hier geen aanleiding voor werknemers om massaal ontslag te nemen, zoals in Amerika.”

Net als Gortzak ziet Knaap de cao’s als een belangrijke oorzaak dat hier minder beweging op de arbeidsmarkt is dan in de Verenigde Staten. Daar hebben bedrijven vaak geen cao, en is het ontbinden van een arbeidscontract makkelijker. Dat leidt tot dynamiek: bedrijven ontslaan eerder, en werknemers kijken eerder naar mogelijkheden elders. “Voor de in Nederland grote, en door cao’s gereguleerde dienstensector is dat vaak lastiger. Een factor als loonsverhoging werkt in Amerika daarom sneller door op de arbeidsmarkt dan in Nederland. Wat je hier wel ziet, is dat bijvoorbeeld zorgpersoneel uit loondienst gaat en zich voor meer geld aanbiedt als zzp’er. Er zijn dus ook in Nederland wel manieren om betere arbeidsvoorwaarden te bedingen buiten de cao om.”

Wrange vruchten
In de zorgsector was dus wel wat beweging, net als in de Nederlandse horeca en evenementenbranche. “Daar plukken ze nu de wrange vruchten van het feit dat ze door corona lang gesloten zijn geweest,” stelt Gortzak. “Veel mensen die met een tijdelijk of nulurencontract in die sectoren werkten, kwamen op straat te staan. Zij kozen daarop vaak eieren voor hun geld en zijn bij de coronateststraten aan de slag gegaan. Dat is echt anders dan in Amerika, waar men vanuit de ene baan op zoek gaat naar een nieuwe, betere baan. Omdat het in Nederland alleen specifieke sectoren betreft, kun je hoogstens van een Resignation spreken, niet van een Great Resignation.”

 

In Nederland komen mensen toch minder snel in beweging, maar de druk op de arbeidsmarkt bestaat hier ook

De verschuiving op de Amerikaanse arbeidsmarkt heeft volgens Knaap ook te maken met de pensioneringsgolf in dat land. “In Amerika werden mensen ontslagen en kregen ze van de overheid een cheque mee, terwijl in Europa de bedrijven door de overheid overeind werden gehouden. De Amerikanen die net voor hun pensioen zo’n cheque kregen, gingen niet meer solliciteren. Zij verdwenen van de arbeidsmarkt en zorgden zo voor werkgelegenheid. In Europa bleef iedereen met een vast contract in dienst omdat ze toch doorbetaald werden.” Ook dat is een oorzaak dat er hier geen ontslaggolf heeft plaatsgevonden. “Want waarom zou je stoppen als je loon toch wordt doorbetaald? Het is in Amerika sowieso makkelijker om werknemers te ontslaan. Denk aan het beeld van de Amerikaan die met een doos in de handen het kantoor verlaat. Men is daar ook gevoeliger voor economische prikkels. Voor een klein verschil in loon wil een Amerikaan al van baan wisselen. Daardoor ontstaat schaarste en dan heb je het al gauw over een Great Resignation. In Nederland komen mensen toch minder snel in beweging, maar de druk op de arbeidsmarkt bestaat hier ook.”

Meer mensen die meer werken
Die druk is overigens een vrij recent verschijnsel. In de jaren zeventig en tachtig was er een overschot aan arbeid en konden er niet genoeg banen worden gecreëerd om alle werklozen aan het werk te krijgen. “Nu zitten we in een omgekeerde situatie,” aldus Knaap. “De babyboomers gaan met pensioen en blijven geld uitgeven, waardoor er meer arbeidskrachten nodig zijn. Tegelijkertijd is de aanwas van onderen, bijvoorbeeld door arbeidsmigratie, niet groot genoeg. De arbeidsmarktparticipatie is de afgelopen twintig jaar enorm gestegen, onder meer doordat oudere werknemers nu doorwerken tot hun AOW en niet meer vervroegd uittreden. De data ondersteunen het beeld van een Great Resignation dan ook niet. Eerder het omgekeerde: meer mensen gaan meer werken.”

Toch krijgen werkgevers hun openstaande vacatures maar met moeite gevuld. Dat heeft volgens Knaap vier gevolgen. “Er komt meer arbeidsmigratie op gang richting ons land. Denk aan de Engelssprekende dame die je te woord staat in de koffiezaak. Ten tweede leidt het tot hogere lonen, in ieder geval bij de bedrijven die zich dat kunnen veroorloven. De bedrijven die dat niet kunnen, redden het niet of kunnen in ieder geval niet groeien. En ten derde werkt het automatisering in de hand. Als een horecazaak bijvoorbeeld geen personeel kan vinden dat de bestelling opneemt, zullen ze een QR-code op tafel leggen zodat de klant via zijn telefoon kan bestellen. Een vierde gevolg kan zijn dat de overheid met maatregelen komt om de arbeidsparticipatie van vrouwen te verhogen, zoals een betaalbaardere kinderopvang.”

Volgende publicatie:
APG dringt aan op stevige klimaatactie bij Koreaanse bedrijven

APG dringt aan op stevige klimaatactie bij Koreaanse bedrijven

Gepubliceerd op: 16 februari 2022

In een brief aan het topmanagement roept APG vooraanstaande Zuid-Koreaanse bedrijven en grote CO2-uitstoters op om meer te doen tegen klimaatverandering. Namens haar pensioenfondsklanten dringt APG aan op een ambitieuze klimaatstrategie en CO2-reductiedoelstelling.

 

De brief is verstuurd naar tien grote Zuid-Koreaanse bedrijven waarin APG belegt, waaronder Samsung Electronics, Hyundai Steel en LG Chem, een groot (petro)chemisch bedrijf. Ondanks dat ze grote CO2-uitstoters zijn, valt geen van deze bedrijven onder Climate Action 100+. Dit is een door investeerders geleid initiatief dat tot doel heeft ervoor te zorgen dat 's werelds grootste uitstoters van broeikasgassen de nodige actie ondernemen tegen klimaatverandering.

 

‘Toon ambitie en leiderschap’

"Klimaatverandering is de grootste uitdaging waar de wereld voor staat", zegt Yoo-Kyung (YK) Park, Hoofd Responsible Investment & Governance Asia Pacific. "Deze bedrijven zijn belangrijk voor de Koreaanse economie en de wereldwijde toeleveringsketen. Voor het tegengaan van de klimaatcrisis is het van cruciaal belang dat ze hun bedrijfsvoering koolstofarm maken.”

 

APG roept de gekozen bedrijven op hun huidige klimaatstrategie en doelstelling voor CO2-reductie onder de loep te nemen en ervoor te zorgen dat die ‘voldoende ambitieus’ zijn. De bedrijven worden daarnaast aangespoord om met langetermijnbeleggers in gesprek te gaan over hun uitdagingen als het om klimaatverandering en de energietransitie gaat. Ook wordt ze gevraagd voorstellen en suggesties van hun aandeelhouders zorgvuldig in overweging te nemen. In de brief staat dat het belangrijk is dat bedrijven 'consistent en daadkrachtig leiderschap' tonen bij het aanpakken van klimaatverandering.

 

Focus op afnemers fossiele energie

APG's grootste klant ABP kondigde in oktober 2021 aan te stoppen met beleggen in producenten van fossiele brandstoffen. Het ambtenarenpensioenfonds wil haar inspanningen om verbeteringen af te dwingen (engagement) voortaan vooral richten op grootverbruikers van fossiele energie, zoals nutsbedrijven en autofabrikanten. Het engagement van APG bij deze tien grote Koreaanse bedrijven – waarvan geen enkele een producent van fossiele brandstoffen is – past in deze aanpak.

Volgende publicatie:
"We komen nu in een situatie waarin we te maken krijgen met schaarste"

"We komen nu in een situatie waarin we te maken krijgen met schaarste"

Gepubliceerd op: 15 februari 2022

“Het landschap voor beleggers is echt aan het veranderen.” Dat zegt APG’s Thijs Knaap in het programma Zakendoen op BNR Nieuwsradio in een gesprek over de beleidsmogelijkheden van centrale banken. “We komen nu in een situatie waar je te maken krijgt met schaarste: grondstoffen zoals olie zijn schaars, arbeid en ook kapitaal. En dat is waar de centrale banken erbij komen. Er was altijd geld zat maar als de centrale banken gaan verkrappen wordt geld schaarser en moet overheden gaan betalen voor obligaties. Die kunnen dan een serieus alternatief worden voor andere beleggingen.”

 

Knaap, chief economist bij APG, schuift geregeld aan bij het beleggerspanel van Zakendoen. In de uitzending van vandaag bespreekt hij ook de gevolgen van de stijgende rente voor pensioenfondsen. “Het is zoetzuur. De stijgende rente is goed voor de dekkingsgraad van de fondsen maar tegelijkertijd hebben we als pensioenuitvoerder ook veel in de portefeuille dat minder waard wordt. Die twee dingen bewegen tegen elkaar in. Maar als je vooruitkijkt betekenen hogere rentes gewoon dat je meer kunt verdienen op de financiële markten, dus daar kijk ik dan maar naar. Het is ook een betere tijd om belegger te zijn dan enkele jaren geleden,” vertelt Knaap in gesprek met presentator Thomas van Zijl en panellid Simon van Veen.

Luister hier de hele uitzending.

Volgende publicatie:
“Wat zijn de gevolgen van een blijvend hoge olieprijs?”

“Wat zijn de gevolgen van een blijvend hoge olieprijs?”

Gepubliceerd op: 10 februari 2022

Actuele kwesties op het gebied van economie, (verantwoord) beleggen, pensioen en inkomen: iedere week geeft een expert van APG een helder antwoord op de vraag van de week. Deze keer: chief economist Thijs Knaap over de vraag wat de gevolgen zijn als de olieprijs op het huidige hoge niveau blijft – of nog verder stijgt. “Eerst word je voor gek versleten omdat je zoveel kosten maakt voor duurzame energieopwekking. Maar er breekt onvermijdelijk een punt aan waarop je als land in je vuistje kunt lachen.”


We merken het allemaal aan de pomp: tanken doet momenteel pijn in de portemonnee. De benzineprijs – 2,17 euro op het moment van schrijven – is nog nooit zo hoog geweest. En dat heeft uiteraard allemaal te maken met de oplopende prijs voor olie. Waardoor wordt die prijsstijging veroorzaakt? En wat zijn de gevolgen als deze blijft aanhouden?


Betalen om te verkopen

De oorzaken moeten we volgens Knaap vooral zoeken aan de aanbodkant. “Toen de pandemie uitbrak, ontstond de vrees dat de economie op zijn gat zou gaan en de vraag naar olie volledig zou instorten. Die angst bleek ook wel uit de negatieve olieprijs die op 20 april 2020 geregistreerd werd in de VS. Als verkoper kréég je geen geld meer voor een vat olie, je moest ervoor betálen om het kwijt te raken. Dat klinkt misschien vreemd. Maar wanneer de vraag naar olie instort, stijgt de vraag naar opslag ongebruikelijk hard. De opslagtarieven worden dan zo hoog, dat het economisch nadelig wordt om olie in je bezit te houden.”

Achteraf bezien hebben olieproducenten overtrokken op die situatie gereageerd, zegt Knaap. “Alles wat met olieproductie te maken had, is toen stilgelegd. Dat de economie juist opveerde, was voor velen een verrassing. Daarna liep de oliebranche achter de feiten aan. Ze kon de grotere vraag niet bijbenen en omdat de prijselasticiteit van olie erg klein is (de vraag reageert maar beperkt op een verandering in de prijs, red.) leidde dat snel tot een sterke prijsstijging. De huidige hoge olieprijs is dus voornamelijk het gevolg van een verkeerde aanname in 2020 over het economisch groeiperspectief.” 


Kopschuw

Oliebedrijven kunnen de productiecapaciteit niet van de ene op de andere dag vergroten. Maar ook toen duidelijk werd dat de economie ondanks corona overeind zou blijven, is er geen haast gemaakt met uitbreiding. Knaap: “Er is te weinig geïnvesteerd in meer productiecapaciteit, omdat investeerders vrezen dat ze dat kapitaal niet gaan terugverdienen. Onder zo’n onzeker gesternte steken ze geen geld in nieuwe boorplatforms of andere olie-gerelateerde infrastructuur. Sinds de eeuwwisseling rekenen we er weliswaar op dat we een tijdelijk olietekort kunnen opvangen met de Amerikaanse productie van schalieolie. De productie daarvan kan namelijk sneller opgeschaald worden omdat er geen grote installaties voor nodig zijn. Maar ook de producenten van schalieolie zijn kopschuw geworden. In 2014 en 2015 is in die sector veel geleend om de productie uit te breiden. Toen de olieprijs daarna halveerde, konden veel producenten niet meer aan hun betalingsverplichtingen voldoen en gingen ze failliet. Door de grote sprongen in de olieprijs is het risico van investeringen groot.”


Gepeperde rekening

Ook de verwachtingen ten aanzien van de energietransitie dragen bij aan de onzekerheid bij producenten. “Als klimaatdoelstellingen het in de toekomst mogelijk verhinderen om olievoorraden uit de grond te halen, denkt een oliebedrijf twee keer na voordat het grootschalig investeert in infrastructuur om die winning te realiseren,” zegt Knaap.  


Dan de gevolgen. Als de olieprijs op de langere termijn zo hoog blijft als nu, betekent dat veel meer dan een gepeperde rekening na het tanken. Knaap: “Hoe je het ook wendt of keert: we zijn dan als land gewoon slechter af. Toen we nog meer gas wonnen, waren we minder kwetsbaar voor een hoge olieprijs. Met de gasexport profiteerden we zelf ook. Maar Nederland is nu importeur van fossiele brandstoffen geworden, zoals dat tijdens de oliecrisis in de jaren ’70 ook het geval was. Wat we importeren is duurder geworden, terwijl de prijs van onze export hetzelfde is gebleven. De overheid kan proberen de burgers te compenseren voor die prijsstijgingen, maar uiteindelijk zal daarvoor dan toch weer een andere belasting omhoog moeten.”


Te afhankelijk

Die structurele kwetsbaarheid voor een hoge olieprijs kan echter ook een mogelijk signaal zijn voor politici om serieus naar alternatieve, duurzame vormen van energievoorziening te gaan kijken. Knaap: “Wind en zonne-energie worden steeds goedkoper – qua opwekking zelfs goedkoper dan fossiele brandstoffen. Maar de úitbreiding van de productiecapaciteit is nog steeds 25 keer zo duur als bij fossiele brandstoffen. Die hoge olieprijs toont aan dat we nog helemaal niet klaar zijn voor een grootschalige overstap op duurzame vormen van energie. We zijn nog veel te afhankelijk van fossiele energie.”


Toch zou je er, ondanks die aanzienlijke vereiste investeringen in productiecapaciteit, voor kunnen kiezen om nu al meer in te zetten op duurzame energieproductie en zelfvoorziening. “Eerst komt er een periode waarin je voor gek wordt versleten omdat je zoveel kosten maakt voor energieopwekking. Maar er breekt onvermijdelijk een punt aan waarop je als land in je vuistje kunt lachen. Fossiele energie is dan niet meer te betalen, terwijl jij al de nodige investeringen hebt gedaan om zelf op een duurzame manier in je energiebehoefte te voorzien.”

 

Volgende publicatie:
APG investeert in Taronga Ventures’ Built Environment Technology Fund

APG investeert in Taronga Ventures’ Built Environment Technology Fund

Gepubliceerd op: 10 februari 2022

APG heeft namens haar pensioenfondsklanten de eerste investering gedaan in de ‘built environment technology’ (“Proptech”) in Azië-Pacific via een investering in een Taronga Ventures built environment technology Fund. De technologieën zijn gericht op het verbeteren van ESG, operationele efficiëntie en de kwaliteit van het onroerend goed. De sterke focus van het fonds op ESG-gerelateerde technologie sluit ook perfect aan bij de visie van APG om langetermijn duurzaamheid binnen vastgoed te stimuleren.

 

Klik hier voor persbericht

 

Volgende publicatie:
Wat zijn de economische gevolgen van een gewapend conflict in Oekraïne?

Wat zijn de economische gevolgen van een gewapend conflict in Oekraïne?

Gepubliceerd op: 27 januari 2022

Actuele kwesties op het gebied van economie, (verantwoord) beleggen, pensioen en inkomen: iedere week geeft een expert van APG een helder antwoord op de vraag van de week. Deze keer: macro-econoom en senior strateeg Charles Kalshoven over de mogelijke economische gevolgen van een gewapend conflict in Oekraïne. “Een belegger moet zich niet te snel laten afschrikken door geopolitieke risico’s.”

Door de samentrekking van meer dan honderdduizend Russische militairen aan de grens met Oekraïne en de beantwoording daarvan door de VS en de NAVO, is de spanning inmiddels hoog opgelopen. Er wordt rekening gehouden met een Russische inval, gevolgd door een gewapend conflict. De dreiging is niet zonder weerslag op financiële markten. De winst die de AEX in het afgelopen half jaar boekte (zo’n 12 procent) is inmiddels volledig verdampt – al speelden daarin ook zorgen rond de omikronvariant van corona, hoge inflatie en verwachte renteverhogingen door de Amerikaanse centrale bank een belangrijke rol. Russische aandelen verloren in deze periode zelfs een derde van hun waarde.

Aanbodschok
Als het gaat om de mogelijke economische gevolgen van een conflict in Oekraïne, kun je niet om Europa’s afhankelijkheid van Russisch gas heen. Kalshoven: “Onze afhankelijkheid van Rusland is in dat opzicht heel erg groot (35% van het Europese verbruik betreft Russisch gas, red.). Als een daadwerkelijk militair conflict in Oekraïne ertoe leidt dat Poetin de gaskraan dichtdraait, betekent dat waarschijnlijk een forse prijsstijging voor gas en elektriciteit. Het is een aanbodschok, die kan leiden tot een daling in de koopkracht en economische stagnatie. Want bij een tekort aan gas legt onze overheid liever fabrieken stil dan dat ze huishoudens letterlijk in de kou zet.”

Zo’n combinatie van stagnerende groei en hoge inflatie pakt meestal niet goed uit voor aandelen, zegt Kalshoven. “En ook de onzekerheid waarmee een echt conflict gepaard gaat, helpt niet. Maar misschien zou er één geluk bij een ongeluk zijn: de olieprijs hoeft de gasprijs niet te volgen. Als economieën een tandje minder draaien, drukt dat de olieprijs. Daardoor is het mogelijk dat de inflatie uiteindelijk toch meevalt. Rusland is weliswaar ook een grote olieproducent en kan dus ook invloed uitoefenen op de prijs door de oliekraan net als de gaskraan dicht te draaien. Maar oorlog voeren is duur. De vraag is dus of het land naast de inkomsten uit gas óók zonder de inkomsten uit olie kan.

De dreiging van een afsluiting van Russisch gas brengt mogelijk ook een voordeel met zich mee

Niet weglopen
Vanuit beleggingsperspectief ziet Kalshoven de situatie in Oekraïne als een reële dreiging. Maar hij voegt daaraan toe dat een belegger zich niet te snel moet laten afschrikken door dergelijke geopolitieke risico’s. “Je ziet op financiële markten wel bewegingen die toegeschreven kunnen worden aan de dreiging in Oekraïne. En natuurlijk kun je als belegger nadenken over allerlei consequenties, als de spanning ergens oploopt. Maar het betekent zeker niet per definitie dat je maar moet weglopen van de risico’s door alles te verkopen. Antti Ilmanen, een beleggingsexpert, vergelijkt het met het deelnemen aan een loterij: het kan iets opleveren, maar meestal doet het dat niet. Onderzoek laat zien dat het voor beleggers meestal loont om te blijven zitten, omdat er genoeg rendement tegenover de risico’s staat en geopolitieke spanningen meestal ook weer oplossen.”

Bovendien is het voor een belegger altijd goed om te spreiden, ook met het oog op de risico’s van geopolitieke spanningen, zegt de econoom. “Als het onrustig is in Oekraïne, hoeft dat niet te betekenen dat het ergens anders in de wereld ook meteen uit de hand loopt. Natuurlijk gaat wel alle aandacht van de internationale gemeenschap naar dit conflict. Dat kan gelegenheid bieden aan landen elders om omstreden stappen te zetten die hen goed uitkomen.”

Eerder rendabel
Die dreiging van een afsluiting van de gastoevoer door Rusland brengt mogelijk ook een voordeel met zich mee. “Het drukt Europa weer met de neus op haar afhankelijkheid van Rusland voor de energievoorziening. Daardoor wordt het belang van de energietransitie nóg duidelijker. Hoe dan ook, als je niet afhankelijk wilt zijn van Rusland, zul je serieus moeten nadenken over versnelling van alternatieven. Het energietekort dat ontstaat bij het wegvallen van Russische gasleveranties, kun je op de korte termijn niet volledig met zonne- en windenergie oplossen.”

Voor beleggingen in duurzame energie betekent een afsluiting van de Russische gasaanvoer volgens Kalshoven waarschijnlijk dat ze profiteren. “Als energieprijzen stijgen, worden duurzame energieprojecten eerder rendabel. Daar staat natuurlijk tegenover dat beleggingen in ondernemingen of projecten die veel energie consumeren, er juist last van hebben.”

    

Volgende publicatie:
“Linksom of rechtsom wordt het spannend”

“Linksom of rechtsom wordt het spannend”

Gepubliceerd op: 25 januari 2022

Welke ontwikkelingen in de economie gaan we dit jaar zien? En wat kenmerkte de economie vorig jaar? Thijs Knaap, Chief Economist bij APG, houdt dit jaar het beleid van centrale banken én de politieke en economische ontwikkelingen in China scherp in de gaten.

 

Als hét thema van zowel afgelopen jaar als dit jaar wil Knaap toch corona hebben genoemd. “Het was nu eenmaal de drijvende kracht achter heel veel zaken in 2021, positief en negatief. Denk aan lockdowns, de her en der opduikende varianten en vaccins, steunmaatregelen van de overheid, thuiswerken, groeiende ongelijkheid en de onvrede daarover.” Hij is dan ook benieuwd wat de gevolgen zullen zijn van de omikronvariant. “Als we geluk hebben, blijven de gevolgen beperkt tot verplicht thuiswerken en faillissementen van cruisemaatschappijen en aanbieders van zakelijke vliegreizen. Hebben we pech, dan staan we aan de vooravond van een lange lockdown en de vraag wat er allemaal moet sluiten om te voorkomen dat de nieuwe variant weer heel veel slachtoffers maakt,” stelt Knaap.

 

Grote bedrijven
Knaap verbaast zich nog steeds over de hoge winstgroei van de bedrijven in de wereldwijde MSCI World Index. “Die winsten zijn vorig jaar gestegen met 70%. Dus de grote bedrijven die in zo’n index zitten doen het, ondanks corona, fantastisch. Dat is echt een onverwachte wending die goed uitpakt voor beleggers. Het is wel een belangrijke ontwikkeling, want als de grote bedrijven het niet goed zouden doen, waren de economische zorgen een stuk groter dan nu.”

 

Sherlock Holmes

Wat Knaap naast de winstgevendheid van de grote bedrijven als kenmerkend voor 2021 ziet, is dat er geen heibel is uitgebroken terwijl daar wel alle aanleiding voor was. “Er is een Sherlock Holmes-verhaal waarin hij een misdaad oplost dankzij een hond die níet blaft terwijl hij dat wel had moeten doen. De bestorming van het Capitool, de spanningen in Oekraïne, staatsschulden die met tientallen procenten omhoog springen; allemaal gebeurtenissen waarvan iedereen van tevoren zei dat ze enorme economische gevolgen zouden hebben maar nu hoogstens een rimpeling veroorzaakten. Misschien komt dat omdat iedereen bezig is met corona, maar opvallend is het wel.”  

De vraag wat China gaat doen, wordt steeds belangrijker

Centrale banken
Knaap ziet het beleid van centrale banken als een belangrijk thema van 2022. “Pas wanneer het ruime monetaire beleid wordt teruggedraaid, kom je er achter wie niet zonder die financiële steun kan. Dat gaan we dit jaar uitvinden. Je weet ook nooit hoe hard het gaat, dat is het spannende van monetair beleid. Zo kunnen ze twee keer de rente verhogen zonder gevolgen. Dan doen ze het voor een derde keer en vliegt de boel ineens op slot. Dus linksom of rechtsom wordt het spannend.”

 

China

In dit nieuwe jaar houdt Knaap ook China nauwlettend in de gaten. “De vraag wat dat land gaat doen, wordt een steeds belangrijkere factor. Dat roepen we tenminste, maar we houden er nog niet echt rekening mee. Dat komt ook omdat China altijd zo ontzettend betrouwbaar is geweest als het gaat om economische groei. Altijd als het slecht ging met de wereldeconomie gingen de Chinezen meer geld uitgeven, en fungeerden ze als anker voor de wereldeconomie. Nu heeft China zijn traditionele beleid omgegooid en investeert het zichzelf niet langer uit een periode van lagere economische groei. Sterker nog, Beijing kortwiekt grote bedrijven als projectontwikkelaars en internetondernemingen nu. En dan is het nog een bijzonder jaar voor China. Niet alleen omdat volgende maand de Olympische Winterspelen plaatsvinden, waarbij allerlei politieke ongelukken kunnen gebeuren, maar vooral doordat de ambtstermijn van Xi Jinping in oktober afloopt. Waarschijnlijk blijft hij toch, maar het is een spannend moment waarbij de economie er goed voor moet staan. En op de achtergrond speelt het verhaal van grote bedrijven zoals Evergrande waarvan we niet weten of die al dan niet begeleid ten onder gaan. Die onzekerheid rond China gaat dit jaar zeker een rol spelen in de wereldeconomie.”

 

Volgende publicatie:
Wat merkt Nederland van de haperende economie in China?

Wat merkt Nederland van de haperende economie in China?

Gepubliceerd op: 20 januari 2022

Actuele kwesties op het gebied van economie, (verantwoord) beleggen, pensioen en inkomen: iedere week geeft een expert van APG een helder antwoord op de vraag van de week. Deze keer: Chief Economist Thijs Knaap over de haperende Chinese economie. “De lagere groei moest een keer gebeuren.”

 

Een economische groei van 4 procent in het vierde kwartaal van 2021. Menig land zou ervoor tekenen. Voor China, dat het cijfer maandag bekendmaakte, is het niets minder dan een tegenvaller. Het is zelfs een van de laagste groeicijfers sinds 1990. Nu de indrukwekkende economische groei van China tot een voorlopig einde lijkt te zijn gekomen, doemt de vraag op: wat gaan wij ervan merken? 

 

Een gebeurtenis in de Chinese economie kan volgens Knaap op drie manieren doorwerken in andere landen. Via de handel in goederen en diensten, via financiële kanalen en via de prijs van grondstoffen. Bij de handel in goederen en diensten, het handelskanaal, draait het vooral om de Chinese export, en in (veel) mindere mate de import. Van de pen waar je mee schrijft tot de telefoon waar je mee belt: grote kans dat het uit China komt. “Het is een beetje een Nederlands instinct om meteen aan handel te denken. Maar het opmerkelijke is dat dit instinct in het geval van China klopt,” aldus Knaap. “Want van de drie genoemde manieren heeft het handelskanaal met China de grootste invloed op Nederland.” Dat was te merken toen Nederland aan het begin van de coronapandemie mondkapjes nodig had en China die niet meteen kon leveren. Knaap verwacht niet dat het lagere Chinese groeicijfer direct grote gevolgen heeft voor de handel met Nederland. Hoogstens is de levertijd van bijvoorbeeld telefoons wat langer.

 

Handel
Men zou denken dat het handelskanaal ook het belangrijkste is in de economische relaties van Nederland met veel andere landen, maar dat is volgens Knaap niet zo. “Het beste voorbeeld hiervan zijn de Verenigde Staten, waar Nederland ook veel handel mee drijft. Toen in 2008 de financiële markten daar instortten, ging het ook hier goed mis en kwamen banken als Fortis en ABN AMRO in grote problemen. Ineens bleek het financiële kanaal de grootste invloed te hebben. De recessie in Nederland kwam namelijk niet doordat er vanuit de Verenigde Staten minder vraag was naar Nederlandse producten, maar door de blootstelling aan het Amerikaanse financiële stelsel. Dat geldt voor vrijwel elke grote economie waar Nederland handel mee drijft, maar níet voor China. Dat komt doordat Beijing heel lang zo min mogelijk financiële banden met het buitenland wilde. Daardoor is de buitenlandse invloed beperkt en kent China weinig blootstelling aan het internationale financiële stelsel. Gevolg hiervan is dat een terugval in de Chinese groei veel minder ernstig is voor een open economie als de Nederlandse, dan wanneer het misgaat op Wall Street.”

 

 

 

Het land kan niet de rest van de eeuw met 10 procent per jaar blijven groeien

Financiële banden
De financiële banden tussen China en de rest van de wereld zijn dus relatief klein, al komt er wel steeds meer buitenlands geld China binnen. Zo was in 2018 slechts 8,5 procent van de Chinese aandelenmarkten in buitenlandse handen. In het derde kwartaal van 2021 was dat gegroeid tot 10,5 procent. “De invloed van de Chinese markt is voor APG en andere beleggers wel wat toegenomen de afgelopen jaren, maar het is nog steeds niet heel veel,” aldus Knaap. Dat uit zich ook in de cijfers over 2021. “Dat was een hartstikke goed jaar, met in de ontwikkelde markten rendementen op aandelen van tegen de 30 procent. Kijk je naar de opkomende markten, waaronder China, dan gaat het om heel bescheiden rendementen, een procent of 5. Dat is vervelend voor ons als investeerder, maar geen ramp doordat China slechts een bescheiden plek in onze portefeuille inneemt. Dan zie je in het klein wat voor de wereld in het groot geldt. Presteert de markt in China even wat minder? Dan valt niet meteen de hele wereldeconomie stil.”

 

Dan is er nog de prijs van grondstoffen. “Als China heel snel groeit, is er grote vraag naar olie, ijzer en cement en merk je dat die duurder worden. Dat is een tijd heel belangrijk geweest, zo eind jaren negentig en begin deze eeuw. Toen liep de olieprijs hoog op omdat de wereld niet gewend was aan die sterk toegenomen vraag vanuit China. Dat is inmiddels wel het geval en de invloed van Beijing op de grondstoffenprijs is nu een stuk minder.”

 

Gevolgen
Dat China’s groeicijfers nu wat lager zijn, vindt Knaap niet vreemd. “Dat moest een keer gebeuren. Het land kan niet de rest van de eeuw met 10 procent per jaar blijven groeien.” Door de beperkte blootstelling aan het wereldwijde financiële stelsel hoeft de lichte hapering in de Chinese economie ook niet direct gevolgen te hebben voor de Nederlandse economie. Bij haperingen in productie en transport bestaat de kans dat China niet langer alle producten op tijd kan leveren, wat consumenten en bedrijven hier wel zouden merken. “Interessanter is de vraag of de economische groei verder vertraagt,” vertelt Knaap. “Een echt stagnerende economie is op een gegeven moment moeilijk meer bij te sturen. Dan is het afwachten hoe de Chinese bevolking reageert en wat dat voor gevolgen zou hebben voor de positie van Xi Jinping en de communistische partij. Het verhaal is dat de machthebbers in China regeren bij de gratie van de hoge economische groei. Wat er dan gebeurt bij een serieuze recessie is moeilijk te voorspellen. Maar daar zijn we, met 4 procent economische groei, nog lang niet. Bovendien zijn de Chinezen erg goed in het beheersen van dit soort economisch risico.

 

Volgende publicatie:
Weten wat je krijgt

Weten wat je krijgt

Gepubliceerd op: 16 december 2021

Of het nu met Sinterklaas of kerst is, voor velen is december de cadeaumaand. Wat je krijgt, weet je meestal niet. En dat brengt me op de vraag: wat is nou de waarde van verrassingen? Is meer weten beter?

 

Economen verwijzen in deze maand nog wel eens naar het ‘welvaartsverlies’ van cadeautjes geven. Dit verlies ontstaat als cadeaus niet aansluiten op de voorkeuren van de ontvanger. Als je geld had gegeven, dan had hij of zij iets leukers kunnen kopen. En dan was die persoon dus beter af geweest. Dertig jaar terug heeft een econoom eens uitgezocht dat van alle miljarden die aan kerstcadeautjes opgaan, tot een derde eigenlijk weggegooid geld is.

 

Het is een informatieprobleem. We kunnen nu eenmaal niet in elkaars hoofd kijken. Bij sommige mensen lukt het iets beter. Zo weten we bij cadeaus aan onze wederhelften het welvaartsverlies tot 10 procent te beperken.

 

Bij beleggen kan onvolledige informatie juist lonend zijn. Ga maar na. Bij een staatsobligatie van een kredietwaardig land heb je alle informatie. De zekerheid van de beloofde kasstromen tot het einde van de looptijd is groot. Maar het verwachte rendement is laag. Bij aandelen is de looptijd in principe oneindig en zijn zowel de dividenden als de koersbewegingen onzeker. Gemiddeld word je daarvoor op de lange termijn wel beloond. Juist door niet te weten wat je krijgt kun je een risicopremie verdienen.

 

Meer informatie is ook niet altijd beter. Beleggers in een index-tracker – maar ook pensioendeelnemers – zullen in veel gevallen hun ‘pakje’ niet openmaken. Het gaat erom dat ze een goed gespreide portefeuille hebben. Niet om hoeveel procent Ahold, Apple of Alphabet er nu precies in hun mandje zit.

 

Meer informatie is vaak handig. Maar een voordeel neemt soms zijn lelijke broertje mee. Stel dat de dokter een test heeft die met grote zekerheid je sterfdatum kan voorspellen. Dat is natuurlijk superhandig als je in eigen beheer een individueel pensioen opbouwt. Je weet precies hoeveel geld je hoelang opzij moet leggen. Dan betaal je nooit te veel. Toch vermoed ik dat die test weinig aftrek zou vinden. Het is, zeg maar, een beetje ongezellig.

 

Terug naar dat welvaartsverlies. Als iedereen zijn eigen cadeau koopt, dan is dat een superefficiënte economenoplossing. Maar ook hier geldt: het is niet zo gezellig. Misschien moeilijker om in geld uit te drukken, maar de verrassing zelf is ook wat waard. En de onderstreping van de relatie tussen gever en ontvanger.

Weten wat je krijgt, is nu eenmaal niet het leven. Zoals John Lennon zijn zoon Sean toezong: ‘Life is what happens to you while you’re busy making other plans’.

En nu we toch in Top-2000 sferen zijn, kunnen we ook de Stones aanhalen: ‘You can’t always get what you want. But if you try sometime you'll find you get what you need’.

 

Charles Kalshoven is macro-econoom en senior strateeg bij APG

Volgende publicatie:
Veranderen de vooruitzichten nu corona een blijvertje lijkt?

Veranderen de economische vooruitzichten nu corona een blijvertje lijkt?

Gepubliceerd op: 3 december 2021

Actuele kwesties op het gebied van economie, (verantwoord) beleggen, pensioen en inkomen: iedere week geeft een expert van APG een helder antwoord op de vraag van de week. Deze keer: chief economist Thijs Knaap over de vraag of de economische vooruitzichten moeten worden bijgesteld nu corona nog lang onder ons lijkt te blijven.

 

Een kleine twee jaar na de uitbraak van corona zit Nederland door toenemende besmettingscijfers weer in een lockdown. Tegelijkertijd komen er berichten uit zuidelijk Afrika over een nieuwe coronavariant. Dachten we eind 2020 nog dat de vaccins het virus eronder zouden krijgen, nu lijkt die hoop te vervliegen. Wat betekenen de nieuwe ontwikkelingen rond corona voor het overheidsbeleid, het consumentenvertrouwen en de financiële markten? “Wanneer de overheid besluit de steun te stoppen, wordt het echt een minder positief verhaal en is een economische klap met faillissementen en oplopende werkloosheid onvermijdelijk,” aldus Knaap.

 

Impact

Toen corona voor het eerst om zich heen greep, had Nederland veel profijt van de steunmaatregelen van de Nederlandse overheid. Ook centrale banken kwamen in actie, waardoor de impact op bedrijven en financiële markten lager was dan verwacht. Het aantal faillissementen is tot op de dag van vandaag zelfs historisch laag. Beleggers raakten hun geld niet kwijt, omdat bedrijven dankzij de steun konden overleven. Knaap: “Steunmaatregelen van de overheid zijn logisch bij een tijdelijke crisis, waar we tot voor kort corona nog onder schaarden. Maar je kunt je voorstellen dat de regering op een gegeven moment denkt: ‘het is mooi geweest’. Want je kunt niet tot het einde van de eeuw bedrijven overeind houden die in de nieuwe situatie eigenlijk geen bestaansrecht hebben.” Voor de economische vooruitzichten hangt dus veel af van wat de Nederlandse overheid en andere landen de komende tijd besluiten.

 

Hoe langer de lockdown in stand blijft, hoe slechter voor de economische dynamiek. “Uiteindelijk heb je mensen nodig die gaan ondernemen. Maar wie gaat er nu in deze tijd een restaurant openen? De economie krijgt hoe dan ook een tik. Dat pleit er ook voor de steunmaatregelen niet af te bouwen, zodat de bestaande bedrijven in ieder geval niet failliet gaan,” zegt Knaap. Voordeel voor Nederland is dat het nog steeds geld toe krijgt wanneer het obligaties uitgeeft. “Dat kunnen we nog jaren blijven doen zonder dat we er iets van merken.” Voor andere landen, en zeker de opkomende economieën, is de situatie penibeler.

 

Consumenten

Het consumentenvertrouwen speelt ook een rol in de economische vooruitzichten. “Economische groei ontstaat wanneer bedrijven winst maken en dat doen ze als ze genoeg spullen verkopen aan consumenten. Dat was de afgelopen periode lastig door problemen met de aanvoer van producten. Wel was er de afgelopen tijd veel vraag naar producten en diensten, omdat consumenten tijdens corona geld hebben opgepot doordat ze niet naar het café of op vakantie konden,” aldus Knaap. “De nieuwe lockdown vormt voor veel mensen toch weer een tegenslag, met de kapper en theaters die eerder moeten sluiten. Dat leidt tot minder consumentenvertrouwen waardoor consumenten voorzichtiger worden met uitgaven. En dat is nooit goed voor de economie.”

 

Schok

Het nieuws van de omikronvariant leidde al tot dalende beurskoersen. Wat zegt dat over de vooruitzichten op de beurs? “Beleggers hebben altijd de vorige schok nog in hun hoofd,” stelt Knaap. Die was in maart 2020. Maar na eerst fors onderuit te zijn gegaan, stegen de beurzen tot recordhoogtes. Mogelijk verwachten beleggers ook ditmaal dat de nieuwe uitbraak niet zal leiden tot een economische crisis. Toch houdt Knaap er rekening mee dat het anders uitpakt dan de vorige keer. “De dalende koersen zouden nu langer aan kunnen houden, omdat we corona niet meer als iets tijdelijks zien.” Moeten we daarom de economische verwachtingen bijstellen? “Het verhaal verandert nu wel. De vorige verhaallijn begon met de pandemie waarna de vaccinaties volgden en we binnen twee jaar economisch herstel met hoge groei verwachtten.” Die kans op snel herstel lijkt nu door de laatste ontwikkelingen ineens een stuk verder weg.

 

De komende weken wordt duidelijk of dit een laatste oprisping van het virus is en het blijft bij een korte lockdown. Dan is de kans groot dat de positieve economische verwachtingen van een paar weken geleden stand kunnen gehouden. Ook doordat de overheid nog lang kan bijspringen en de beurskoersen, na het opduiken van de omikronvariant, niet buitengewoon hard zijn gedaald. Toch zorgt de nieuwe lockdown voor onzekerheid, onder meer bij consumenten. Hoe langer corona onder ons blijft, hoe groter de kans dat de overheid op een gegeven moment haar ruimhartige steunbeleid stopt, waardoor het aantal faillissementen en de werkeloosheid stijgen en ook de beurzen een optater krijgen. Het verhaal is dus nog niet afgelopen.

Volgende publicatie:
Klimaatinflatie

Klimaatinflatie

Gepubliceerd op: 18 november 2021

Zowel klimaat als inflatie zijn momenteel hot topics. En ze hebben nog met elkaar te maken ook. Want de invloed van klimaatverandering – en beleid om dat tegen te gaan – op inflatie neemt de komende jaren waarschijnlijk toe.

 

Voor de duidelijkheid: klimaat is niet de grote verklaring achter de huidige hoge inflatie van 3,4% (oktober). Die ligt grotendeels aan ingestorte prijzen vorig jaar en aan logistieke problemen: het aanbod houdt de rap herstelde vraag na de lockdowns niet bij. Vroeg of laat lopen die effecten eruit. Klimaat kan langer een stempel drukken op de inflatie. Denk aan hogere prijskaartjes, maar ook aan grotere prijsschommelingen.

 

Waarom zou klimaat(beleid) het leven duurder maken? Laten we beginnen met de energietransitie. Die vergt meer dan hier en daar een zonnepaneel. Een systeemverandering van fossiel naar groen – en van ‘moleculen in een tank’ naar ‘elektronen in een stroomnet’ – is een gigantische en langjarige operatie. Dat kost natuurlijk geld. En het is een verbouwing die op zijn best het huis in stand houdt. Het is, zeg maar, geen uitbouw die waarde toevoegt aan je huis.

 

Dat zit zo. Fossiele energie heeft afgezien van zeer problematische nadelen ook grote voordelen. De energiedichtheid is hoog en het is makkelijk op te slaan en te vervoeren. Die voordelen raken we kwijt. Dat betekent een tik voor het producerend vermogen van de economie. Een keus hebben we uiteraard niet. Alternatief is namelijk een nog grotere dreun door de gevolgen van klimaatverandering. Waar het me om gaat is dat alle benodigde energie-investeringen zorgen voor extra vraag in de economie. Maar daar staat dus geen extra aanbod tegenover (geen ‘uitbouw’). Die combinatie werkt inflatie in de hand.

 

Het is wenselijk dat zowel aanbod van als vraag naar fossiele energie dalen. Maar als het geen gelijke tred houdt dan kunnen forse prijsschommelingen ontstaan. Zo hadden we vorig jaar nog even negatieve (!) olieprijzen, sindsdien zijn prijzen voor olie en gas fors gestegen. Gedurende de transitie zullen we vaker heftige prijsbewegingen zien. Want ongetwijfeld zal het lastig zijn om een dalend aanbod van fossiele brandstoffen precies te compenseren met een groeiend aanbod van hernieuwbare energie. En dat is nog gerekend buiten de stijgende energiebehoefte van opkomende landen.

 

Ook het beprijzen van CO2 – binnen de EU en aan de buitengrenzen – kan inflatoir uitpakken. Als door hogere transportkosten en tarieven allerlei productie dichterbij huis komt, dan is dat meestal niet goedkoper.

Mét klimaatbeleid pakt de inflatie waarschijnlijk hoger uit dan zonder

Er zijn ook factoren die de inflatie kunnen dempen. Geld kun je maar één keer uitgeven. Dus dure energie drukt de consumptie van andere artikelen – en daarmee hun prijs. Verder zie je dat overheden – uit angst voor ‘gele hesjes’? – dure energie vaak weer compenseren, al zit daar wel een grens aan. En uiteindelijk is het natuurlijk de taak van centrale banken om de inflatie onder controle te houden.

 

Cruciaal is of dat lukt. Bij de huidige hoge inflatie grijpt de Europese Centrale Bank (ECB) niet in. De redenering is dat het tijdelijk is. Ook los je logistieke problemen niet op met monetair beleid. Interessant wordt hoe de ECB straks omgaat met ‘klimaatinflatie’. Temeer omdat klimaat prominenter is geworden in de nieuwe ECB-strategie. De energietransitie is natuurlijk per definitie tijdelijk – zij het vrij uitgerekt. Is die tijdelijkheid ook reden om hogere inflatie te tolereren? Als de prijzen stijgen doordat de CO2 duurder wordt, telt dat dan als inflatie of niet? De ECB zou kunnen zeggen van niet: de prijzen nemen ‘externe effecten’ mee die er eerst onterecht niet in zaten (de ‘oude’ prijzen waren te laag omdat ze geen rekening hielden met de economische schade van uitstoot). Hoe milder het ingrijpen van de ECB, hoe hoger de inflatie uiteindelijk uit zal vallen.

 

We zijn niet zomaar terug bij de hoge inflatie van de jaren zeventig. Maar mét klimaatbeleid pakt de inflatie waarschijnlijk hoger uit dan zonder. Nu is die klimaatinflatie ergens goed voor. Het zet aan tot vergroening. De prijsverschillen tussen ‘groen’ en ‘bruin’ in allerlei producten zullen toenemen. Dat kan net het duwtje geven om bijvoorbeeld energiebesparende maatregelen te nemen. Naarmate dat beter werkt – hoe sterker bedrijven en burgers reageren op prijsprikkels – hoe minder hoog die klimaatinflatie uiteindelijk zal uitvallen. We zijn er dus zelf bij. Ons eigen gedrag kan oververhitting tegengaan – van de inflatie en van het klimaat.

Volgende publicatie:
“Is het einde van het handelsconflict tussen Europa en de VS goed voor de economie?“

“Is het einde van het handelsconflict tussen Europa en de VS goed voor de economie?“

Gepubliceerd op: 4 november 2021

Actuele kwesties op het gebied van economie, (verantwoord) beleggen, pensioen en inkomen: iedere week geeft een expert van APG een helder antwoord op de vraag van de week. Deze keer: chief economist Thijs Knaap over de vraag wat de beëindiging van het jarenlange handelsconflict tussen de VS en de EU betekent voor onze economie.  “Het is een stap in de goede richting maar het grotere beeld over de handel is wereldwijd negatief.”


De handelsoorlog die de Amerikaanse president Trump ontketende, is op 31 oktober 2021 gedeeltelijk gestaakt – het gevecht met China is nog in volle gang, maar aan het Amerikaans-Europese front zijn de gemoederen wat bedaard.  Het conflict begon op 1 juni 2018 met de invoering van importheffingen door de VS – 25 procent op staal en 10 procent op aluminium uit onder andere de Europese Unie. De EU liet die zet niet onbeantwoord en verhoogde de importtarieven voor een groot aantal Amerikaanse producten van 5 procent naar 31 procent. Naast staal en aluminium ging het ook om producten als motoren, cranberry-sap, whisky, schoenen en kleding.


Met het opschorten van deze EU-tarieven (die bovendien op 1 december 2021 verdubbeld zouden worden) en het schrappen van een aanzienlijk deel van de Amerikaanse importheffingen op Europees staal, lijkt de strijdbijl nu begraven. Wat gaan we daar economisch van merken?


Vies staal
Knaap: “Een econoom wordt niet blij van invoertarieven, want een land beschermt industrieën daarmee op een kunstmatige manier en dat leidt tot inefficiëntie. Als een land met een bepaalde industrie niet op eigen kracht kan concurreren op de wereldmarkt, kan het die producten beter importeren uit landen die deze goedkoper kunnen maken. Economisch gezien is het altijd beter als iedereen zich richt op waar hij het beste in is. Wat dat betreft is de recente overeenkomst tussen de VS en de EU goed nieuws. Tegelijkertijd is het niet meer dan een stap in de goede richting. Want de grotere wereldwijde trend is dat werelddelen hun markten juist afschermen.”

En volgens Knaap is het ook weer niet zo dat álle handelsbarrières tussen de VS en Europa zijn verdwenen. “De Harley-rijdende bourbon-drinker kan weer opgelucht ademhalen, want de importheffingen daarop verdwijnen volledig. Maar wat betreft staal doen de Amerikanen moeilijker: de importheffing verdwijnt alleen onder een bepaalde hoeveelheid staal. Bovendien hebben de VS en de EU aangegeven ‘geen vies staal’ meer te willen. Dat heeft weliswaar met het milieu te maken – staal uit China heeft een grotere ecologische voetafdruk –  maar ze lijken het vooral te doen om de Westerse producenten te beschermen tegen het goedkopere Chinese staal.”


Confrontatie met kwetsbaarheden

Knaap doelt op de afspraak dat staal volledig in het EU/VS-handelsblok geproduceerd moet zijn om in aanmerking te komen voor de heffingsvrije status. Zo moet voorkomen worden dat Chinees staal een laatste minimale bewerking in Europa ondergaat om daarna alsnog naar de VS geëxporteerd te worden.


Dat ‘beschermen van de Westerse wereld’ lijkt meer te maken te hebben met een strategisch streven naar onafhankelijkheid dan met het beschermen van werkgelegenheid. Knaap: “Tijdens de pandemie zijn landen met hun kwetsbaarheden geconfronteerd. Mondkapjes bijvoorbeeld moesten uit China komen, het was lastig om aan beademingsmachines te komen, enzovoorts. Men heeft zich nog eens goed achter de oren gekrabd of ze voor dergelijke strategische producten van anderen afhankelijk willen zijn. Staal is bij uitstek een strategisch product, vooral in militair opzicht. Ook China streeft naar die onafhankelijkheid – net als Europa en de VS – en wil onder andere vliegtuigen, auto’s en microchips zelf kunnen maken. Tot een bescherming van de nationale werkgelegenheid – één van de politieke beloften van Trump voor het instellen van de invoerheffingen op staal – leidt dit in ieder geval niet. De werkgelegenheid in de Amerikaanse staalindustrie liet tijdens de regeerperiode van Trump weliswaar eerst een bescheiden opleving zien van 82.000 naar 88.000, maar zakte daarna ook weer en is nu weer 82.000. Bovendien werkten er in de jaren tachtig nog 200.000 mensen. En die afname heeft alles te maken met een toenemende productiviteit per werknemer door automatisering. Dat effect is veel sterker dan dat van een invoertarief.”    


Het echte euvel
In ‘de geopolitieke factor’ blijkt dus uiteindelijk – vanuit economisch opzicht – het échte euvel voor de wereldeconomie te zitten. “Die wordt steeds belangrijker. Er is steeds minder begrip voor globalisering en handel in goederen. Ook bij politici is globalisering steeds minder populair. Als econoom zie ik dat liever anders. Het is toch een teken aan de wand dat we steeds meer schotten gaan plaatsen tussen verschillende werelddelen. Dus ja, het effect van de beëindiging van het Amerikaans-Europese handelsconflict op de economie is positief, maar beperkt. De grotere trend laat afnemende economische globalisering zien. Dat is altijd inefficiënt en onhandig. het gaat ten koste van de werkgelegenheid en het zal een negatief effect hebben op de wereldhandel.”  

Volgende publicatie:
“Wat is de kans dat ‘Glasgow’ concrete resultaten oplevert?”

“Wat is de kans dat ‘Glasgow’ concrete resultaten oplevert?”

Gepubliceerd op: 28 oktober 2021

Actuele kwesties op het gebied van economie, (verantwoord) beleggen, pensioen en inkomen: iedere week geeft een expert van APG een helder antwoord op de vraag van de week. Deze keer: Joost Slabbekoorn (Senior Responsible Investment & Governance Manager) over de kans dat de klimaattop van Glasgow concrete resultaten op essentiële punten gaat opleveren. “Het financieel steunen van ontwikkelingslanden zal een van de heetste hangijzers zijn.”

 

Aan de vooravond van ‘Glasgow’ buitelen de nieuwsberichten over elkaar heen. Als één ding duidelijk wordt uit de stroom berichten is het wel dit: we staan er niet goed voor. Zo spraken de deelnemende landen aan de klimaatconferentie van Parijs in 2015 af dat de temperatuur tegen 2100 met niet meer dan 2 graden mocht stijgen. En idealiter met niet meer dan 1,5 graad. Maar als we op dezelfde voet doorgaan zoals nu, halen we die stijging van 1,5 graden al in 2030. Tegen 2100 kijken we dan aan tegen een stijging van zelfs 2,7 graden. Daarvoor waarschuwde het VN-milieuprogramma UNEP deze week.

 

Eerste stap

Er is dus werk aan de winkel. Maar de vraag is van wie de eerste stap wordt verwacht. Slabbekoorn: “De westerse landen hebben historisch gezien natuurlijk een grote verantwoordelijkheid voor de uitstoot van CO2. Maar op dit moment stijgt juist de uitstoot van landen zoals China en India snel. Deze landen kunnen zich niet op dezelfde, door fossiele brandstoffen gedreven, manier ontwikkelen als de westerse landen dat deden in het verleden. Daar zijn ze simpelweg te groot voor. Maar de snelle stijging van CO2-uitstoot in die landen komt ook doordat Europese staalfabrieken zijn verplaatst naar China!”

 

Landen als India en China hebben de kans hun ontwikkeling deels te stutten met hernieuwbare energie. Om ze hierin te steunen, zegden de westerse landen in Parijs 100 miljard euro per jaar aan klimaatontwikkelingshulp toe. Maar die belofte is nog niet ingelost. Slabbekoorn: “Grote kans dat dit ook een van de grootste hete hangijzers zal zijn in Glasgow. Ontwikkelingslanden willen dat rijke landen over de brug komen met geld, om zo het vertrouwen te herstellen. Ook zal er worden gesproken over het ‘handelen’ in doelen tussen landen. Dat wil zeggen dat de rijke landen de CO2-reductie in de ontwikkelingslanden financieren, omdat de uitstoot verlagen dáár makkelijker en goedkoper is dan op hun eigen grondgebied. Om deze handel mogelijk te maken en te kunnen verifiëren zijn dan wel duidelijke regels nodig.”

 

Prioriteiten

Slabbekoorn weet nog wel een paar punten waarop actie nodig is. “Een van de grootste prioriteiten is het afbouwen van het gebruik van steenkool voor de elektriciteitsproductie. Steenkool zorgt voor behoorlijk wat CO2-uitstoot terwijl een goed alternatief beschikbaar is, namelijk groene stroom. Ontbossing is een andere bron van enorme CO2-uitstoot. Een derde prioriteit is het instellen van een realistische prijs op CO2 en een stop op het subsidiëren van fossiele brandstoffen. Opmerkelijk is dat ook in Nederland nu de energierekening van de burger wordt gesubsidieerd. Begrijpelijk, gezien de huidige situatie, maar dit is indirect een subsidie op fossiele energie. De stijgende energieprijzen zorgen er ook voor dat veel landen huiverig zijn om versneld te stoppen met het gebruik van steenkool. En voor het tegengaan van ontbossing is de steun van Brazilië nodig. Helaas zit daar nu een president die juist op de hand is van de houtkapsector. Kortom, het ziet er wat deze drie prioriteiten betreft niet goed uit in Glasgow.”

 

Met de huidige sombere vooruitzichten kan het niet anders dan dat sommige maatregelen zullen ingrijpen in het leven van de consument. Slabbekoorn: “De consument móet er ook iets van voelen, omdat hij anders zijn gedrag niet verandert. En hoe eerder we beginnen met de transitie naar een duurzamere wereld, hoe minder geld en moeite het kost. Dat is uiteindelijk ook voor de consument prettiger. Want als we nu niets doen, moeten we later hard ingrijpen. Dan zal de breuk met onze huidige manier van leven een stuk steviger zijn, bijvoorbeeld door flink hogere kosten voor overheden en consumenten.”

 

Terugschrikken

Als deze top weinig of niets oplevert, lijkt een verdere opwarming van de aarde onvermijdelijk. “Maar er zijn allerlei wegen naar Parijs,” stelt Slabbekoorn. “Mocht inderdaad blijken dat er geen akkoord wordt bereikt in Glasgow, dan hóeft dat niet te betekenen dat het onmogelijk wordt toch binnen die 1,5 graad te blijven. Maar dan is er in de komende jaren wel een veel strenger beleid nodig op het gebied van energie en duurzaamheid. En het is de vraag of dat beleid er dan komt, aangezien landen nu al terugschrikken van al te strenge maatregelen. Ondertussen merken we wel al de fysieke gevolgen van een hogere temperatuur.

 

Het is uiteindelijk aan de deelnemende landen aan de klimaattop in Glasgow om eventuele afspraken in wetgeving op te nemen. Het klimaatakkoord van Parijs is juridisch bindend maar er bestaat geen internationaal instrument om het af te dwingen. Slabbekoorn: “Maar zodra deze afspraken zijn verankerd in nationale wetgeving, kan een land hier door de rechter aan worden gehouden. Dat zagen we in Nederland met de door Urgenda aangespannen zaak tegen de Nederlandse overheid. Tijdens de top zelf zijn diplomatieke contacten heel belangrijk. Maar dan zijn we weer terug bij het eerste punt, namelijk wie de eerste stap zet. Het ziet er nu niet naar uit dat ‘Glasgow’ concrete resultaten gaat opleveren, maar zo’n top kan gek lopen. Ik hou dus nog een slag om de arm.”

Volgende publicatie:
“Overheden lijken het onheil te kunnen afwenden”

“Overheden lijken het onheil te kunnen afwenden”

Gepubliceerd op: 21 oktober 2021

Op 21 oktober kijken de grootste pensioenfondsen van Nederland terug op de financiële resultaten van het derde kwartaal. Een geschikt moment om een aantal belangrijke vragen te beantwoorden. Is het waarschijnlijk dat de waardegroei van de klantenportefeuilles van APG blijft doorzetten tijdens de pandemie? Zijn obligaties nog steeds aantrekkelijk voor institutionele beleggers? En als dat zo is, waarom? Wat zijn de gevolgen van Covid voor kantoorruimtes en de stedelijke vastgoedmarkt? En waarom gaat APG, als aanhanger van actief beleggen, ook indexbeleggen aanbieden? APG’s Chief Investment Officer Peter Branner kijkt vooruit en deelt zijn visie aan de hand van vier stellingen.

 

It’s All Over Now? Vorig jaar hadden we een slechte economie en hebben we echt goede beleggingsrendementen behaald. Zijn deze rendementen ‘geleend van de toekomst’? (Of is het zo dat Covid juist een ondersteunende werking heeft gehad op de economie op de langere termijn?)


“De waarde van onze klantenportefeuilles daalde na de uitbraak van Covid, om daarna weer meteen te beginnen aan een herstel nadat overheden en centrale banken de markt en de economie begonnen te ondersteunen met zowel fiscale als monetaire stimuleringsmaatregelen. Nog voor het einde van 2020 was de waarde van de portefeuilles hoger dan vóór de pandemie. Hier zijn vier redenen voor aan te wijzen: de rentetarieven waren lager, de overheidssteun hield de economie overeind. De race om het vaccin zorgde voor sterke hoop dat we de crisis konden overwinnen. Bovendien had APG per saldo meer effecten die profiteerden van de pandemie en de economische steun (en andere gebeurtenissen die in dat jaar plaatsvonden) dan de markt.

Of er ooit een tijd komt dat we dit “terug moeten betalen” kunnen we niet met 100% zekerheid zeggen. Wat we wel weten, is dat centrale banken en overheden de steun gaan afbouwen. Dat zal de prijzen van activa onder druk zetten. Aan de andere kant zijn beleggers mogelijk bereid hogere prijzen te blijven betalen voor risicovolle activa, omdat ze hebben geleerd dat beleidsmakers in staat zijn om het onheil af te wenden. Daarnaast kan de economie mogelijk een nieuw groeitraject ingaan, aangedreven door investeringen in schone energie en ondersteund door nieuwe manieren van werken en samenwerken. De markten zullen een evenwicht vinden tussen deze tegengestelde vectoren.”

 

Bond Theme. ‘De toekomst van obligaties is niet meer wat het ooit was’. Het is onwaarschijnlijk dat de trend van dalende rentetarieven blijft voortduren en deze kan zelfs omgekeerd worden. Daardoor zijn obligaties vanuit een rendementsoogpunt een stuk minder aantrekkelijk.


“De rente die we momenteel krijgen op obligaties is negatief, wat betekent dat we moeten betalen om deze aan te houden. Een belangrijke reden waarom we obligaties zouden blijven aanhouden, is de mogelijkheid dat de rente een nóg negatievere richting opgaat. In dat geval zal de waarde van de obligaties die we hebben, stijgen. En dat is, gemiddeld gezien, precies het geval geweest in de afgelopen 20 jaar. Op de kortere termijn zou dit zich voordoen tijdens een financiële crisis, of wanneer centrale banken de rentetarieven blijven verlagen om de inflatiedoelstellingen te realiseren. Toch hebben we tijdens de coronacrisis van 2020 al gezien dat de rentetarieven niet significant zijn gedaald. Dus het aanhouden van obligaties heeft onze klanten niet zoveel geholpen als vroeger het geval geweest zou zijn.


Het lichtpunt is hier dat de huidige waarde van de verplichtingen van onze klanten – de pensioenen die in de toekomst uitbetaald moeten worden – zich als een obligatie gedraagt.  Dus als het minder aantrekkelijk is om obligaties aan te houden, betekent dat ook dat de verplichtingen die zijn aangegaan niet zo risicovol zijn. Dit was en is nog steeds het belangrijkste argument voor pensioenfondsen om obligaties aan te houden.”

 

I’m A Loser. De Nederlandse architect Rem Koolhaas heeft openlijk gezegd dat de ‘Stadsbewoners van nu losers zijn’. Betekent Covid slecht nieuws voor kantoorruimtes en stedelijk vastgoed?


“De betaalbaarheid van stedelijke huisvesting staat onder grote druk. Dit wordt gedeeltelijk gedreven door de vraag: mensen trekken naar de stad vanwege de economische, sociale, educatieve en culturele mogelijkheden (waaronder de aanwezigheid van stimulerende architectuur van Koolhaas en zijn vakgenoten) die de steden te bieden hebben. Covid heeft een verandering teweeggebracht in de manier waarop mensen elkaar ontmoeten, socialiseren, werken en samenwerken. Het is op dit moment nog niet duidelijk welke impact dit zal hebben op het vloeroppervlak dat een kantoormedewerker nodig heeft. Het is dus ook nog geen vaststaand gegeven dat dit zal afnemen. Wél duidelijk is dat het voor kantoren moeilijker wordt om aan de eisen te voldoen. Kantoren moeten nog steeds goed bereikbaar zijn met openbaar vervoer. En de private vervoersmiddelen moeten efficiënter worden qua verbruik en een uitstekende en robuuste technologische infrastructuur hebben. Binnenstedelijke ontwikkeling, geconcentreerd rond openbare transportverbindingen, blijft een van de duurzaamste manieren om de samenleving te voorzien van mogelijkheden om met elkaar in contact te komen.“ 

 

Play With Fire. De markten voor meme-aandelen, bitcoins, etc., lijken tegenwoordig wel een spelletje te zijn. ‘Flows’ lijken belangrijker te zijn dan fundamentals. Dat klinkt niet als efficiënte markten. Dus waarom maakt APG een verschuiving richting indexbeleggen?  


“Actief beleggen betekent kiezen welke effecten en bezittingen er in een bepaalde markt gekocht moeten worden, in plaats van die beleggingen exact af te stemmen op de marktindex. Om dat te kunnen doen, moeten onze beleggers onderzoeken wat de waarde van die assets in een bepaalde markt zou kunnen zijn en de meest aantrekkelijke activa daaruit kiezen. Dit kost geld, wat betekent dat actief beheer meer rendement moet genereren dan de kosten die ervoor gemaakt worden. Het kost tijd, omdat het wel even kan duren voordat die aantrekkelijke investeringen inderdaad meer geld opleveren dan de index. En er is ook wat geluk voor nodig, omdat de beoordeling ook verkeerd kan uitpakken. Het is een beetje vergelijkbaar met een sportwedstrijd: zelfs het best getrainde team, met de meest vaardige coaches en spelers, zal niet in de eerste minuut scoren en zal niet elke wedstrijd winnen. Maar zo'n team heeft wel een goede kans om aan het einde van een lang seizoen bovenaan de ranglijst te eindigen.


APG weet hoe actief beheer in elkaar zit en is ervan overtuigd dat het toegevoegde waarde kan opleveren. We moeten echter ook erkennen dat, op basis van kosten-batenoverwegingen, niet alle klanten voor een actieve benadering willen kiezen in alle markten waarin ze beleggen. En gezien onze omvang, kan APG ook die klanten helpen met innovatieve en verantwoorde indexoplossingen.”

Volgende publicatie:
"Is de angst voor het inflatiespook terecht?"

“Is de angst voor het inflatiespook terecht?”

Gepubliceerd op: 21 oktober 2021

Actuele kwesties op het gebied van economie, (verantwoord) beleggen, pensioen en inkomen: iedere week geeft een expert van APG een helder antwoord op de vraag van de week. Deze keer: Senior Strategist Frank van Weegberg over de vraag of de opgelopen inflatie van kortdurende aard is of niet. “Globalisering heeft decennialang de prijzen gedrukt.”


Nu het inflatiecijfer in Europa is opgelopen tot 3 procent en in de Verenigde Staten gestegen is tot 5 procent, is de hamvraag: Is het een ‘piek’ of ‘schok’ van één tot twee jaar, of gaat de inflatie langer duren en op die manier de koopkracht uithollen? Dikke kans dat het om het eerste gaat, zegt Van Weegberg. “De huidige inflatie bestaat voornamelijk uit twee effecten. Het ene wordt veroorzaakt door problemen met productie, logistiek en bevoorrading. Het andere effect is het gevolg van de fors gestegen gasprijzen. Wij denken dat beide effecten tijdelijk zijn. En dus is de huidige inflatie waarschijnlijk ook van voorbijgaande aard.”


Het eerste effect (de productie-, logistieke en bevoorradingsproblemen) trad als gevolg van de coronapandemie wereldwijd op. Van Weegberg: “Denk bijvoorbeeld aan de schaarste van computerchips, waarvan de gevolgen hebben doorgewerkt in veel industrieën. Maar er hebben ook heel veel spullen vastgezeten in het Suezkanaal, als gevolg van de blokkade in maart door containerschip Ever Given. Dit alles heeft voor veel producten geleid tot gestegen prijzen. Maar op een gegeven moment, als de laatste naweeën van die problemen zijn weggeëbd en het aanbod zich weer heeft hersteld, dalen die prijzen ook weer.”    


Schaliegas

Ook het tweede effect – de gestegen prijzen voor olie en gas – blijft volgens de Senior Strategist naar verwachting niet lang aanhouden. “Ook daar zijn de hoofdoorzaken tijdelijk van aard: problemen bij de gasproductie in Noorwegen, een laag aanbod van windenergie als gevolg van een ongebruikelijk windstille periode en het uitblijven van de goedkeuring van de Nord Stream 2 gaspijpleiding. Dergelijke prijsstijgingen zijn schoksgewijze effecten die ook weer verdwijnen, ook omdat bijvoorbeeld het aanbod van schaliegas toeneemt. Dat is relatief bewerkelijk om te produceren maar bij een hoge olie- en gasprijs wordt het weer rendabel.”


En oplopende Covid-19 besmettingen in de winterperiode? Kunnen die nog roet in het eten gooien? “Nieuwe lockdowns zouden het aanbod van producten weer kunnen drukken, wat voor een nieuwe inflatiepiek kan zorgen. Maar ook dan is het effect op de inflatie niet structureel. Dat kun je ook aflezen aan de verwachtingen van officiële partijen, zoals centrale banken. De Europese Centrale Bank bijvoorbeeld gaat ervan uit dat de inflatie in de Eurozone terugvalt naar 1,5 procent in 2023.”   


Wanneer ligt die structurele, langdurige inflatie dan wel op de loer? Van Weegberg: “Dat soort inflatie ontstaat eerder als we te maken krijgen met een loonprijsspiraal. Als de lonen te veel stijgen, duwt dat het algemene prijspeil omhoog want arbeid wordt duurder. Maar zo’n spiraal ontstaat pas wanneer een hoge economische groei en een lage werkloosheid gelijktijdig optreden. De werkloosheid in Nederland is weliswaar laag, maar in de Eurozone is hij met 7,5 procent nog relatief hoog. Om die reden is een loonprijsspiraal nu onwaarschijnlijk.”


Vakbonden
Naast die hoge Europese werkloosheid zijn er volgens Van Weegberg nog twee redenen waarom we dat effect van stijgende lonen op de inflatie waarschijnlijk niet gaan zien. “De macht van vakbonden is kleiner geworden. Zelfs in traditionele industrieën als de metaalindustrie zijn tegenwoordig veel minder werknemers lid van een vakbond. In nieuwere sectoren is de organisatiegraad nog veel lager. Tel daarbij op het toegenomen aantal zzp’ers en het is niet vreemd dat de onderhandelingspositie van vakbonden is verslechterd.   
Daarnaast is ook het effect van stijgende lonen op het algemene prijspeil minder sterk geworden. Globalisering betekende dat we meer zijn gaan importeren uit landen met lagere lonen. Dat heeft decennialang de prijzen gedrukt. Dus als onze eigen lonen stijgen, leidt dat niet meer zo snel tot inflatie als voorheen.”  


Met het ‘spook’, zoals dat in de jaren ’20 in Duitsland opdoemde, krijgen we dus voorlopig niet te maken. En de inflatie die nu optreedt, is eigenlijk wel gezond, zegt Van Weegberg. “We hebben lange tijd een heel lage inflatie gehad, zelfs minder dan 1 procent. Normaliter zitten we in Europa rond de 1,5 procent. Met die 3 procent zitten we daar nu ruim boven. Ik verwacht niet dat de ECB de rente in de komende twee, drie jaar verhoogt. Maar als de ECB door een aanhoudend hoge inflatie uiteindelijk genoodzaakt is de rente te verhogen, is dat op de lange termijn voor iedereen beter. De huizenmarkt normaliseert dan wellicht weer. En het gaat weer lonen om te sparen. Nu heb je koopkrachtverlies op je spaargeld. Geen enkele overheid wil dat.”

Volgende publicatie:
Beleggers sporen Zuid-Korea aan tot steviger klimaatinspanningen

Beleggers sporen Zuid-Korea aan tot steviger klimaatinspanningen

Gepubliceerd op: 14 oktober 2021

APG moedigt samen met 22 grote internationale beleggers de Zuid-Koreaanse regering aan om tot een duidelijk transitiepad te komen dat aansluit bij de klimaatafspraken van Parijs. Het land moet daarvoor onder andere stoppen met de bouw van nieuwe kolencentrales. Duidelijk klimaatbeleid helpt Koreaanse bedrijven om uiterlijk in 2050 klimaatneutraal te zijn. APG is namens haar pensioenfondsklanten een van de drijvende krachten achter dit initiatief.  

 

De deelnemende beleggers voeren actief engagement (het aanwenden van invloed door aandeelhouders om bedrijven tot veranderingen aan te zetten) met Zuid-Koreaanse bedrijven. In een brief aan de Zuid-Koreaanse presidentiële klimaatcommissie schrijven ze dat het nationale energie- en klimaatbeleid voor deze bedrijven van groot belang is om hun streven naar netto nul uitstoot (net zero emissions) waar te maken. De brief wordt ondersteund door Climate Action 100+ en is ondertekend door beleggers met een gezamenlijk beheerd vermogen van € 5.800 miljard. APG behoort met BMO Global Asset Management, EOS Federated Hermes en Sumitomo Mitsui Trust Asset Management tot de initiatiefnemers.

 

Bedrijven hebben behoefte aan duidelijk klimaatbeleid

De ondertekenaars stellen dat Zuid-Koreaanse bedrijven duidelijk nationaal beleid nodig hebben voor een succesvolle overgang naar net zero, het beperken van klimaatrisico’s en het behouden van waarde op de lange termijn. “Dit vergt ook een helder tijdspad voor het uitfaseren van kolen in lijn met de doelstelling van Parijs om de opwarming van de aarde te beperken tot 1.5°C”, staat in de brief.

 

De beleggers dringen erop aan dat de presidentiële commissie transitiepaden uitstippelt die uitgaan van het onlangs ontwikkelde Net Zero 2050-scenario van het Internationaal Energie Agentschap (IEA). “Deze transitiepaden moeten volledig in lijn zijn met het Parijse klimaatverdrag en ervoor zorgen dat de Zuid-Koreaanse economie uiterlijk in 2050 CO2-neutraal is. Ook moet niet verder worden ingezet op kolen, want dat vertraagt de onvermijdelijke en hoognodige overgang naar duurzame energie”, zegt Yoo-Kyung (YK) Park, Hoofd APAC Responsible Investment & Governance bij APG.

 

Geen kolenexpansie

In augustus uitte APG in een brief aan de Koreaanse regering al zorgen over de kolencentrales die momenteel in het land worden gebouwd. Vorig jaar verkocht APG haar belang in Korea Electric Power Corp. (KEPCO) vanwege de voorgenomen bouw door het staatsbedrijf van kolencentrales in Vietnam en Indonesië. "De uitbreiding van kolengestookte energie in Zuid-Korea gaat in tegen de inspanningen om klimaatverandering te bestrijden," zegt YK. "Het risico is ook dat de centrales minder waard of onrendabel worden omdat ze maar beperkt worden gebruikt of omdat er extra inspanningen nodig zijn om de CO2-uitstoot te compenseren.”

 

Climate Action 100+ is een samenwerkingsverband van 615 beleggers met een gezamenlijk beheerd vermogen van € 47.000 miljard. ’s Werelds grootste beleggersinitiatief spant zich ervoor in dat bedrijven die verantwoordelijk zijn voor de meeste uitstoot van broeikasgassen actie ondernemen om klimaatverandering tegen te gaan.

Volgende publicatie:
“Is de Chinese vastgoedcrisis een risico voor de wereldeconomie?”

“Is de Chinese vastgoedcrisis een risico voor de wereldeconomie?”

Gepubliceerd op: 7 oktober 2021

Actuele kwesties op het gebied van economie, (verantwoord) beleggen, pensioen en inkomen: iedere week geeft een expert van APG een helder antwoord op de vraag van de week. Deze keer: chief economist Thijs Knaap over de vraag of de wereldeconomie geraakt gaat worden door de torenhoge schuldenlast van Chinese projectontwikkelaars. “De kans dat de pleuris écht uitbreekt en de Chinese burger het vertrouwen verliest dat de overheid deze crisis kan oplossen, is klein.”

 

Gaat de in problemen verkerende Chinese vastgoedmarkt een wereldwijde crisis op financiële markten veroorzaken? Zoals dat bij het omvallen van Lehman Brothers in 2008 gebeurde? Dat is de vraag die veel beleggers bezighoudt sinds bekend werd dat de Chinese vastgoedmammoet Evergrande (totale schuld € 260 miljard) niet meer aan zijn rentebetalingsverplichtingen kon voldoen. Volgens Knaap is het onwaarschijnlijk. “De eerste vraag is of deze vastgoedcrisis een bedreiging is voor de Chinese economie zelf. Dat weet je nooit honderd procent zeker, maar die kans is klein. De Chinese overheid heeft namelijk een veel sterkere positie om in te grijpen dan Westerse regeringen, onder andere omdat ze delen van de financiële sector bezit. Als de regering wil dat een onderneming een lening krijgt van de staatsbank, dan kríjgt de onderneming die lening. Zo kan ze bedrijven uit de brand helpen.”

 

Geld terug
Bovendien hebben de Chinezen veel schuld, maar vooral aan zichzelf, zegt Knaap. Ook dat draagt bij aan de beheersbaarheid van het economische risico door de overheid. “Men hoeft niet bang te zijn dat er buitenlandse schuldeisers op de stoep staan die stante pede hun geld terug willen.”     

 

Een financieel domino-effect, zoals dat werd veroorzaakt door de val van Lehman Brothers, ligt daarom volgens Knaap niet voor de hand. “Het risico dat een crisis in een bepaalde sector overslaat naar de hele economie, is door die dominante overheidsrol in China veel kleiner dan bij ons. Men durft het aan om het te laten ploffen. Er zijn ook voorbeelden waarbij dat goed is gegaan, zoals Baoshang Bank en Huarong Asset Management. Vergeet ook niet dat de Chinese overheid deze crisis in feite zelf heeft opgeroepen. Alleen al daarom is het een heel andere situatie dan bij Lehman. Toen zorgde niet de overheid voor de aanleiding, maar de huizenmarkt.”

 

Pijn nemen
In welke zin heeft de Chinese regering deze crisis dan opgeroepen? Knaap: “Chinese vastgoedontwikkelaars lenen veel en stevig. De machthebbers hebben daar inmiddels hun bedenkingen bij. Want als de schulden blijven stijgen, wordt het financiële risico simpelweg te groot. Om dat een halt toe te roepen, heeft de toezichthouder vorig jaar een aantal regels ingesteld. Door die nieuwe, strengere regels konden vastgoedbedrijven met veel schuld in feite geen geld meer lenen op de manier waarop ze dat gewend waren. Daardoor waren ze aangewezen op de verkoop van hun eigen onroerend goed. Uiteindelijk ging dat niet snel genoeg, waardoor het op schuld gebaseerde groeimodel vastliep. Dat doet dan even pijn. China heeft ervoor gekozen om de pijn te nemen nu het probleem waarschijnlijk nog lokaal en beheersbaar is. En daar mogen we eigenlijk wel blij mee zijn. Want als het goed gaat, voorkomt deze ingreep dat de schuldpositie van ondernemingen echt een systeemrisico gaat vormen.”

 

En daarmee is ook het risico voor de wereldeconomie te overzien, zegt Knaap. “Zolang er bij de Chinezen geen paniek ontstaat, levert het geen schade op aan hun economie en zijn de problemen in de vastgoedsector waarschijnlijk wel te managen. Er is geen vertrouwenscrisis zoals bij Lehman, toen er op financiële markten fundamentele onzekerheid heerste. Wereldwijd blijft de economische impact dan beperkt tot buitenlandse schuldeisers van Evergrande die hun geld waarschijnlijk niet terugzien. De kans dat de pleuris écht uitbreekt en de Chinese burger het vertrouwen verliest dat de overheid deze crisis kan oplossen, is klein. Maar in dat geval gaan we het hier ook merken, in de vorm van minder export en problemen met de aanvoer van producten.”

 

Grens bereikt
We moeten volgens de econoom echter wél rekening houden met het effect van de strengere kredieteisen op de schuldenopbouw van de Chinezen. “Hoe meer er in China geleend wordt, hoe meer we daar wereldwijd in economisch positieve zin van merken. Tot nu toe heeft China economische tegenwind steeds het hoofd geboden door meer schulden te maken en daarmee te investeren in de groei van de economie. Maar de grens van die methode is nu bereikt. Chinezen krijgen minder makkelijk een hypotheek en aan sommige bedrijven wordt geen krediet meer verleend. Dat gaat ten koste van de economische groei en dat gaat men in het buitenland dus ook merken. Dat is het belangrijkste en meest waarschijnlijke wereldwijde effect.”

Volgende publicatie:
“Krijgt onze economie last van de krappe arbeidsmarkt?”

“Krijgt onze economie last van de krappe arbeidsmarkt?”

Gepubliceerd op: 26 augustus 2021

Actuele kwesties op het gebied van economie, (verantwoord) beleggen, pensioen en inkomen: iedere week geeft een expert van APG een helder antwoord op de vraag van de week. Deze keer: chief economist Thijs Knaap over de gevolgen van de krapte op de arbeidsmarkt voor de Nederlandse economie.

 

3,1 Procent. Dat is het percentage van de beroepsbevolking dat in juli 2021 geregistreerd stond als werkloos, aldus het CBS. Een dergelijk laag werkloosheidscijfer heeft een krappe arbeidsmarkt tot gevolg. Gaat de Nederlandse economie daaronder lijden? In de komende jaren niet, zegt Thijs Knaap. Maar op de lange termijn spelen er trends die serieuze aandacht nodig hebben, anders pakt het wél nadelig uit voor onze economie.


GGD

Knaap: “Tijdens de coronacrisis hebben we een cijfer van 4,6 procent gezien, dus de werkloosheid daalt nu best wel hard. Helemaal nul wordt de werkloosheid nooit. Maar met die 3,1 procent zitten we aardig dicht bij het laagste cijfer ooit – 2,9 procent in februari 2020. Er zijn nu meer vacatures dan werklozen. Maar dat komt óók door de mismatch tussen de soorten banen die worden aangeboden en de profielen van de werkzoekenden. Dat heeft een tekort tot gevolg, maar de ervaring leert dat zo’n probleem zichzelf binnen een paar jaar ook weer oplost. Een kwart van het horecapersoneel is bijvoorbeeld iets anders gaan doen tijdens de coronacrisis. Een deel van deze mensen is bij de GGD gaan werken, dus die zijn nu niet beschikbaar. Maar dat past zich wel weer aan, door hogere horecalonen bijvoorbeeld.”

 

En zo zijn er op de arbeidsmarkt volgens Knaap wel meer tijdelijke onevenwichtigheden die zichzelf oplossen. “Er is in Nederland ook nog een flinke hoeveelheid aan onbenut arbeidspotentieel. Er zijn 3,7 miljoen mensen die niet op zoek zijn naar werk, maar sommigen daarvan kunnen daartoe wel verleid worden. Parttime werkende vrouwen bijvoorbeeld. Dat potentieel kun je aanboren door lonen te verhogen maar ook door andere, aantrekkelijkere arbeidsvoorwaarden te bieden. Voorbeeld: iemand die nu een beperkt aantal uren werkt vanwege de combinatie met de zorg voor kinderen, wil wellicht meer werken als dat werk vanuit huis gedaan kan worden.”

 

Op de loer

Over de ‘snelle dynamiek’ zoals Knaap het noemt, maakt hij zich dus niet zo veel zorgen. In de komende decennia ligt er echter een structureel probleem op de loer dat zichzelf niet zomaar oplost. “We zouden ons meer zorgen moeten maken over de langzame dynamiek die ondertussen optreedt. De vergrijzing speelt daarin een sleutelrol. Er komen steeds meer gepensioneerden. De mensen die nu met pensioen gaan, zijn gaan werken in de jaren zeventig – waarin pensioenopbouw al gebruikelijk was. Op die manier loopt het aandeel op van mensen die niet werken maar wel geld besteden. Naarmate mensen ouder worden, hebben ze een grotere behoefte aan diensten. Bijvoorbeeld iemand die de tuin doet of huishoudelijke taken uit handen neemt, of een fysiotherapeut. Het aandeel van mensen die deze diensten kunnen leveren, neemt echter af. In de snelle dynamiek speelt dit effect een ondergeschikte rol. Maar op de lange termijn gaat dit echt wringen, tenzij je er iets aan doet.”

 

Met dat ‘wringen’ doelt Knaap op het inflatiespook. Bij een stijgende vraag en een dalend aanbod zal arbeid – en daarmee eigenlijk alles – onherroepelijk duurder worden. Wat kun je doen om dat te voorkomen? Knaap: “Grofweg zijn daar drie manieren voor. De eerste: zo veel mogelijk goederen importeren en Nederland zo veel mogelijk een diensteneconomie laten zijn. Zodat we voldoende aanbod van diensten realiseren en de prijzen daarvan dus niet heel sterk hoeven te stijgen. De tweede manier is migratie, zodat we nieuwe arbeidskrachten krijgen. Dat is de oplossing waarop Nederland de afgelopen jaren het meest heeft ingezet. Maar die oplossing levert wel weer nieuwe problemen op. Het zet de huizenmarkt en het openbaar vervoer verder onder druk. Bovendien is het een politiek beladen oplossing. De derde manier is het verhogen van de productiviteit, bijvoorbeeld via zorgrobots en zelfrijdende taxi’s. Daarin spelen die lonen nog wel een rol want als arbeid duurder wordt, ontstaat er een prikkel om te innoveren.”

 

Falen

Welke oplossing of combinatie van oplossingen ontstaat, is deels aan de politiek. Maar een scenario waarin helemaal geen migratie plaatsvindt, kan slecht uitpakken voor de gepensioneerde, waarschuwt Knaap. “Niet alles valt te importeren of te automatiseren. Zonder arbeidsmigratie kan het leven flink duurder worden, waardoor een pensioen in feite minder waard wordt. In zekere zin falen we dan in onze missie als pensioenuitvoerder.”

Volgende publicatie:
"Pensioenfondsen hebben grote verantwoordelijkheid voor het Nederland van nu en later"

"Pensioenfondsen hebben grote verantwoordelijkheid voor het Nederland van nu en later"

Gepubliceerd op: 29 juli 2021

Annette Mosman trad in maart toe als CEO van APG. In de eerste maanden van haar nieuwe functie wil ze zo veel mogelijk verfrissende inzichten opdoen. Daarom wandelt ze in 25 ontmoetingen van Amsterdam naar Heerlen. Een reis door het Nederland van Straks, waarbij steeds iemand anders haar vergezelt op een stuk van de route. Collega’s, maar ook mensen buiten APG. Zoals FNV-voorzitter Tuur Elzinga.

The Rolling Stones, Bruce Springsteen, Coldplay en Pink: ze traden er allemaal op. Het Malieveld was hun concertzaal in de open lucht. Maar het Haagse grasveld wordt ook regelmatig overgenomen door actievoerende vakbonden. Ook Tuur Elzinga heeft er ongetwijfeld heel wat voetstappen liggen. Zijn geschiedenis bij de vakbeweging gaat terug tot 2002, toen hij beleidsmedewerker werd bij FNV. Bijna twintig jaar later is hij voorzitter van de vakbond en sociale partner, om precies te zijn sinds 10 maart van dit jaar. Daarnaast was hij onder meer negen jaar lid van de Eerste Kamer voor de Socialistische Partij (SP). Hij kent dus zowel het groen van de Nederlandse polder als dat van de bankjes van de senaat.

 

Vet op de botten kweken

Het moet anders in Nederland, vindt Elzinga. De coronacrisis vormt volgens hem een kantelpunt: het doorgeschoten marktdenken moet plaatsmaken voor een maatschappelijke herwaardering. De pandemie heeft laten zien hoe onmisbaar sectoren als zorg, onderwijs en kinderopvang voor onze samenleving zijn. ‘Juist die vitale sectoren zijn de afgelopen jaren achterop geraakt’, zegt Elzinga. Scholen, ziekenhuizen en crèches werden als bedrijven bestuurd en er werd zo veel mogelijk bezuinigd. Dat leidde tijdens de coronacrisis tot een tekort aan IC-capaciteit, beschermingsmiddelen en personeel. ‘We hebben weer vet op de botten nodig, goede reserves. Dat is misschien niet zo efficiënt, maar zo voorkom je dat de hele samenleving tot stilstand komt als het even tegenzit.’

 

Bang voor de toekomst 

De pandemie heeft ook de verschillen tussen (kans)arm en rijk uitvergroot. Nederland is de afgelopen decennia steeds welvarender geworden, maar lang niet iedereen heeft daarvan meegeprofiteerd. De flexibele arbeidsmarkt heeft de vaste baan op de tocht gezet en de lonen zijn te weinig mee gestegen met de winsten. ‘De ongelijkheid is groter geworden, er is scheefgroei ontstaan’, aldus Elzinga. En dan is er nog de klimaatcrisis, waarvoor we letterlijk en figuurlijk niet meer kunnen vluchten, nu we wereldwijd worden geconfronteerd met extreem weer, bosbranden en overstromingen. Dat alles leidt tot onrust, merkt Elzinga. ‘Mensen maken zich zorgen over hun toekomst en die van volgende generaties. Je kunt als land wel alleen zoveel mogelijk geld willen verdienen, maar wat voor huis laten we achter aan onze kinderen en kleinkinderen als de sociale samenhang onder druk staat en de planeet wordt uitgewoond?’

 

Een miljoen vaste banen erbij

Gelukkig heeft de coronacrisis ook bij de politiek - van links tot rechts – en bij sommige werkgevers geleid tot het besef dat het Nederland van Straks vraagt om verandering, aldus Elzinga. We kunnen volgens hem meteen beginnen om het land in de steigers te zetten. De blauwdruk ligt er al: brede welvaart voor alle Nederlanders. Dat is de insteek van het SER-ontwerpadvies, dat vakbonden en werkgevers dit voorjaar samen presenteerden: een pakket maatregelen voor het nieuwe kabinet. Allereerst moet de arbeidsmarkt hervormd worden: er moeten weer meer vaste contracten komen, in plaats van flexibele dienstverbanden. Elzinga ziet er het liefst een miljoen vaste banen bij komen. ‘Mensen hebben behoefte aan zekerheid in werk en inkomen. Ze willen brood op de plank, hun rekeningen kunnen betalen en ook nog wat overhouden voor ontspanning.’

Het prijskaartje van klimaatverandering

Brede welvaart vraagt ook om meer investeringen van publiek geld in vitale sectoren als zorg en onderwijs. Zo moet de leegloop van personeel worden gekeerd met betere arbeidsvoorwaarden: als de lonen stijgen en de werkdruk daalt, wordt het weer aantrekkelijk om voor de klas of aan het bed te staan. Er moet ook meer geïnvesteerd worden in de kwaliteit van publieke dienstverlening, zoals UWV, de Belastingdienst – denk aan de Toeslagenaffaire – en ja, ook pensioenuitvoering. Elzinga: ‘Beter functioneren van de instituties kan de huidige vertrouwenskloof helpen dichten.’ Voor de lange termijn moet er fors geïnvesteerd worden in het tegengaan van klimaatverandering. ‘Er wordt zo gedraald, we moeten nú doorpakken. Hoe langer we dat voor ons uitschuiven, hoe hoger het prijskaartje wordt.’ Meer geld dus voor een versnelling van de energietransitie, maar dan wel sociaal verantwoord, door mensen die hun baan kwijtraken te helpen met ander werk.     

 

Sterkere overheid nodig

Met zo’n forse maatschappelijke verlanglijst kan de overheid zich niet langer afzijdig houden, vindt Elzinga. Sinds de jaren tachtig was het adagium in Den Haag: zo veel mogelijk markt, zo min mogelijk overheid. ‘Een markt is mooi om ervoor te zorgen dat er genoeg broden voor iedereen worden gebakken, maar je kunt er niet álles aan overlaten’, stelt Elzinga. ‘We zien nu de puinhoop die de mantra van liberalisering, privatisering en deregulering heeft veroorzaakt.’ De verbouwing van Nederland vraagt om een sterkere staat, die de samenleving van de toekomst actief helpt vormgeven met publieke deelnemingen en gerichte investeringen en via wet- en regelgeving zorgt dat marktpartijen hun maatschappelijke verantwoordelijkheid nemen. Die behoefte aan een sturende overheid houdt niet op bij de grens. Elzinga is bijvoorbeeld blij met het G7-plan voor een wereldwijd minimumbelastingtarief van 15 procent voor multinationals. Dat bemoeilijkt belastingontwijking via fiscale sluiproutes, doordat een halt wordt toegeroepen aan de concurrentiestrijd tussen landen om buitenlandse investeerders binnen te halen met de laagste belastingtarieven.  

 

Techreuzen

Internationale regelgeving is ook belangrijk om de invloed van Big Tech & Big Data in te perken. Elzinga: ‘Grote techbedrijven kapitaliseren data die wij als consumenten zélf produceren. Ze maken daarbij gebruik van de bestaande digitale infrastructuur, zonder er iets voor terug te geven.’ Hetzelfde geldt voor multinationals die patenten binnenslepen voor innovaties die deels elders zijn bedacht. Hun slimme medewerkers zijn immers opgeleid aan publiek gefinancierde universiteiten en putten uit de in voorgaande eeuwen opgebouwde body of knowledge van onze kennismaatschappij. We are standing on the shoulders of giants. Elzinga: ‘Data, kennis, maar ook bijvoorbeeld grondstoffen en energiebronnen als zon en wind en uiteindelijk onze hele planeet: het is van ons allemáál. Wat geeft een klein clubje bedrijven het recht om dat eigendom te claimen? Waarom zouden managers en aandeelhouders er schathemeltjerijk van mogen worden, terwijl de medewerkers en de rest van de maatschappij het met de kruimeltjes moeten doen?’

Ik hoop dat het ooit niet meer nodig zal zijn om te staken

‘Geef medewerkers zeggenschap’

De piramide moet dus op zijn kop. Dat vraagt niet om revolutie, maar wel degelijk om een radicale omwenteling, via geleidelijke, democratische weg, aldus Elzinga. De eerste voorzichtige stappen op die nieuwe weg lijken volgens hem ook al te zijn gezet. Overheden beginnen langzaamaan hun klassieke rol weer op te pakken, bedrijven nemen meer verantwoordelijkheid voor hun omgeving en worden daar ook vaker op aangesproken door consumenten, burgers en grote beleggers. Een volgende stap is het verlenen van daadwerkelijke zeggenschap aan medewerkers en de samenleving, stelt Elzinga. ‘Geef een stem aan de mensen die al die innovatieve ideeën bedenken, die het echte werk doen, die de eigenlijke rechtmatige eigenaar zijn van de producten en diensten van bedrijven: wij allemáál dus. Wie is de baas, wie beslist? Nu zijn dat managers en aandeelhouders, straks moeten we met zijn allen de baas kunnen zijn.’

 

Van aandeelhoudersrendement naar maatschappelijke winst

Elzinga voerde de afgelopen jaren namens sociale partner FNV de onderhandelingen over het pensioenakkoord. Een historisch akkoord, dat de oudedagsvoorziening in de toekomst betaalbaar moet houden, zonder het solidariteitsbeginsel los te laten. ‘In het nieuwe stelsel zie je de premie die je hebt opgebouwd directer terug in je eigen pensioenopbouw, maar we zorgen nog steeds dat mensen die pech hebben tijdens hun loopbaan óók een goed pensioen kunnen hebben en we delen als generaties de risico’s met elkaar.’ Maar de pensioendiscussie is nog lang niet klaar, denkt Elzinga. Als de rente de komende jaren zo laag blijft en beleggingsrendementen in de toekomst structureel dalen, zoals voorspeld, dan kan de belofte van een waardevast pensioen niet meer worden waargemaakt en groeit de vertrouwenskloof in de samenleving. Pensioenfondsen zouden dan een volgende stap kunnen zetten: van aandeelhoudersrendement naar maatschappelijke winst.

 

Pensioen in natura? 

Elzinga licht het toe: ‘Pensioenfondsen zouden meer moeten kijken naar de behoeften die mensen later in hun leven hebben. Hebben ze dan alleen behoefte aan een pot geld, of willen ze vooral een fijne plek om te wonen, goede zorg en levenskwaliteit? Ga dáárin als pensioenfonds rechtstreeks investeren, steek pensioengeld in nieuwe woonvormen voor senioren, goede ouderenzorg en een herstel van de sociale infrastructuur, zodat die beschikbaar zijn als mensen eraan toe zijn.’ Een soort pensioen in natura dus. En waarom alleen investeren in voorzieningen voor de oude dag? Pensioengeld kan ook vaker worden gebruikt om de huidige samenleving te verbeteren. Denk aan investeringen in de krappe huizenmarkt - die vooral jonge generaties treft - of in goed onderwijs, voor een sterk Nederland van Straks. Elzinga: ‘Pensioenfondsen hebben een groot vermogen en daarmee ook een grote verantwoordelijkheid voor het Nederland van nu en van later.’ 

 

Het staken gestaakt

Tijdens de onderhandelingen over het pensioenakkoord legde FNV, samen met vakcentrales CNV en VCP, een dag lang het treinverkeer stil om druk te zetten voor een minder snelle stijging van de AOW-leeftijd. Wat denkt Elzinga: wordt er in het Nederland van Straks nog gestaakt? ‘Ik vermoed van wel. Voorlopig zullen er nog belangentegenstelingen zijn tussen werkgevers en werknemers. Maar ik hoop dat het ooit niet meer nodig zal zijn om te staken: als medewerkers echte zeggenschap krijgen, kunnen ze meebeslissen en nemen de belangentegenstellingen af. Als je zelf de baas bent, hóef je niet meer te staken.’ Dus het Malieveld is in de toekomst geheel aan de opvolgers van The Stones en Coldplay, of het ultieme festivalterrein? Hij lacht: ‘Ja, dan komen we er samen om het gewoon gezellig met elkaar te hebben, leuke dingen te doen of dingen te vieren. Bijvoorbeeld dat we in Nederland zo’n mooi pensioenstelsel hebben.’      

Volgende publicatie:
'Wereldeconomie werkt in ploegendienst'

'Wereldeconomie werkt in ploegendienst'

Gepubliceerd op: 28 juli 2021

Beleggingsspecialisten APG over trends en ontwikkelingen op de financiële markten

 

In de VS groeit de economie het snelst, China is over de piek heen en Europa zit nog in de heropeningsfase. De wereldeconomie groeit op verschillende snelheden. Wat doet én deed dat met beleggingen? En wat zegt het over het wereldwijde investeringsklimaat? Ieder kwartaal buigen economen en beleggers van APG zich over trends en ontwikkelingen op de financiële markten. In de Asset Management View delen ze hun visie.

 

Lees hier de laatste editie van AM View

Volgende publicatie:
“Hoe lang blijven de huizenprijzen nog stijgen?”

“Hoe lang blijven de huizenprijzen nog stijgen?”

Gepubliceerd op: 24 juni 2021

Actuele kwesties op het gebied van economie, (duurzaam) beleggen, pensioen en inkomen: iedere week geeft een expert van APG een helder antwoord op de vraag van de week. Deze keer: macro-econoom en senior strateeg Charles Kalshoven, over de vooruitzichten op de Nederlandse huizenmarkt.


De prijzen van koopwoningen blijven maar stijgen. Kan dat wel goed blijven gaan? Kalshoven vermoedt van wel. In het meest waarschijnlijke (basis)scenario zal de huizenmarkt voorlopig niet onderuitgaan, denkt de econoom. De cruciale factor daarin is de rente.

“Begin jaren negentig zagen we nog percentages rond de 10 procent en gemiddeld zat de rente in dat decennium ruim boven de 6 procent. Zover zal hij nu echt niet oplopen. Bovendien verwachten we dat de stijging heel geleidelijk zal gaan, terwijl de inkomens meegroeien met de economie. Maar voorlopig houdt de ECB de rente laag, wat ook doorwerkt in de hypotheekrente. We denken dat het vijf tot tien jaar kan duren voordat de rente een nieuw, wat hoger evenwicht bereikt. Je moet dan niet denken aan de niveaus van de jaren negentig, of de ‘jaren nul’ – toen de rente gemiddeld zo’n 5 procent was. Voor de huizenbezitter is dat een gunstig scenario, want een lage rente maakt alles duurder. Aandelen, obligaties en dus ook huizen.”

Oplawaai
In een ongunstiger maar ook onwaarschijnlijker scenario steekt een nieuwe virusvariant de kop op, met bijbehorende lockdowns. De wereldeconomie krijgt dan weer een oplawaai.  
Kalshoven: “In dat scenario zien we een lage rente, maar ook een hoge werkloosheid en veel faillissementen. Banken kunnen dan op de rem gaan staan bij het verstrekken van hypotheken. In dat geval ontstaat een kopersmarkt waarin de huizenprijzen dalen. Van dit scenario zien we nu geen voortekenen. Er is geen signaal dat de huizenmarkt afkoelt.”


Een ander ongunstig scenario ontstaat vreemd genoeg als het economisch té goed gaat. Op de daarbij horende krappe arbeidsmarkt willigen werkgevers nieuwe looneisen eerder in. En dat kan leiden tot een blijvend hoge inflatie. “Centrale banken moeten in dat geval wel de rente verhogen. Lenen wordt dan duurder en daardoor kunnen de huizenprijzen onder druk komen te staan. Dat gebeurt vooral als de rente abrupt stijgt, want dan domineert het negatieve rente-effect het positieve effect van de stijgende inkomens. Maar zo’n loon-prijsspiraal is echt nog ver weg.”


Wie de Nederlandse markt voor koopwoningen wil begrijpen, kan niet om het schaarse huizenaanbod heen. “Dat aanbod is bij ons niet zo flexibel. We leven in een klein land, waarin je – ook door de strenge regels – niet zomaar even bijbouwt. Dus als de vraag stijgt, kan de huizenmarkt daar maar op één manier op reageren en dat is door prijsstijgingen. Er zijn nu weliswaar plannen om 1 miljoen huizen te bouwen voor 2030, maar ik moet het nog zien. In plannen kun je niet wonen.”


Grote zak geld
Nederlanders leggen dus steeds meer geld op tafel voor hun huizen. Over de vraag waar dat geld vandaan komt, hoeft Kalshoven niet lang na te denken. “Sinds begin jaren negentig is de rente flink gedaald en met een gemiddelde van 1,6 procent (cijfer van april – red.) nog steeds historisch laag. Kopers kunnen daardoor meer bieden op een huis, waardoor de prijzen stijgen. Voor degenen die nog geen huis hebben, is het natuurlijk wel ongunstig.”


Naast die lage rente zijn nog meer redenen waarom we met zo’n grote zak geleend geld de huizenmarkt op kunnen. “De leennormen zijn ook soepeler geworden. In de jaren tachtig kon je alleen op het inkomen van de kostwinner een hypotheek krijgen. Daarna mocht je daar ook het inkomen van de parttime werkende partner – meestal de vrouw – bij optellen. En vrouwen zijn ook meer gaan werken, waardoor tweeverdieners hogere hypotheken kunnen krijgen.


Overeind

Het zijn dus met name het blijvend schaarse aanbod en de langdurig lage rente, die de fundamenten vormen onder de Nederlandse huizenmarkt. Tenzij de economie ons onaangenaam verrast, vallen die fundamenten niet zomaar weg. De markt voor koopwoningen zal voorlopig goed overeind blijven.”

Volgende publicatie:
“Leidt het tekort aan computerchips tot inflatie?”

“Leidt het tekort aan computerchips tot inflatie?”

Gepubliceerd op: 17 juni 2021

Actuele kwesties op het gebied van economie, (duurzaam) beleggen, pensioen en inkomen: iedere week geeft een expert van APG een helder antwoord op de vraag van de week. Deze keer: chief economist Thijs Knaap, over de economische gevolgen van het wereldwijde tekort aan computerchips.

“Het meest simpele, directe gevolg, is dat het met fabrikanten van chipmachines goed gaat. Vanaf eind oktober is de beurskoers van ASML inmiddels met 85 procent opgelopen, terwijl de AEX over die periode ‘maar’ met 37 procent is gestegen. Maar dat blijft natuurlijk niet zo doorgaan. Voor een belegger in chipmachinefabrikanten is het goed om te weten dat de vraag naar chipmachines kenmerken heeft van de varkenscyclus. Als de vraag naar koteletten – en dus ook de prijs – hoog is, breiden varkensboeren uit. Als dat nieuwe vlees op de markt komt, is er juist weer teveel, wat de prijs drukt. Dat geldt ook voor de markt voor chipmachines. Net als bij varkensboeren duurt het even voordat er nieuw aanbod is gecreëerd. Dat brengt het risico met zich mee dat er over een paar jaar weer een overschot aan chipmachines en chips is. Een belegger in chipmachinefabrikanten moet daarom weten wanneer het mooi is geweest.” 

 

Bottleneck

Het indirecte effect van het chiptekort is veel groter, legt Knaap uit. “Je kunt het zo gek niet bedenken of er zit tegenwoordig een chip in. Voor autofabrikanten is het tekort een bekende bottleneck, maar de héle aanleverende industrie heeft er last van. Als die niet genoeg chips krijgt, leidt dat ook tot een gebrek aan andere onderdelen. Het risico bestaat dat de Westerse economieën vastlopen door dat tekort.

Alles is duur nu, niet alleen chips maar ook olie. Als de prijzen van veel componenten en halffabricaten oplopen, ontstaat in het ergste geval een situatie die vergelijkbaar is met de olieschokken van de jaren ’70. De grote vraag die boven de markt hangt, is: leidt het tot inflatie? Dat is de angst van veel beleggers. Centrale banken voeren nu een ruim monetair beleid, onder andere door staatsobligaties en bedrijfsobligaties op te kopen. Voor beleggers is dat mooi, want het stuwt de prijzen van obligaties én aandelen op. Maar als er inflatie ontstaat, verliezen centrale banken het excuus om dat ruim monetair beleid te voeren. Ze moeten dan stoppen met het opkopen van obligaties en in dat geval werkt het mechanisme de andere kant op. De kans neemt toe dat beurzen zullen dalen, en omdat het huidige monetair beleid al sinds 2008 wordt gevoerd, kun je zelfs een flinke correctie krijgen. Voor beleggers zal dat even slikken zijn.”


Cryptovaluta
De hoofdoorzaak van het wereldwijde tekort aan chips, was de door de Corona-pandemie extreem toegenomen vraag. Daarin speelden met name het thuiswerken en de toegenomen vraag naar spelcomputers een rol. Toch is dat volgens Knaap nog niet het hele verhaal. “De vraag naar chips heeft óók een hoge vlucht genomen door de toegenomen populariteit van cryptovaluta. Om bitcoins te minen, zijn heel veel chips nodig. En ook aan de aanbodkant speelt het een en ander. In het begin van 2020 lagen veel bedrijven in Azië stil door de lockdowns. Dat merk je nog steeds in de beschikbaarheid van goederen, waaronder chips. Bovendien zijn we onszelf door Covid-19 gaan afvragen of we voor bepaalde producten wel zo afhankelijk willen zijn van buitenlandse producenten – mondkapjes, medische apparatuur, enzovoort. Het antwoord is nee. Productie zal weer meer in Europa en de VS gaan plaatsvinden, in plaats van China. Dat is goed voor onze onafhankelijkheid. Maar het betekent wel dat alles duurder wordt.”

Volgende publicatie:
“Mijn vrouw zou trots op me zijn, omdat ik geniet”

“Mijn vrouw zou trots op me zijn, omdat ik geniet”

Gepubliceerd op: 25 maart 2021

Hoe ga je om met werk en geld voor nu en later? Leef je bij de dag of plan je doelbewust je financiële toekomst? En regel je ‘later’ zelf, of ben je aangesloten bij een pensioenfonds?

Ruud Vorstermans geniet sinds anderhalf jaar van een riant pensioen. Maar hij zou alles willen inruilen als hij daarmee zijn vrouw kon terughalen.

 

Ruud Vorstermans (68)

Beroep: gepensioneerd, was werkzaam in de automatisering en als arbeidsdeskundige

Werkte wekelijks: fulltime

Inkomen nu: 3.200 euro netto per maand

Spaargeld: zo’n 50.000 euro

Pensioen geregeld? Ja

 

Je bent sinds 2 augustus 2019 met pensioen. Hoe bevalt dat?

“Ik heb geen seconde last gehad van een zwart gat, sterker nog: ik kom tijd tekort. Ik was er echt aan toe om niet meer van alles te moeten. Dat komt ook doordat ik naast mijn werk jarenlang mantelzorger ben geweest voor mijn vrouw, die uitgezaaide borstkanker had en daar in 2018 aan is overleden.”

 

Wat verdrietig, dat moet een groot gemis zijn.

“Ja, mijn vrouw haalde het beste in me naar boven. We waren bijna 43 jaar getrouwd; wat wij hadden heeft niemand anders. Natuurlijk mis ik haar, maar erin blijven hangen levert niets op. Vier weken na haar crematie ben ik een maand met de caravan naar Italië gegaan. Ik heb een rondrit gemaakt door Toscane, naar de plekken waar we elk jaar met z’n tweeën heen gingen. Een trip down memory lane. Dat is me uitermate goed bevallen.

Ik houd de herinnering aan haar levend. Op onze eerste trouwdag na haar overlijden ben ik in vol ornaat naar haar lievelingsrestaurant gegaan, pak aan, strikje om, en ben ik daar gaan zitten met een foto van haar tegenover me. Dat vond ik prachtig om te doen en dat doe ik nog ieder jaar.”

 

Hoe breng je je dagen door nu je niet meer werkt?

“Om te beginnen wandel en fiets ik veel. Ik heb er een dagelijkse routine van gemaakt om een kilometer of zeven te lopen. Fietsen doe ik op een elektrische fiets, omdat ik zo ook op vakantie in bergachtige omgevingen vooruitkom. En ik heb mezelf een nieuwe hobby cadeau gedaan: legpuzzels van Jan van Haasteren maken. Af en toe koop ik een tweedehands puzzel via Marktplaats of Facebook. Als de verkoper in een straal van twintig kilometer rondom mijn woonplaats Bergen op Zoom woont, ga ik op de fiets. Dan heb ik meteen een doel met mijn fietstochtje.”

En wat doe je verder zoal?

“Sudoku, kruiswoordpuzzels, ik schrijf af en toe gedichten, ik hou een blog bij, ik kook. Mijn vrouw kon uitstekend koken. Toen ze ziek werd, ben ik al haar recepten gaan maken zodat ze aanwijzingen kon geven. Ik heb alles gefotografeerd en daar een kookblog van gemaakt. Met name vlak na haar overlijden heb ik daar erg veel aan gehad. Verder zet ik me in voor de borstkankervereniging. Mijn vrouw deed dat ook, vanaf de dag dat ze borstkanker kreeg tot ze eraan overleed. Dat heeft haar een erelidmaatschap opgeleverd. Ik haal er troost uit om haar werk voort te zetten. Ik houd me met name bezig met een Facebookgroep voor vrouwen met uitgezaaide borstkanker. Omdat ik altijd de zon zie schijnen, probeer ik anderen die dat vermogen niet hebben een andere visie mee te geven. Het leven houdt niet op als je ziek bent; probeer zo veel mogelijk te genieten van wat er nog wél is.”

 

Mis je het werkende leven helemaal niet?

“Nee. Ik heb 46 jaar met heel veel plezier gewerkt, maar het is mooi geweest.”

 

Wat voor werk deed je hiervoor?

“Ik ben in 1975 begonnen bij het toenmalige GAK (gemeenschappelijk administratiekantoor, red.), mijn vader werkte op het hoofdkantoor in Amsterdam. Ik had geen idee wat ik kon doen met mijn hbs-b-opleiding en mijn vader zei: probeer het hier eens. Ik kon proefdraaien bij automatisering en daarin ben ik 25 jaar blijven hangen, om uiteindelijk in een leidinggevende functie te belanden. Maar op een gegeven moment wilde ik iets anders. Begin jaren negentig heb ik in de avonduren drie hbo-opleidingen afgerond; een juridische opleiding op het gebied van personeelszaken, commerciële economie en bedrijfskundig management. Daarna ben ik als arbeidsdeskundige aan de slag gegaan. Eerst bij het toenmalige UWV en later bij een arbodienst. Dat heb ik gedaan tot mijn pensionering.”

 

Deed je dat fulltime?

“Meer dan dat. Ik begon om zes uur ’s ochtends en ging pas na de spits naar huis. Ik maakte werkdagen van rond de twaalf uur. Maar dat is niet voor niks geweest. Al die extra uren leverden 30 procent bonus op en als je een bepaald target haalde, kreeg je nog een riante bonus. Daar kon ik onze eerste caravan van kopen.”

 

Wat was je inkomen voordat je met pensioen ging?

“Mijn salaris was 5.500 euro bruto.”

 

En wat is je inkomen nu, aan AOW en pensioen?

“Op jaarbasis ongeveer 55.000 euro bruto, in de praktijk komt dat neer op 3.200 netto per maand. Ik krijg naast AOW en mijn eigen pensioen een nabestaandenpensioen van 87 euro per maand. Mijn vrouw heeft maar een jaar of vijftien parttime gewerkt.”

 

Ben je blij met wat je krijgt?

“Ik realiseer me iedere dag dat ik een riant inkomen heb. Ik zou alle geld van de wereld willen inruilen om mijn vrouw terug te krijgen, maar dat is geen optie en ik ben hier heel blij mee. Ik kom er goed van rond. Sterker: ik kan iedere maand 1.000 euro opzij zetten. Mijn kinderen, die veel meer verdienen dan ik ooit heb gedaan, zeggen: joh, maak het lekker op, koop eens een nieuwe tv. Maar waarom, worden de programma’s dan beter? Ik geef mijn geld bewust uit. Toen ik weinig geld had kocht ik van alles en nog wat, maar nu ik geld zat heb, lijk ik wel Dagobert Duck.”

Toen we wisten dat mijn vrouw niet meer beter zou worden, zijn we in de zesde versnelling gaan leven

Wat zijn je vaste lasten?

“Aan hypotheek, auto, belastingen, verzekeringen en abonnementen ben ik maandelijks rond de 1.500 euro kwijt.”

 

Waar geef je nog meer geld aan uit?

“Ik ga graag uit eten of naar het theater. Nu, in coronatijd, laat ik soms eten thuisbezorgen. Verder ga ik regelmatig op vakantie. De caravan staat alweer voor de deur om twee maanden naar de Veluwe te gaan.”

 

Hoeveel spaargeld heb je?

“Ongeveer 50.000 euro. Dat was veel meer, maar toen we wisten dat mijn vrouw niet meer beter zou worden, zijn we in de zesde versnelling gaan leven. Daarvóór deden we al heel veel, maar in plaats van naar een concert in De Kuip gingen we nu bijvoorbeeld naar concerten in Londen, Düsseldorf of Dublin. Gewoon om het nog memorabeler te maken. We hebben ook reizen gemaakt naar Amerika en Indonesië. In pakweg zes jaar tijd hebben we zo een kleine ton aan spaargeld opgemaakt. Mijn vrouw had daar weleens moeite mee, die was bang dat we niet genoeg overhielden voor het onderhoud van ons huis. Maar ik wilde er samen van genieten en herinneringen maken. Daar heb ik nog dagelijks plezier van. Ik denk dat ze trots op me zou zijn, omdat ik ondanks het gemis volop van het leven geniet.”

Volgende publicatie:
“We hebben een andere definitie nodig van een goed leven”

“We hebben een andere definitie nodig van een goed leven”

Gepubliceerd op: 22 februari 2021

Twee economen over een andere vorm van economische groei

Economische groei begint zijn tol te eisen van mens en milieu. De natuur heeft haar grenzen bereikt en mensen komen in opstand tegen de ongelijke verdeling van rijkdom. Volgens economen Hans Stegeman van Triodos Investment Management en Charles Kalshoven van APG hebben we een drastisch andere denkwijze nodig. “Je ziet dat mensen een ander gevoel krijgen voor wat waardevol is.”

 

Hans Stegeman is Chief Investment Strategist bij impactbelegger Triodos Investment Management. Hij publiceert regelmatig over de grenzen aan het huidige economische systeem. Charles Kalshoven is macro-econoom en senior strateeg bij APG. In zijn columns bespreekt hij economische ontwikkelingen en wat die betekenen voor ons dagelijks leven.

 

Hans, als econoom publiceer je geregeld over je overtuiging dat het huidige systeem van streven naar eindeloze economische groei niet meer houdbaar is. Wat bedoel je daarmee?

“Ik ben niet tegen economische groei, maar die heeft wel grote nadelige gevolgen voor de aarde. Denk aan klimaatverandering, toenemende sociale ongelijkheid en de drastische afname van biodiversiteit. Er wordt wel gezegd dat nieuwe technologie die problemen kan oplossen, maar daarvoor heb ik nog geen overtuigend bewijs gezien. Ik hoop van harte dat technieken als CO2-afvang (het opvangen van CO2 zodra het bij verbranding vrijkomt en daarmee voorkomen dat het in de lucht komt, red.) helpen, maar ik heb mijn twijfels. Ik denk echt dat we naar een andere vorm van groei moeten. Overigens vind ik economische groei een beperkt begrip om vooruitgang te meten. Groei staat niet altijd gelijk aan geluk of welzijn.”

 

Charles: “De klassieke economische theorie ziet economische groei als de uitkomst van kapitaal en arbeid. Maar sinds de industriële revolutie is daar een belangrijke factor bijgekomen, namelijk energie. En tot dusverre is dat vooral fossiele energie. Die heeft zijn prijs, in de vorm van schade voor mens en milieu. Maar die wordt niet of onvoldoende doorberekend in de prijs van producten.”

 

Toch hebben arme landen economische groei nodig om uit de armoede te komen.

Charles: “Dat is een lastig dilemma. Als je armoede wil bestrijden, heb je economische groei nodig. En die leidt weer tot een grotere vraag naar energie. Aan de andere kant wil je het gebruik van energie beperken om klimaatverandering tegen te gaan. We moeten dus op zoek naar een ander soort groei, waarvoor minder energie nodig is en meer gebruik wordt gemaakt van hernieuwbare energie. We moeten zorgvuldiger met grondstoffen omgaan en die hergebruiken; we moeten minder spullen én mensen over de hele wereld vervoeren. Wat helpt, is dat economische ontwikkeling meestal leidt tot kleinere gezinnen en dus een lagere bevolkingsgroei. Dat is weer gunstig voor het klimaat.”

 

Hans: “De grenzen van ons ecosysteem zijn keihard. Er is maar één aarde. Daar is niet aan te tornen. We zullen een manier moeten vinden om binnen deze grenzen welvaart te creëren voor iedereen. De welvaart is enorm ongelijk verdeeld. De rijkste 10% van de wereld – en daar horen ook de meeste Nederlanders bij – kopen steeds meer spullen, zonder daar echt gelukkig van te worden. Terwijl er tegelijkertijd miljarden mensen zijn die honger lijden en amper een dak boven hun hoofd hebben. Dit moet eerlijker.”

 

Hoe krijgen we zo’n duurzame, eerlijke vorm van economische groei van de grond?

Hans: “We moeten in het westen anders gaan denken. We leven in een competitieve wereld, waarin iedereen naar de top wil racen. Met een duur horloge of merkkleding als statussymbool. Maar worden we daar echt gelukkig van? Of zijn dat toch eerder waarden als saamhorigheid, en tevreden zijn met wat je hebt? Om zo’n omslag in het denken voor elkaar te krijgen, moeten alle betrokken partijen meewerken: de overheid, bedrijven, consumenten én beleggers. Je moet op alle borden schaken. En elke partij start vanuit een ander punt. Dat is heel complex.”

 

Charles: “We hebben een andere definitie nodig van ‘een goed leven’. Nu is dat massaconsumptie. En status. Maar wat status geeft, kan veranderen. De jongere generatie vindt het allang niet ‘cool’ meer om 80 uur per week te werken, en hecht belang aan andere zaken dan veel geld verdienen. Ook de overheid heeft hier een rol in te spelen. Die moet een stip op de horizon zetten: daar willen we met ons allen heen. En dit vervolgens stimuleren met wet- en regelgeving. Bijvoorbeeld door de kosten van CO2-uitstoot in de prijzen van producten op te nemen.”

    Hans Stegeman (links) en Charles Kalshoven. 

 

 

Heeft ‘corona’ iets veranderd in onze manier van denken? Heeft het een duurzame economie dichterbij gebracht?

Hans: “Je ziet dat mensen een ander gevoel krijgen voor wat waardevol is. Zo vroeg ik bijvoorbeeld of dit interview een kwartiertje eerder kon beginnen, omdat ik mijn zoontje met de slee van school wilde halen. Wat ik heb geleerd, is dat mensen worden gemotiveerd door een positieve beloning. Niet door de afschrikwekkende werking van een negatief vooruitzicht. Als we iets willen veranderen in ons economisch denken, bereiken we het meest door met positieve voorbeelden te inspireren. Vooral aangeven wat er wel kan en hoe dat kan bijdragen aan ons welzijn.”

 

Charles: “Ik zie dat corona wel invloed heeft gehad op de politiek. In Europa heeft corona echt een impuls gegeven aan groene initiatieven, zoals de Green Deal (een actieplan om de economie van de Europese Unie duurzaam te maken, red.). De houding van overheden is ook verschoven van bezuinigen en financiële discipline naar investeren in de maatschappij en het ondersteunen van getroffen mensen en ondernemingen. Het verhogen van de overheidsschuld is niet meer zo’n taboe als voorheen.”

 

Hans: “Het virus heeft ons bewuster gemaakt van onze relatie met de natuur. Ik vind wel dat de overheid een enorme kans heeft laten liggen door geen voorwaarden te verbinden aan de steun voor bedrijven, bijvoorbeeld Schiphol. Dit was een mooie gelegenheid geweest om de verduurzaming van Schiphol te versnellen. Het in stand houden van iets wat niet houdbaar is, is eigenlijk weggegooid geld.”

 

Welke rol kunnen pensioenfondsen en beleggers spelen in de verduurzaming van de economie?

Charles: “Met het geld dat we namens onze pensioenfondsen beheren, spelen we een belangrijke rol. En dat gaat verder dan producenten van slechte producten uitsluiten. Wij gaan met bedrijven in gesprek. Bijvoorbeeld over hoe ze de omslag van fossiele naar duurzame energie kunnen maken. Of juist omdat we vinden dat ze heel goed bezig zijn en we hun voorbeeld willen delen met andere bedrijven waarin we beleggen. Denk aan Arcadis, dat mede door gesprekken met ons ging rapporteren over hoe ze bijdragen aan de Duurzame Ontwikkelingsdoelen. Uitdaging is wel dat er nog steeds veel te weinig informatie is over de duurzaamheid van bedrijven en projecten. Wij dringen daar dan ook bij bedrijven op aan en dragen bij aan de ontwikkeling van duurzaamheidsstandaarden, zodat zoveel mogelijk beleggers dezelfde taal spreken.”

 

Hans: “Je moet als belegger weten waar je naartoe wil. En daaraan bijdragen. Dat gaat veel verder dan een lagere CO2-voetafdruk dan de markt. De markt als geheel is een weerspiegeling van de wereld en de wereld is verre van duurzaam. Wij stellen aan het begin van ons beleggingsproce