De centrale banken van de Verenigde Staten en die van Europa komen later deze maand met een rentebesluit. Waar de Federal Reserve een dubbelmandaat heeft – prijsstabiliteit én maximale werkgelegenheid – richt de Europese Centrale Bank (ECB) zich alleen op het beteugelen van inflatie. Waar komt dat verschil vandaan? We bellen erover met Charles Kalshoven, expert strateeg bij APG.
Terwijl de Senaat zich in Washington buigt over de benoeming van Kevin Warsh als nieuwe Fed-voorzitter, blikken wij terug. Waarin vindt het verschil in de mandaten van de Fed en ECB zijn oorsprong?
“Dat verschil is diep historisch geworteld. In de Verenigde Staten is de Grote Depressie van de jaren dertig hét economische trauma. Massawerkloosheid, deflatie en het gevoel dat de overheid en de centrale bank te weinig deden, hebben daar een diepe indruk achtergelaten. Uit die ervaring groeide de overtuiging dat een centrale bank niet alleen inflatie moet beteugelen, maar ook actief moet helpen om langdurige werkloosheid te voorkomen. Dat dubbelmandaat werd uiteindelijk in 1977 wettelijk vastgelegd.
In Europa, en vooral in Duitsland, ligt het trauma elders. Daar was juist de hyperinflatie van 1923 in de Weimarrepubliek allesbepalend. Spaargeld en pensioenen verdampten, vooral bij de middenklasse. Die ervaring leidde tot het besef dat prijsstabiliteit cruciaal is: niet alleen voor economische voorspelbaarheid, maar ook voor maatschappelijk vertrouwen en politieke stabiliteit. De chaos met tekorten en inflatie in de jaren na de Tweede Wereldoorlog bevestigde het belang van monetaire stabiliteit bij de generatie die later de Bundesbank, de Duitse centrale bank, opbouwde. Dat gedachtegoed werkte door tot in het ontwerp van de ECB.”
Betekent dit dat de ECB in feite een ‘Duits’ model volgt?
“In belangrijke mate wel. De ECB bouwt voort op de Bundesbank‑traditie met prijsstabiliteit als het primaire doel. Dat werd expliciet vastgelegd bij de oprichting van de euro. Voor Duitsland was een harde, stabiele munt een voorwaarde om afstand te doen van de D‑mark. Tegelijk speelde er een bredere politieke ruil: Frankrijk steunde de Duitse hereniging van 1990 en Duitsland ging akkoord met de euro. Andere eurolanden stemden in met het strakke mandaat, mede vanuit de gedachte dat de gezamenlijke munt ook een stap zou zijn richting verdere Europese integratie. Prijsstabiliteit werd daarnaast gezien als iets wat op termijn groei en werkgelegenheid ten goede komt, zij het indirect. Bovendien konden landen met een geschiedenis van hoge inflatie, zoals Italië, de reputatie van de Bundesbank als het ware ‘lenen’. Dat leverde lagere rentes en meer vertrouwen op.”