Intern toezicht binnen pensioenfondsen heeft de afgelopen jaren een flinke ontwikkeling doorgemaakt. Waar het ooit vooral ging om het afvinken van regels en het nalezen van dikke dossiers, is het nu een vakgebied dat draait om vooruitkijken, oordeelsvorming en strategische reflectie. Peter de Groot, voorzitter van de Vereniging van Intern Toezicht Pensioenfondsen (VITP), ziet het als zijn missie om die ontwikkeling verder te professionaliseren én zichtbaar te maken.
De pensioensector kent veel stakeholders. Van sociale partners, uitvoerders en de politiek tot toezichthouders. Wat is hun specifieke rol, hoe kijken zij aan tegen de sector, hoe zien zij én spelen zij in op het vernieuwde stelsel? In de rubriek Krachtenveld doen de partijen hun verhaal.
Pensioenen zijn maatschappelijk ontzettend belangrijk, weet De Groot. “Ik ben een sterke ‘believer’ van de tweede pijler: collectief, solidair en coöperatief. Er is geen winstbejag. Bestuurders en toezichthouders dragen verantwoordelijkheid voor het inkomen van miljoenen mensen – en dat voor een HBO-salaris. Niemand klaagt daarover. Maar het is wel een enorme verantwoordelijkheid.”
Die verantwoordelijkheid wordt volgens De Groot niet altijd erkend. “Bestuurders en toezichthouders steken hun nek uit, maar worden soms persoonlijk aangesproken zoals recent in de transitie naar de Wet toekomst pensioenen (Wtp). Dat is een verkeerde ontwikkeling. Als je fouten maakt, ben je aanspreekbaar. Maar als aangifte wordt gedaan door professionele querulanten, dan moet de sector pal achter zijn bestuurders gaan staan.”
Vooral inhoudelijk
De VITP ontstond ooit als een platform voor toezichthouders om kennis te delen en ervaringen uit te wisselen. “We waren vooral inhoudelijk bezig”, blikt De Groot terug. “Niet naar binnen gericht, maar wel sterk gefocust op de vakinhoud, met als doel leden te helpen hun werk goed te doen. Rond mijn aantreden is het bestuur in korte tijd vernieuwd. Dat gaf ruimte om onze rol te herdefiniëren.”
Die nieuwe rol betekent onder meer dat de VITP zich nadrukkelijker mengt in het publieke debat. “We hebben bijvoorbeeld gereageerd op de consultatie rondom de Wtp, en zijn inmiddels gesprekspartner van De Nederlandsche Bank (DNB) en de Autoriteit Financiële Markten (AFM).” De VITP zoekt nadrukkelijk de dialoog met die toezichthouders. “Dat is een bewuste keuze: we willen dat intern toezicht ook in Den Haag en Amsterdam serieus wordt genomen.” Volgens De Groot is dat hard nodig. “Wij zijn het voorportaal van extern toezicht, waarbij ik zie dat intern toezicht als vak volwassen is geworden. We zijn niet meer de mensen die alleen achteraf een oordeel geven. We zijn ook strategische gesprekspartners. En dat vraagt om professionaliteit, reflectie en durf. Maar ook om erkenning. Intern toezicht is geen bijzaak – het is een essentieel onderdeel van goed pensioenbestuur.”
Fundamentele verschuiving
De Groot ziet hierin ontwikkeling. Een voorbeeld daarvan is de rol van de Raad van Toezicht bij het invaren. “Die moet nu vooraf een oordeel geven over de evenwichtigheid van het transitieplan – niet achteraf. Dat is een fundamentele verschuiving.”
Het is daarbij echter volgens de voorzitter van de VITP wel nodig dat intern toezichthouders het bestuur blijven challengen. “Doen ze de goede dingen? En doen ze die goed? Dat vraagt om visie, om doorvragen, om het stellen van prikkelende vragen. Is het pensioenfonds nog steeds de beste vorm? Moeten we fuseren? Dat zijn strategische vragen waar intern toezicht een rol in moet spelen.”
Vragen stellen
Dat geldt volgens hem ook voor een belangrijk aspect van invaren, namelijk de communicatie met de deelnemers. “Hoe hebben jullie je voorbereid op communicatie richting deelnemers? Vaak horen we dan; goede vraag. Die leggen we voor aan onze uitvoerder. Het is maar een voorbeeld, maar het is onze taak om die vragen te stellen.” Hoewel, een voorbeeld; die communicatie richting de deelnemers is wel een essentieel punt, blijkt uit woorden van De Groot. “We slagen er al twintig jaar niet in om goed uit te leggen dat wat we doen, het allerbeste is voor de deelnemer. We realiseren hoge rendementen tegen een lage prijs. Dat mag best wat steviger worden uitgedragen.”
Daar ligt volgens hem ook een taak voor intern toezicht. “We communiceren nu nog steeds wat mensen ‘gaan krijgen’, met een voetnoot dat het kan afwijken. Maar straks gaan mensen hun potje begrijpen. Dan moet je als toezichthouder weten wat dat betekent – en het bestuur daarop bevragen.” Hij waarschuwt daarbij voor de dunne scheidslijn tussen toezicht en bestuur. “Toezichthouders moeten niet vertellen wat ze vinden, maar wel de juiste vragen stellen. Je moet het proces beoordelen, maar ook de uitkomst begrijpen.”