Het huwelijk tussen vrije markt en democratie

Gepubliceerd op: 18 februari 2021

In een tijd van toenemende wereldwijde protesten en met de Nederlandse verkiezingen in aantocht, kijk ik graag eens naar het ‘huwelijk’ tussen de vrije markt en de democratische rechtstaat.

 

De economen Acemoglu en Robinson hebben het in hun boek Why Nations Fail over economische en politieke instituties. Die kunnen inclusief zijn – iedereen mag meedoen – of uitbuitend. In dat laatste geval trekt een elite de rest leeg wat betreft welvaart of zeggenschap. Een van hun gedachten is dat economische vrijheid en politieke vrijheid elkaar versterken. Mijn vraag: is het nog een beetje een gelukkig huwelijk?

 

Waarom zouden politieke en economische vrijheid eigenlijk gelijk opgaan? Een deel van het verhaal is (on)gelijkheid. In een erg ongelijke samenleving moeten machthebbers zwaardere middelen inzetten om hun bezit te verdedigen. Economische vrijheid is bedreigend, want dat betekent meer concurrentie. En politieke vrijheid leidt voor je het weet tot herverdeling. Als een land zich (desondanks) ontwikkelt, ontstaat een middenklasse die inspraak wil en rechten probeert af te dwingen. Als dat lukt, is dat ook goed voor de economie. Ondernemers hoeven in een democratische rechtstaat namelijk minder bang te zijn dat iemand anders de vruchten van hún investering gaat plukken.

 

En zo hadden we tot aan het einde van de koude oorlog een overzichtelijke wereld. Of je woonde in een democratisch land met een vrije markt – meteen ook een rijk land – of je werd beknot in zowel je economische als politieke mogelijkheden en dan was je arm.

 

De grote afwijking in dit lekker overzichtelijke plaatje is China. Zoals bekend is de economische opmars ongekend. Maar politieke vrijheid is niet bepaald onderdeel van de succesformule. In de zeventiende eeuw liet de Nederlandse republiek het succes zien - tot afschuw van omliggende monarchieën - van de combinatie van economische en politieke vrijheden. De Chinezen tonen de wereld op hun beurt dat onvrijheid rijkdom niet in de weg hoeft te zitten. Toch een voorbeeld waarvan je hoopt dat het niet te veel navolging krijgt.

Er is nu eenmaal geen economische wet die bepaalt dat de meest objectieve berichtgeving het best verkoopt

Toch is het de vraag is of het succes blijft. Aan migratie van platteland naar de stad – een belangrijke groeimotor – zit een einde. Er is nog een reden om aan de houdbaarheid van het Chinese model te twijfelen. Acemoglu en Robinson stellen dat de combinatie van autoritair leiderschap en economische vrijheid helemaal niet stabiel is. Het kan dan twee kanten op. Toenemende welvaart kán tot toenemende inspraak leiden. Dan wordt je een vrije markt democratie. Maar je kunt ook afglijden naar onvrijheid op beide fronten.

 

Maar ook het stabiele huwelijk tussen democratie en vrije markt kan worden ondermijnd. Groeiende ongelijkheid kan maatschappelijke onvrede voeden. En de vrije markt kan veel nepnieuws genereren. Dat is een belangrijke factor geweest bij de bestorming van het Capitool op 6 januari. Er is nu eenmaal geen economische wet die bepaalt dat de meest objectieve berichtgeving het best verkoopt.

 

We kunnen er dus niet van uitgaan dat het automatisch goed komt als je eenmaal economische en politieke vrijheid hebt. Goed om te onthouden in verkiezingstijd. In verkiezingsprogramma’s – maar ook in de samenleving – zien we nu veel meer aandacht voor ongelijkheid. Dat helpt ook om de vrije markt en democratie bij elkaar te houden. Of ik hier voor straks een passend stemadvies bij heb? Jazeker. Ga stemmen!

 

 

Charles Kalshoven is senior strateeg bij APG