“Misschien kijken we wel naar de verkeerde race”

Gepubliceerd op: 30 juli 2026

Europa loopt achter op de Verenigde Staten en China als het gaat om grote AI-modellen. Toch betekent dat niet automatisch dat Europa economisch aan het kortste eind trekt. Sterker nog: juist in de maakindustrie liggen kansen om AI om te zetten in productiviteitsgroei en concurrentiekracht. Voor de rubriek Even bellen met... spraken we hierover met APG-econoom Charles Kalshoven.

OpenAI, Nvidia, Meta. Wie het nieuws volgt, krijgt gemakkelijk de indruk dat de winnaars van het AI-tijdperk al bekend zijn. Toch is dat volgens Kalshoven allerminst zeker. “Misschien kijken we wel naar de verkeerde race. De economische geschiedenis laat namelijk zien dat de grootste winnaars van een technologische revolutie vaak niet de bedrijven zijn die de technologie ontwikkelen, maar de organisaties die haar het slimst toepassen.” En juist daar ziet Kalshoven kansen voor Europa. Niet omdat het continent vooroploopt in AI, maar omdat het beschikt over een sterke industriële basis waarop nieuwe technologie direct waarde kan creëren.”


Is dat niet wat te veel ‘wishful thinking’?
“Nee. Europa heeft wel degelijk sterke kaarten in handen. We beschikken over een grote industriële basis, met sectoren als chemie, farmacie, biotechnologie en hoogwaardige maakindustrie. Daar kan AI helpen om processen slimmer, efficiënter en productiever te maken. Industriële AI draait namelijk om iets anders dan de chatbots die de meeste aandacht krijgen. Het gaat niet om teksten schrijven of afbeeldingen genereren, maar om het optimaliseren van fysieke processen, zoals kwaliteitscontrole, voorspellend onderhoud en procesbesturing. Daarmee kunnen bedrijven productiever en concurrerender worden. Als je al beschikt over veel productiekennis, data en goed georganiseerde processen, is het makkelijker om daar met AI waarde aan toe te voegen dan wanneer je vanaf nul moet beginnen. Dat zie je ook terug bij nieuwe Europese initiatieven, zoals het Parijse AMI Labs – Advanced Machine Intelligence. Dat werkt aan AI-systemen die niet alleen taal begrijpen, maar juist de fysieke wereld moeten doorgronden. Dat sluit goed aan bij de industriële kracht waar Europa al sterk in is.”

Maar andere aspecten naast technologie spelen toch ook een belangrijke rol in de concurrentiestrijd?
“Dat klopt. Uiteraard spelen zaken als energieprijzen, regelgeving en arbeidskosten een rol. Maar ik denk dat we die factoren soms ook overdrijven. Er wordt vaak gezegd dat Europa wordt geremd door dure energie en te veel regels, maar daarmee verklaar je niet volledig waarom sommige industrieën terrein verliezen. Minstens zo belangrijk is hoe bedrijven omgaan met technologische veranderingen. Neem de Europese auto-industrie. Die heeft lange tijd ingezet op verdere optimalisatie van de verbrandingsmotor, terwijl concurrenten in de Verenigde Staten en vooral China veel eerder vol kozen voor elektrisch rijden. Achteraf kun je dat zien als een strategische misrekening. Daarnaast heeft Europa te maken met stevige concurrentie uit China, waar bedrijven vaak profiteren van staatssteun en andere voordelen. Het concurrentievraagstuk gaat dus over meer dan alleen technologie of regelgeving. Het gaat ook over de vraag hoe snel bedrijven nieuwe ontwikkelingen herkennen en durven omarmen en over eerlijke concurrentie.”

Ook in de dienstensector kan AI processen verbeteren zonder dat dit direct leidt tot meer omzet

Als AI de productiviteit verhoogt, waarom zien we dat dan nog nauwelijks terug in de economische cijfers?
“Dat heeft vooral met tijd te maken. Nieuwe technologie vertaalt zich zelden direct in hogere economische groei. Bedrijven moeten eerst ontdekken hoe ze die technologie optimaal kunnen inzetten en hun processen daarop aanpassen. Dat zagen we eerder ook bij de introductie van elektriciteit. Die was beschikbaar, maar het duurde jaren voordat fabrieken hun inrichting en werkwijzen daarop hadden aangepast. Met AI zitten we eigenlijk in een vergelijkbare fase.

Daarnaast wordt niet alle economische winst zichtbaar in de statistieken. Soms krijgen consumenten een beter product of betere dienstverlening voor dezelfde prijs. Dat levert wel degelijk extra waarde op, maar dat zie je niet altijd terug in het bruto binnenlands product. Ook in de dienstensector kan AI processen verbeteren zonder dat dit direct leidt tot meer omzet. Als je dankzij AI sneller en beter antwoord kunt geven op vragen van klanten, ontstaat er vaak nieuwe vraag. Klanten gaan meer gebruikmaken van die mogelijkheid en stellen complexere vragen. De kwaliteit van de dienstverlening neemt toe, maar ook dat zie je niet automatisch terug in de economische groeicijfers.


Bij industriële toepassingen is dat vaak overzichtelijker. Daar kun je productiviteitswinst concreet meten. Denk aan voorspellend onderhoud waardoor machines minder vaak stilvallen, of kwaliteitscontroles die verspilling verminderen. Zulke verbeteringen maken bedrijven efficiënter en productiever. Daarom verwacht ik dat de economische effecten van AI uiteindelijk wel zichtbaar worden, maar dat daarvoor eerst tijd nodig is."

Stel dat Europa erin slaagt AI succesvol in de industrie toe te passen. Wie profiteert daar dan het meest van?
“Op korte termijn zijn dat waarschijnlijk de bedrijven die als eerste succesvol gebruikmaken van de technologie. Zij kunnen efficiënter produceren, hun kosten verlagen en hun winsten vergroten. Maar zulke voordelen zijn meestal niet blijvend. Concurrenten nemen succesvolle toepassingen uiteindelijk over, waardoor een deel van die winst weer verdwijnt.


Op langere termijn verschuiven de voordelen daarom vaak naar consumenten, werknemers en de economie als geheel. Consumenten krijgen betere producten voor dezelfde prijs, of dezelfde kwaliteit voor een lagere prijs. Werknemers kunnen profiteren doordat succesvolle bedrijven groeien en meer ruimte krijgen voor hogere lonen. En als bedrijven met dezelfde hoeveelheid mensen meer kunnen produceren, neemt uiteindelijk ook de welvaart toe.


De vraag is daarom niet zozeer óf de voordelen worden gedeeld, maar vooral hoe snel dat gebeurt. De geschiedenis laat zien dat technologische vooruitgang uiteindelijk zelden bij één groep terechtkomt. Soms is daar ook wat overheidsbeleid voor nodig – denk aan monopolies doorbreken – maar uiteindelijk profiteren meestal meerdere partijen van de productiviteitswinst die zo'n innovatie oplevert.”