Europa loopt achter op de Verenigde Staten en China als het gaat om grote AI-modellen. Toch betekent dat niet automatisch dat Europa economisch aan het kortste eind trekt. Sterker nog: juist in de maakindustrie liggen kansen om AI om te zetten in productiviteitsgroei en concurrentiekracht. Voor de rubriek Even bellen met... spraken we hierover met APG-econoom Charles Kalshoven.
OpenAI, Nvidia, Meta. Wie het nieuws volgt, krijgt gemakkelijk de indruk dat de winnaars van het AI-tijdperk al bekend zijn. Toch is dat volgens Kalshoven allerminst zeker. “Misschien kijken we wel naar de verkeerde race. De economische geschiedenis laat namelijk zien dat de grootste winnaars van een technologische revolutie vaak niet de bedrijven zijn die de technologie ontwikkelen, maar de organisaties die haar het slimst toepassen.” En juist daar ziet Kalshoven kansen voor Europa. Niet omdat het continent vooroploopt in AI, maar omdat het beschikt over een sterke industriële basis waarop nieuwe technologie direct waarde kan creëren.”
Is dat niet wat te veel ‘wishful thinking’?
“Nee. Europa heeft wel degelijk sterke kaarten in handen. We beschikken over een grote industriële basis, met sectoren als chemie, farmacie, biotechnologie en hoogwaardige maakindustrie. Daar kan AI helpen om processen slimmer, efficiënter en productiever te maken. Industriële AI draait namelijk om iets anders dan de chatbots die de meeste aandacht krijgen. Het gaat niet om teksten schrijven of afbeeldingen genereren, maar om het optimaliseren van fysieke processen, zoals kwaliteitscontrole, voorspellend onderhoud en procesbesturing. Daarmee kunnen bedrijven productiever en concurrerender worden. Als je al beschikt over veel productiekennis, data en goed georganiseerde processen, is het makkelijker om daar met AI waarde aan toe te voegen dan wanneer je vanaf nul moet beginnen. Dat zie je ook terug bij nieuwe Europese initiatieven, zoals het Parijse AMI Labs – Advanced Machine Intelligence. Dat werkt aan AI-systemen die niet alleen taal begrijpen, maar juist de fysieke wereld moeten doorgronden. Dat sluit goed aan bij de industriële kracht waar Europa al sterk in is.”
Maar andere aspecten naast technologie spelen toch ook een belangrijke rol in de concurrentiestrijd?
“Dat klopt. Uiteraard spelen zaken als energieprijzen, regelgeving en arbeidskosten een rol. Maar ik denk dat we die factoren soms ook overdrijven. Er wordt vaak gezegd dat Europa wordt geremd door dure energie en te veel regels, maar daarmee verklaar je niet volledig waarom sommige industrieën terrein verliezen. Minstens zo belangrijk is hoe bedrijven omgaan met technologische veranderingen. Neem de Europese auto-industrie. Die heeft lange tijd ingezet op verdere optimalisatie van de verbrandingsmotor, terwijl concurrenten in de Verenigde Staten en vooral China veel eerder vol kozen voor elektrisch rijden. Achteraf kun je dat zien als een strategische misrekening. Daarnaast heeft Europa te maken met stevige concurrentie uit China, waar bedrijven vaak profiteren van staatssteun en andere voordelen. Het concurrentievraagstuk gaat dus over meer dan alleen technologie of regelgeving. Het gaat ook over de vraag hoe snel bedrijven nieuwe ontwikkelingen herkennen en durven omarmen en over eerlijke concurrentie.”