Op het eerste gezicht staat de Nederlandse economie er redelijk voor. Inkomens stijgen, de werkloosheid is laag en de groei houdt stand. Toch spelen onder de oppervlakte ontwikkelingen die volgens CBS-hoofdeconoom Peter Hein van Mulligen op termijn ingrijpend blijken. Hij doelt vooral op de vergrijzing. “Dit is een structurele factor die de economische verhoudingen blijvend verandert.”
De pensioensector kent veel stakeholders. Van sociale partners, uitvoerders en de politiek tot toezichthouders. Wat is hun specifieke rol, hoe kijken zij aan tegen de sector, hoe zien zij én spelen zij in op het vernieuwde stelsel? In de rubriek Krachtenveld doen de partijen hun verhaal.
Van Mulligen schetst op de PensioenLab-bijeenkomst afgelopen donderdag voor jonge pensioentalenten en bestuurders hoe demografie, vertrouwen en economische keuzes samenkomen in de discussie over de toekomst van pensioenen. “De Nederlandse inkomens zijn de afgelopen jaren gestegen, ook wanneer rekening wordt gehouden met inflatie. Tegelijk blijft de groei van de consumptie achter. Waar hogere inkomens normaal gesproken leiden tot meer bestedingen, is die relatie de afgelopen jaren losser geworden”, weet de hoofdeconoom.
Huishoudens kiezen er volgens hem steeds vaker voor om extra inkomen niet uit te geven, maar te sparen. “Inmiddels staat er gezamenlijk meer dan 500 miljard euro op Nederlandse spaarrekeningen. Alleen al in het afgelopen jaar nam dat saldo sterk toe.” Volgens Van Mulligen is dat economisch gezien opmerkelijk. “Als mensen meer te besteden hebben, besteden ze meestal ook meer”, schetst hij. “Dat gebeurt nu minder, waardoor de economische groei achterblijft bij wat mogelijk zou zijn.”
Vertrouwen blijft structureel laag
De verklaring voor die terughoudendheid ligt volgens het CBS vooral in het lage consumentenvertrouwen. Dat is al jaren negatief en bevindt zich historisch gezien op een langdurig laag niveau. “Zelfs tijdens eerdere economische crises, zoals die van 2008, bleef het vertrouwen niet zo lang negatief”, aldus Van Mulligen.
Vooral de verwachtingen over inflatie spelen hierin een belangrijke rol, erkent hij. “Hoewel de inflatie inmiddels is teruggelopen ten opzichte van de piek tijdens de energiecrisis, verwachten veel mensen dat prijzen opnieuw zullen stijgen. Die verwachting beïnvloedt gedrag: huishoudens blijven voorzichtig met uitgaven en houden een buffer aan. Die combinatie van stijgende inkomens en laag vertrouwen zorgt voor een economie die wel groeit, maar minder dynamisch is dan mogelijk.”
Minder werkenden, meer gepensioneerden
De meest fundamentele ontwikkeling ligt volgens Van Mulligen echter bij de demografie. “Nederland vergrijst in hoog tempo en dat heeft directe gevolgen voor de economie en het pensioenstelsel.” De verhouding tussen werkenden en gepensioneerden verandert snel. In de jaren vijftig stonden er nog zeven mensen in de werkzame leeftijd tegenover één gepensioneerde. Inmiddels is dat ongeveer drie op één en richting 2040 schuift dat verder naar circa twee op één.
“Die verschuiving is structureel. Het aandeel 65-plussers in de bevolking stijgt tot circa een kwart en blijft daarna op dat niveau. Dat betekent dat relatief minder werkenden de kosten dragen voor een grotere groep ouderen. Voor het pensioenstelsel is dat een kernvraagstuk: hoe verdeel je middelen tussen generaties wanneer de balans blijvend verandert?”