Waarom de sector steeds vaker kiest voor de solidaire premieregeling

Gepubliceerd op: 27 februari 2026

Nu de pensioentransitie in een versnelling zit, tekenen de contouren van het vernieuwde stelsel zich steeds helderder af. In de recente overzichten van de transities per pensioenfonds valt vooral één patroon op: de sector beweegt massaal richting de solidaire premieregeling (SPR). De flexibele premieregeling (FPR) vormt een kleinere, maar duidelijk herkenbare niche. Het zijn keuzes die laten zien hoe de balans tussen solidariteit en individuele keuzevrijheid binnen het vernieuwde stelsel wordt ingevuld.

Uit de overzichten blijkt dat sociale partners in vrijwel alle grote bedrijfstakken kiezen voor de solidaire premieregeling. ABP, bpfBOUW, PFZW, PMT, PME en vele andere fondsen hebben deze opdracht van de sociale partners inmiddels definitief aanvaard.. Bij de beroepspensioenfondsen is een vergelijkbaar beeld te zien, al stappen enkele kleinere fondsen over naar een flexibele premieregeling met een risicodelingsreserve.


Bij de ondernemingspensioenfondsen ligt het beeld genuanceerder, maar ook daar overheerst de voorkeur van de sociale partners voor de solidaire variant. Alleen binnen kringen van algemene pensioenfondsen is de spreiding groter; daar wordt ook voor de flexibele premieregelingen gekozen Vaak in situaties waarin eerder al met DC‑elementen werd gewerkt.


Waarom de SPR zo aantrekkelijk is

Dat het overgrote deel van de sociale partners voor de solidaire premie­regeling kiest, is niet verrassend. De vakbeweging heeft vanaf het begin een uitgesproken voorkeur voor de SPR. Een belangrijke reden hiervoor is dat in de SPR de premiehoogte, die door de sociale partners wordt afgesproken, moet worden afgeleid uit een pensioendoelstelling. In minstens de helft van de economische scenario’s is dat bijvoorbeeld 75 procent middelloon na veertig dienstjaren. Omdat de premie in de SPR wordt afgeleid uit de kans dat een bepaalde pensioenambitie wordt gehaald, betekent dit tegelijk dat de premiehoogte onderwerp van gesprek kan blijven op de onderhandelingstafel, bijvoorbeeld als die pensioenambitie niet meer gehaald dreigt te worden.


Daarnaast kent de SPR een uitgebreidere vorm van risicodeling tussen generaties. De regeling biedt ook meer ruimte om jongeren beleggingsrisico te laten nemen, doordat de leenrestrictie kan worden opgeheven. Bovendien is er meer ruimte voor beleggingen in illiquide activa. Dit komt omdat de beleggingen in de SPR op collectief fondsniveau plaatsvinden en deelnemers bij pensioeningang in het fonds blijven. De SPR behoudt zo een aantal vertrouwde principes uit de oude FTK-wereld, erkent de Pensioenfederatie. Door de pensioendoelstelling en bredere risicodeling ligt deze regeling dichter bij het vorige FTK-contract dan de FPR. Voor veel grote en verplicht gestelde bedrijfstakfondsen, met brede en diverse populaties waarin generaties elkaar langdurig opvolgen, sluit dit goed aan op hun sociale fundament, aldus de koepelorganisatie.

 

Waarom de FPR wordt gekozen, en door wie
De flexibele premieregeling volgt duidelijk een andere route. Deelnemers krijgen meer invloed op het beleggingsbeleid. Binnen de FPR kunnen meerdere lifecycles worden aangeboden of is zelfs volledige beleggingsvrijheid toegestaan. Ook in de uitkeringsfase is de keuze breder: deelnemers kunnen kiezen tussen een vaste of een variabele uitkering. Dat verklaart volgens experts waarom de FPR vaker voorkomt bij ondernemingspensioenfondsen. Deze fondsen hebben meestal een uniformere doelgroep, soms met hoger financieel bewustzijn of met een historie waarin DC-elementen al gebruikelijk waren. De keuzevrijheid sluit daar beter op aan.


Werkgevers kunnen daarnaast een voorkeur hebben voor FPR omdat deze regeling stabielere premies kan bieden. Door het ontbreken van een pensioendoelstelling is er minder druk om de premie te verhogen. Daarnaast is de FPR vooral aantrekkelijk bij korte dienstverbanden. Die deelnemers kunnen in de opbouwfase kiezen voor waardeoverdracht zonder een bijdrage aan de risicodelingsreserve achter te laten, omdat die reserve meestal pas bij pensioeningang wordt gevuld uit persoonlijk kapitaal en niet uit premie-inleg. Of, wat ook kan; er zit helemaal geen risicodelingsreserve in de FPR. Alleen bij verplicht gestelde fondsen moet er namelijk een risicodelingsreserve in zitten. Bij kleinere ondernemingspensioenfondsen speelt nog een factor: deze deelnemers wisselen vaker van baan en gaan dus eerder over naar een ander fonds. Dat past bij een FPR-constructie zonder collectieve reserves, waarin je opgebouwde kapitalen gemakkelijker kunt meenemen.


Reserves: een cruciaal onderscheid

Een belangrijk technisch verschil tussen beide contractvormen ligt in de manier waarop de reserves worden gevuld. In de SPR mag de solidariteitsreserve ook uit overrendement worden gevuld. Bij de FPR is vulling vanuit rendement niet toegestaan; de risicodelingsreserve wordt doorgaans uitsluitend gevuld bij pensioeningang uit persoonlijk kapitaal. Vulling uit premie komt relatief weinig voor. De SPR biedt daardoor meer ruimte voor risicodeling tussen generaties, één van de belangrijke redenen voor de voorkeur van de vakbeweging.


Voor verplicht gestelde bedrijfstakfondsen is een risicodelingsreserve in de FPR verplicht. Andere fondsen hebben hier meer vrijheid. 

Spannende fase: uitvoering en communicatie
Naarmate  er steeds meer fondsen over zijn, verschuift de aandacht naar de uitvoering en de communicatie met deelnemers. Pensioen wordt persoonlijker en transparanter, maar behoudt zijn collectieve kern. Voor de meeste mensen verandert er minder dan ze denken: pensioen blijft een afspraak gebaseerd op collectiviteit, solidariteit en levenslange uitkering.

Dat de sociale partners zo overtuigend richting de solidaire premieregeling bewegen, laat zien dat die kern stevig staat. Tegelijk biedt de flexibele premieregeling waar mogelijk ruimte voor maatwerk. Het vernieuwde stelsel is daarmee geen breuk met het verleden, maar vooral een modernisering, waarin vertrouwde principes en persoonlijke inzichtelijkheid samenkomen.

Dit artikel is mede tot stand gekomen op basis van input van de Pensioenfederatie en interne experts van APG.