3 werkenden voor elke AOW’er – wat zegt dit over het stelsel?

Gepubliceerd op: 18 maart 2026

Achter elk getal zit een verhaal. In de rubriek ‘Cijfers die tellen’ staat steeds één cijfer centraal dat iets zegt over pensioen, APG of de wereld eromheen. In deze aflevering richten we ons op het overheidspensioen: in Nederland zijn nu drie werkenden voor elke AOW’er. Wat betekent dit voor de houdbaarheid van het AOW-stelsel? We vragen het Morteza Mohseni, actuaris bij APG.

In 1950 waren er zeven werkenden per gepensioneerde, nu iets meer dan drie. Waar denk je bij dat getal als eerste aan?

“De verhouding geeft bovenal aan dat we aan het vergrijzen zijn. Als actuarissen houden we ons voornamelijk bezig met het tweede pijlerpensioen, ofwel de oudedagsvoorziening die je via je werkgever opbouwt. Daarbij kijken we hoeveel pensioenpremie we nu nodig hebben om straks de pensioenen levenslang te kunnen uitkeren. Voor dit zogenoemde kapitaalgedekt pensioen in de tweede pijler is het feit dat er nu iets meer dan drie werkenden voor elke gepensioneerde zijn minder relevant. Iedere deelnemer van een pensioenfonds bouwt immers zijn eigen pensioen op. En dat geldt nog meer in het vernieuwde stelsel, met zijn persoonlijke pensioenpotten. Voor ons als actuarissen is vooral de ontwikkeling van de levensverwachting van belang. De stijging daarvan is overigens een van de oorzaken van de vergrijzing.

 

Waar de verhouding tussen werkenden en gepensioneerden wél directe gevolgen voor heeft, is de betaalbaarheid van de AOW. De AOW wordt gefinancierd via een omslagstelsel: de premies van de werkenden van nu worden gebruikt om de AOW-uitkeringen van de huidige gepensioneerden te betalen, aangevuld met algemene middelen wanneer nodig. De AOW is daarmee een systeem dat sterk leunt op solidariteit tussen generaties. Elke werkende die nu meebetaalt aan de AOW, hoopt later zelf ook dit basispensioen vanuit de overheid te ontvangen. Een afnemend aantal werkenden per gepensioneerde zet de draagkracht en houdbaarheid van dit stelsel onder druk.”

 

Het nieuwe kabinet wil dat met elk jaar dat de levensverwachting toeneemt, de AOW-leeftijd ook met een jaar stijgt. De reden is dat de bijdrage van AOW-premies aan de financiering van het stelsel de afgelopen jaren tot minder dan de helft is gedaald. Daardoor leunt de AOW steeds zwaarder op belastinggeld. Is een een-op-een-koppeling met de levensverwachting de enige knop waaraan de overheid kan draaien?

“Nee, een een-op-een-koppeling van de AOW-leeftijd aan de levensverwachting is voornamelijk een politieke keuze, en zeker niet de enige beleidsknop. Er bestaan alternatieven die kunnen zorgen voor meer AOW-premie inkomsten of lagere AOW-uitgaven. Zo kun je de AOW-premie verhogen of een nog groter deel via algemene middelen financieren. Een stijging van de arbeidsproductiviteit kan ook – in ieder geval deels – uitkomst bieden, bijvoorbeeld door innovatie of door de inzet van AI. Gerichte arbeidsmigratie vormt een andere optie, met name voor sectoren waarin nu personeelstekorten bestaan, zoals de zorg. Arbeidsmigranten betalen immers ook AOW-premies, wat ten goede komt aan de betaalbaarheid van de AOW. Verder kun je voltijdse dienstverbanden stimuleren. Nederlanders zijn nu kampioen deeltijdwerken, dus ook daar valt nog de nodige winst te behalen.

 

Er bestaan ook beleidsopties die politiek gevoeliger liggen, zoals de AOW – deels – inkomensafhankelijk te maken of niet langer automatisch mee te laten stijgen met de inflatie. Wat eveneens kan bijdragen is flexibilisering van de AOW, bijvoorbeeld van de ingangsdatum. Stel dat je ervoor kunt kiezen om je AOW vervroegd in te laten gaan, bijvoorbeeld omdat je via je werkgever al een goed pensioen hebt opgebouwd. Dan zou je genoegen kunnen nemen met een lagere AOW dan waar je normaliter recht op hebt. Kortom: de een-op-een-koppeling is een optie, maar zeker niet de enige.”

 

De AOW wordt gezien als een verworvenheid, en veel oudere Nederlanders zijn er in ieder geval deels van afhankelijk. Wat is volgens jou een misvatting over dit overheidspensioen?
“Een hardnekkige misvatting is dat de AOW een soort persoonlijk opgebouwd pensioen zou zijn, vergelijkbaar met het werkgeverspensioen in de tweede pijler. Verder vertroebelt de discussie over de vraag of de AOW een-op-een moet meestijgen met de levensverwachting wellicht voor sommigen het beeld dat de AOW-leeftijd inmiddels al een aardig eind is opgeschoven, en dat dit proces blijft doorgaan. De stap van 67 naar 67 jaar en drie maanden leidde destijds al tot stevige maatschappelijke discussie. Nu geldt dat voor elk jaar aan extra levensverwachting de AOWleeftijd met acht maanden wordt verhoogd. Ik betwijfel of iedere 40-jarige weet dat hun verwachte AOW-leeftijd inmiddels richting de 70 jaar gaat, en ze dus zeer waarschijnlijk veel langer moeten doorwerken dan tot hun 67ste.” 


Tot slot: de verwachting is dat het aantal werkenden voor elke AOW’er rond 2040 richting de twee is gedaald. Valt er ook wat te zeggen over de nog langere termijn?
“Dat blijft onzeker, en is voornamelijk afhankelijk van de bevolkingssamenstelling die Nederland dan heeft. Volgens de meeste scenario’s zet de vergrijzingstrend zich deels door en neemt het aantal werkenden per AOW’er nog wat verder af. In hoeverre dat daadwerkelijk gebeurt, hangt onder meer af van migratie – en dan met name arbeidsmigratie, de ontwikkeling van de arbeidsmarkt en de levensverwachting.

 

Overigens is de verhouding tussen werkenden en AOW’ers niet alleen relevant voor de houdbaarheid van de AOW, maar heeft deze ook impact op andere domeinen. Een kleinere beroepsbevolking ten opzichte van het aantal gepensioneerden heeft ook gevolgen voor de zorguitgaven, de krapte op de arbeidsmarkt en de daaraan gerelateerde productiviteit en innovatiekracht. De impact van een afnemende beroepsbevolking gaat dus verder dan alleen de houdbaarheid van het AOW-stelsel.”