De stad, de groei en het virus

De stad, de groei en het virus

Gepubliceerd op: 12 november 2020

Als je in een stad woont of werkt, dan ben je er extra aan blootgesteld. Het kan bij de koffieautomaat op kantoor gebeuren, bij de Starbucks of bij de halte van de tram. Bij elk contact kunnen ze overspringen van mens op mens. Bovendien hebben ze de neiging razendsnel te muteren. En eenmaal los houdt niets ze meer tegen. Mondkapjes helpen niet. Vaccineren is zinloos. Maar dat is gelukkig ook niet nodig. Ik heb het hier niet over virusdeeltjes. Wel over dingen die zich nogal viraal gedragen: ideeën.

 

We hebben onze rijkdom voor een belangrijk deel te danken aan de ‘besmettelijkheid’ van goede ideeën en hun neiging om te ‘muteren’: combinaties te vormen met andere goede ideeën. Zo heeft Elon Musk het wiel zelf niet hoeven uitvinden, en Steve Jobs hoefde niet eerst het internet te bedenken voor hij de iPhone lanceerde.

 

Voor het ontspruiten en verspreiden van nieuwe ideeën is een voedingsbodem nodig. En laat steden daar nu bij uitstek geschikt voor zijn. De aanwezigheid van universiteiten, culturele voorzieningen, maar ook horeca waar mensen elkaar kunnen ontmoeten – al dan niet toevallig – spelen een belangrijke rol. Zoals ze in Sillicon Valley zeggen: “Kennis reist met koffiesnelheid." Steden bepalen mede de economische groei: hoe groter de stad, hoe hoger de productiviteit.

 

Die omstandigheden, die gunstig zijn voor de uitwisseling van ideeën, zijn dat helaas ook voor de overdracht van het coronavirus. De kroegen zijn daarom weer dicht en veel mensen werken thuis.

 

Werken de steden na corona nog steeds als economische groeimotor? Door het virus hebben we flink wat ingesleten gedragspatronen doorbroken. Aan de dertig dagen die je nodig schijnt te hebben voor gedragsverandering komen de meeste thuiswerkers makkelijk. Na het grote thuiswerkexperiment zal niet iedereen weer vijf dagen naar kantoor willen. Je hebt je collega’s gemist, maar elkaar een paar dagen per week zien is waarschijnlijk meer dan genoeg.

Werken de steden na corona nog steeds als economische groeimotor?

Thuiswerken kan zo structureel de vraag naar kantoorruimte drukken, evenals de vraag naar woningen in steden. Reistijd neemt in belang af, ruimte wordt juist belangrijker. Een uittocht uit de stad kan zichzelf versterken. Koffietentjes en kroegen hadden het al moeilijk door tijdens de lockdowns opgelopen schulden. Afnemende bestedingen van inwoners en forenzen maken het niet makkelijker. Als het aanbod van voorzieningen verschraalt, tast dit de aantrekkelijkheid van de stad verder aan.

 

Of het echt een blijvende trend is, is natuurlijk de vraag. Maar tekenend is dat je tegenwoordig televisieprogramma’s hebt over hoeveel huis en ruimte je wint als je de stad verlaat. En de architect Rem Koolhaas, toch gezichtsbepalend voor menige stad, zei eerder dit jaar in het programma Buitenhof: “Als je in de stad woont, ben je een loser”.

 

Wat betekent het voor de beleggingsportefeuille van pensioenfondsen? Allereerst kan binnen de vastgoedportefeuille de relatieve aantrekkelijkheid van verschillende soorten vastgoed veranderen, denk aan distributiecentra ten faveure van kantoren. Tegelijkertijd is dat een trend waarop eigenlijk al werd ingespeeld. Corona versnelt alleen die trend.

 

Als steden een minder prominent platform worden voor ideeënuitwisseling, dan valt een belangrijke groeimotor weg. Dat vertaalt zich uiteindelijk in lagere rendementen, of een duurder pensioen.

 

Maar het is natuurlijk de vraag of er dan niet iets anders voor in de plaats komt. Misschien vinden we half thuiswerkend wel nieuwe manieren van kruisbestuiving, eventueel met hulp van nieuwe technologie. Ideeën daarover zijn nu meer dan welkom. Dus wie een goed idee heeft, liefst een beetje besmettelijk en gevoelig voor mutaties: zegt het voort!

 

Charles Kalshoven is senior strategist bij APG

Gepubliceerd in deze collectie(s)

Pensioen

Collectie in Inkomen